Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI6140

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
03-06-2009
Zaaknummer
336789 / KG ZA 09-552
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eisers worden door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering tot opheffing van het op een woning gelegde beslag. De Staat stelt zich op het standpunt dat eisers niet-ontvankelijk zijn in hun vordering tot opheffing van het beslag, omdat daartoe voor hen de klaagschriftprocedure op de voet van artikel 552a Sv openstond, welk rechtsmiddel zij ook hebben aangewend. Dit verweer slaagt. Of het beslag moet worden opgeheven is naar het oordeel van de voorzieningenrechter inderdaad voorbehouden aan de raadkamer in strafzaken van deze rechtbank. Het is onverenigbaar met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken dat de voorzieningenrechter vooruitlopend op die behandeling oordeelt over de rechtmatigheid van het beslag. Voor toewijzing van een vordering tot opheffing van een strafrechtelijk beslag, zoals hier aan de orde, kan daarom slechts sprake zijn in zeer uitzonderlijke of buitengewoon spoedeisende omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden, op grond waarvan eisers de behandeling van het klaagschrift niet kunnen afwachten, is in deze zaak echter onvoldoende gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 3 juni 2009

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 336789 / KG ZA 09-552 van:

1. [eiser A.],

wonende te [plaats],

2. de besloten vennootschap [B.] BELEGGINGEN B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats],

eisers,

advocaat mr. B.F.F. Gosschalk-Davidson te 's-Gravenhage,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (het ministerie van Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W.B. Gaasbeek te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna aangeduid als [A.], [B.] Beleggingen en de Staat.

De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 20 mei 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Van 21 november 1989 tot 1 januari 1993 was [A.] en vanaf 1 januari 1993 is [C.] Beheer B.V. directeur en enig aandeelhouder van [B.] Beleggingen. [A.] is sinds 1989 directeur en enig aandeelhouder van [C.] Beheer B.V.

1.2. De onroerende zaken, staande en gelegen te [adres] (hierna: de woning), staan sinds april 1990 op naam van [B.] Beleggingen.

1.3. Op 21 januari 2000 is in verband met verdenking jegens [B.] Beleggingen van heling bij de verwerving van de woning daarop beslag gelegd als bedoeld in artikel 94 Sv. Omdat de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging van het [B.] Beleggingen ten laste gelegde is dit beslag op 2 mei 2005 opgeheven.

1.4. Op 9 februari 2005 heeft het openbaar ministerie op basis van de veronderstelling dat - om de eigendom van een derde te verhullen - de woning via een schijnconstructie was gaan toebehoren aan [B.] Beleggingen conservatoir beslag in de zin van 94a lid 3 Sv doen leggen op de woning. Het tegen dit beslag ingediende klaagschrift heeft de rechtbank ter behandeling doorgezonden aan het gerechtshof te 's-Gravenhage, dat bij beschikking van 3 maart 2006 het beklag ongegrond heeft verklaard. Na cassatie van deze beschikking heeft het hof het klaagschrift bij beschikking van 8 oktober 2008 alsnog gegrond verklaard. Na intrekking van het tegen deze beschikking ingestelde cassatieberoep heeft het openbaar ministerie bij brief van 18 maart 2009 aan de advocaat van [B.] Beleggingen bericht dat als gevolg van die intrekking het conservatoire beslag op de woning zou worden opgeheven. Dit is ook gebeurd.

1.5. Op 24 maart 2009 heeft het openbaar ministerie met het oog op verbeurdverklaring ten laste van [B.] Beleggingen op de voet van artikel 94 lid 2 Sv opnieuw strafrechtelijk beslag doen leggen op de woning.

1.6. Op 6 april 2009 hebben eisers op de voet van artikel 552a Sv tegen laatstgenoemd beslag een klaagschrift ingediend bij deze rechtbank. Hierop is nog niet beslist.

1.7. De woning heeft gedurende een lange tijd leeggestaan en is op een zeker moment gekraakt en weer ontruimd, waarbij sprake is geweest van ongeregeldheden, vernielingen en overlast voor omwonenden. De woning verpaupert en is mede daardoor een bron van zorgen voor de [gemeente]

De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eisers vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te gelasten direct na de betekening van dit vonnis het op 24 maart 2009 op de woning gelegde beslag op te heffen en te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 125.000,-- als voorschot op de schadevergoeding die hij jegens eisers verschuldigd is.

2.2. Daartoe voeren eisers het volgende aan.

2.2.1. Zij betwisten dat - zoals de officier van justitie bij brief van 15 april 2009 ter toelichting van het beslag heeft aangevoerd - de koop van de woning destijds (medio 1991) is gefinancierd met van misdrijf afkomstige gelden en dat aldus sprake kan zijn van een gerechtvaardigde verdenking van overtreding van artikel 420bis Sr (witwassen). Daartoe voeren zij aan sinds 1991 alle aan de woning verbonden eigenaarslasten uit eigen arbeidsinkomsten te hebben betaald. Het op 6 april 2009 gelegde strafrechtelijk beslag is derhalve ongefundeerd en dient direct te worden opgeheven.

2.2.2. Eisers worden sinds 1991 door het openbaar ministerie vervolgd met strafrechtelijke procedures en ontnemingsbeslagen in diverse vormen. Eisers zijn echter van de ten laste gelegde feiten vrijgesproken en de beslagen zijn steeds na verloop van tijd opgeheven. Thans is voor de vierde keer beslag gelegd op de woning. Eisers hebben het jegens hen gerichte handelen van het openbaar ministerie door de jaren heen als zeer emotioneel en financieel belastend ervaren en werken nu aan de voorbereiding van een civiele procedure ter vergoeding van schade wegens onrechtmatige overheidsdaad. Vooruitlopend op de uitkomst daarvan vorderen eisers thans een voorschot, dat zij ter zitting hebben gepreciseerd op een bedrag van € 125.000,-- in verband met financiële claims die de [gemeente] bij eisers indient voor beheer en onderhoud van de woning ter voorkoming van ongeregeldheden en overlast rondom de woning.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, waarop hierna zo nodig wordt ingegaan.

De beoordeling van het geschil

3.1. De Staat stelt zich op het standpunt dat eisers niet-ontvankelijk zijn in hun vordering tot opheffing van het beslag, omdat daartoe voor hen de klaagschriftprocedure op de voet van artikel 552a Sv openstond, welk rechtsmiddel zij met het klaagschrift van 6 april 2009 ook hebben aangewend.

3.2. Dit verweer slaagt. Of het beslag moet worden opgeheven is naar het oordeel van de voorzieningenrechter inderdaad voorbehouden aan de raadkamer in strafzaken van deze rechtbank, die - zoals eisers ter zitting hebben verklaard - het klaagschrift in kwestie op 7 juli 2009 zal behandelen. Het is onverenigbaar met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken dat de voorzieningenrechter vooruitlopend op die behandeling oordeelt over de rechtmatigheid van het beslag. Voor toewijzing van een vordering tot opheffing van een strafrechtelijk beslag, zoals hier aan de orde, kan daarom slechts sprake zijn in zeer uitzonderlijke of buitengewoon spoedeisende omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden, op grond waarvan eisers de behandeling van het klaagschrift niet kunnen afwachten, is in deze zaak echter onvoldoende gebleken. Dientengevolge zijn eisers niet ontvankelijk in hun vordering tot opheffing van het beslag.

3.3. De vordering tot veroordeling van de Staat tot betaling van een voorschot van

€ 125.000,-- op een nader te bepalen schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad hebben eisers onvoldoende onderbouwd. Ter adstructie van de gestelde schade hebben zij immers niet meer overgelegd dan een nota inzake de kosten ten bedrage van € 2.316,17 voor het herstel van ruitschade, terwijl uit die nota voorts niet blijkt dat deze kosten verband houden met de woning. Dit onderdeel van de vordering komt ook niet voor toewijzing in aanmerking.

3.4. Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Nu eisers hun geldvordering hebben bepaald op € 125.000,--, dient het griffierecht dat zij verschuldigd zijn hieraan te worden aangepast.

De beslissing

De voorzieningenrechter

- verklaart eisers niet-ontvankelijk in hun vordering tot opheffing van het op 24 maart 2009 gelegde beslag;

- wijst het overigens gevorderde af;

- veroordeelt [A.] en [B.] Beleggingen in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 262,-- aan griffierecht en € 816,-- aan salaris advocaat;

- bepaalt dat [A.] en [B.] Beleggingen met ingang van veertien dagen na heden de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2009.