Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI5018

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-05-2009
Datum publicatie
27-05-2009
Zaaknummer
Reg.nrs.: AWB 07/5636 WW44
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning, Europolgebouw. Geen onaanvaardbare aantasting beschermd stadsgezicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, meervoudige kamer

Reg.nrs.: AWB 07/5636 WW44, AWB 07/5839 WW44, AWB 07/5946 WW44, AWB 07/5947 WW44, AWB 07/6110 WW44, AWB 07/6118 WW44, AWB 07/6119 WW44, AWB 07/6137 WW44, AWB 07/6176 WW44 en AWB 07/6266 WW44.

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

Stichting Wijkoverleg Statenkwartier en anderen, gevestigd respectievelijk wonende te Den Haag, Inflation Exchange Fund (Vastgoed) Uranus B.V., gevestigd te Amsterdam, [A.], [B.], [C.], [D.], [E.], [F.],

[G.] en [H.], allen wonende te Den Haag, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.

Derde partij: Rijksgebouwendienst, vergunninghouder.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 5 februari 2007 heeft verweerder - onder verlening van ontheffingen van de Bouwverordening van de gemeente Den Haag (hierna: de Bouwverordening) en onder toepassing van artikel 50, vierde lid, van de Woningwet (hierna: Wow) - aan vergunninghouder een reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een kantoorgebouw op het perceel aan de Eisenhowerlaan ongenummerd, sectie N, nr. 8440 te Den Haag.

Bij besluit van 11 juli 2007, verzonden op 12 juli 2007, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 21 juni 2007, het hiertegen door eiser [C.] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser [C.] bij brief van 30 juli 2007, ingekomen bij de rechtbank op 31 juli 2007, beroep ingesteld, ingekomen onder registratienummer AWB 07/5636 WW44.

Bij besluit van 10 juli 2007, verzonden op 12 juli 2007, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 21 juni 2007, de tegen het besluit van 5 februari 2007 door de overige eisers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres [H.] bij brief van 6 augustus 2007, ingekomen bij de rechtbank op 7 augustus 2007, beroep ingesteld, ingekomen onder registratienummer AWB 07/5839 WW44.

Tegen dit besluit heeft eiser [D.] bij brief van 7 augustus 2007, ingekomen bij de rechtbank op 9 augustus 2007, beroep ingesteld, ingekomen onder registratienummer AWB 07/5947 WW44.

Tegen dit besluit heeft eiser [G.] bij brief van 8 augustus 2007, ingekomen bij de rechtbank op 9 augustus 2007, beroep ingesteld, ingekomen onder registratienummer AWB 07/5946 WW44. De gronden zijn daarna aangevuld.

Tegen dit besluit hebben eisers Stichting Wijkoverleg Statenkwartier en anderen bij brief van 16 augustus 2007, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld, ingekomen onder registratienummer AWB 07/6110 WW44.

Tegen dit besluit heeft eiser [E.] bij brief van 14 augustus 2007, ingekomen bij de rechtbank op 17 augustus 2007, beroep ingesteld, ingekomen onder registratienummer AWB 07/6119 WW44.

Tegen dit besluit heeft eiseres [A.] bij brief van 16 augustus 2007, ingekomen bij de rechtbank op 17 augustus 2007, beroep ingesteld, ingekomen onder registratienummer AWB 07/6118 WW44.

Tegen dit besluit heeft eiseres [F.] bij brief van 16 augustus 2007, ingekomen bij de rechtbank op 20 augustus 2007, beroep ingesteld, ingekomen onder registratienummer AWB 07/6137 WW44.

Tegen dit besluit heeft eiser [B.] bij brief van 18 augustus 2007, ingekomen bij de rechtbank op 20 augustus 2007, beroep ingesteld, ingekomen onder registratienummer AWB 07/6176 WW44.

Tegen dit besluit heeft eiseres Inflation Exchange Fund (Vastgoed) Uranus B.V. (hierna: Uranus) bij brief van 22 augustus 2007, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld, ingekomen onder registratienummer AWB 07/6266 WW44. De gronden zijn daarna aangevuld.

Bij brief van 3 oktober 2007 heeft vergunninghouder zich als derde partij gesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eisers Stichting Wijkoverleg Statenkwartier en anderen, [C.], [D.] en [H.] hebben nadere stukken overgelegd.

De beroepen zijn op 28 november 2008 ter zitting gevoegd behandeld.

Eisers Stichting Wijkoverleg Statenkwartier en anderen hebben zich laten vertegenwoordigen door [I.], bijgestaan door mr. R.B. van Heijningen, advocaat te Den Haag, en [J.], werkzaam bij EW Milieu-advies.

Eiseres Uranus heeft zich laten vertegenwoordigen door [K.] bijgestaan door

mr. drs. H.A. Samuels Brusse - van der Linden, advocaat te Utrecht.

Eisers [B.], [C.] en [D.] zijn in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [L.], [M.] en [N.], bijgestaan door mr. R.J.J. Aerts, advocaat te Den Haag.

De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [O.]

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek wordt heropend. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft verweerder bij brief van 8 januari 2009 de door de rechtbank gestelde vragen beantwoord. Eiser [B.] heeft daarop gereageerd bij brief van 4 februari 2009. Eisers Stichting Wijkoverleg Statenkwartier en anderen hebben daarop gereageerd bij brief van 6 februari 2009. Eiseres Uranus heeft daarop gereageerd bij brief van 13 februari 2009.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven voor het afzien van een nadere zitting heeft de rechtbank partijen bij brief van 16 april 2009 meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

II OVERWEGINGEN

Inleiding

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Verder zijn bij de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro op 1 juli 2008 enkele bepalingen van de Wow gewijzigd. Aangezien de aanvraag om bouwvergunning en impliciet dus ook het verzoek om ontheffing dateren van vóór 1 juli 2008, zijn in dit geval nog de bepalingen van de WRO en de Wow van toepassing zoals deze destijds, vóór 1 juli 2008, luidden.

In artikel 44, eerste lid, van de Wow is bepaald dat een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van één van de daar gegeven weigeringsgronden.

Het bouwplan voorziet in het oprichten van een kantoorgebouw aan de Eisenhowerlaan ongenummerd in Den Haag. Het gebouw is gesitueerd op de locatie waar voorheen de Statenhal was gevestigd. In het gebouw wordt het hoofdkantoor van de internationale organisatie Europol (European Police Office) gehuisvest. Het Europolkantoor bestaat uit een onderbouw, een zogenoemde ‘plint’, met een hoogte van 15 meter. Daarboven bevinden zich, haaks op de Eisenhowerlaan, vier ‘schijven’. Twee schijven hebben een hoogte van circa 23 meter ten opzichte van het maaiveld. De andere twee schijven hebben een hoogte van 30 respectievelijk 45 meter ten opzichte van het maaiveld.

Ter plaatse gold ten tijde van het bestreden besluit geen bestemmingsplan. Voor het gebied waarin het bouwplan is gelegen is op 17 februari 2005 het voorontwerp van het bestemmingsplan “Congresgebouw en omgeving” (hierna: het bestemmingsplan) ter inzage gelegd. Voor dit gebied heeft de raad van de gemeente Den Haag op 29 juni 2006 een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de WRO vastgesteld. Het voorbereidingsbesluit “Congresgebouw en omgeving” is op 13 juli 2006 in werking getreden en op 12 juli 2008 vervallen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 22 mei 2007 tot en met 2 juli 2007 ter inzage gelegen. Het bestemmingsplan is op 11 oktober 2007 door de raad van de gemeente Den Haag vastgesteld. Aan de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft, is de bestemming “Kantoren 1” gegeven. Het bestemmingsplan is bij besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 3 juni 2008 goedgekeurd. Tegen dit besluit is beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek om voorlopige voorziening is door de Voorzitter van de ABRS op 7 oktober 2008 (LJN: BF8946) afgewezen, waardoor het bestemmingsplan op die datum in werking is getreden. Omdat nog niet op het beroep is beslist, is het bestemmingsplan nog niet onherroepelijk.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het toetsingskader voor de bouwaanvraag, zowel ten tijde van het besluit van het verlenen van de bouwvergunning als ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, de Bouwverordening was, omdat toen ter plaatse van het bouwplan geen bestemmingsplan gold.

Het bouwplan is in strijd met diverse bepalingen van de Bouwverordening. Verweerder heeft, om bouwvergunning te kunnen verlenen, ontheffing verleend van de volgende bepalingen van de Bouwverordening:

Artikel 2.5.6. (verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn), krachtens het bepaalde in artikel 2.5.8, eerste lid, onder b;

Artikel 2.5.10, eerste lid (plaatsing voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn), krachtens het bepaalde in artikel 2.5.10, vierde lid, onder f en j;

Artikel 2.5.12 (verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn), krachtens het bepaalde in artikel 2.5.14, eerste lid, onder s en k (ten behoeve van het hoofdgebouw respectievelijk het bijgebouw);

Artikel 2.5.16, eerste en tweede lid (erf bij overige gebouwen), krachtens het bepaalde in artikel 2.5.16, derde lid onder a en b;

Artikel 2.5.18, eerste lid (erf- en tuinafscheidingen), krachtens het bepaalde in artikel 2.5.18, tweede lid;

Artikel 2.5.20, eerste lid (toegelaten hoogte in voorgevelrooilijn), krachtens het bepaalde in artikel 2.5.28, eerste lid , onder b respectievelijk artikel 2.5.29, tweede lid, onder c;

Artikel 2.5.23, eerste lid (toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijn), krachtens het bepaalde in artikel 2.5.28, eerste lid onder b respectievelijk artikel 2.5.29, tweede lid, onder c;

Artikel 2.5.24 (grootste toegelaten hoogte van bouwwerken) krachtens het bepaalde in artikel 2.5.28, eerste lid, onder b respectievelijk artikel 2.5.29, tweede lid, onder c;

Artikel 2.5.30 (parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen), krachtens het bepaalde in artikel 2.5.30, vierde lid, onder a, voor 468 parkeerplaatsen.

De beroepsgronden en de verweren zullen hieronder, voor zover van belang, inhoudelijk worden besproken.

Procedurele beroepsgronden

Verweerder heeft eiser [C.], wonend aan de Frankenslag, alsmede reclamanten wonend aan de Bentinckstraat, ten westen van de Frederik Hendriklaan niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar. Bewoners van de Prins Mauritslaan zijn wel ontvankelijk verklaard in hun bezwaar. Vanuit die laan, die direct ter hoogte van het bouwplan uitkomt op de Eisenhowerlaan, bestaat zicht op de bouwlocatie. Dat geldt niet voor de Bentinckstraat. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat de door eisers gemaakte vergelijking met de aan de Bentinckstraat evenwijdig lopende Prins Mauritslaan daarom niet op gaat. Anders dan eisers stellen, bestaat vanuit de Bentinckstraat geen uitzicht op het bouwplan. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat datzelfde geldt voor de woning van eiser [C.] aan de Frankenslag. Gesteld noch gebleken is dat deze reclamanten anderszins ruimtelijke effecten van het bouwplan ondervinden.

De rechtbank volgt verweerder tevens in zijn stelling dat een toename van verkeersdruk ter plaatse van de even zijde Cornelis de Wittlaan als gevolg van de vestiging van Europol ter plaatse niet is te verwachten. De weg is geen doorgaande weg en is gelegen voorbij de uitvalswegen vanaf het plangebied. De bewoners van de even zijde van die laan ondervinden dus ook geen ruimtelijke effecten van het bouwplan en zijn daarom naar het oordeel van de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar. De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder, door bij de beoordeling van de vraag of eisers als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb moeten worden aangemerkt uit te gaan van de door hem gehanteerde begrenzing, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van eiser [C.] ongegrond is.

Eisers stellen dat verweerder heeft toegezegd de procedure tot vaststelling van het bestemmingsplan “Congresgebouw en omgeving” gelijktijdig met verlening van de bouwvergunning te doorlopen.

Verweerder stelt dat is niet toegezegd dat geen bouwvergunning voor Europol zal worden verleend voordat bestemmingsplan “Congresgebouw en omgeving” is vastgesteld, maar dat de bouwplanprocedure en de bestemmingsplanprocedure zoveel mogelijk gelijk op zullen lopen.

De rechtbank stelt vast dat, zoals hiervoor al is gebleken, verweerder de bouwvergunning heeft verleend en in bezwaar gehandhaafd vóór het bestemmingsplan “Congresgebouw en omgeving” door de raad van de gemeente Den Haag is vastgesteld. Het geldende ruimtelijke ordeningsrecht geeft verweerder de bevoegdheid bouwvergunning te verlenen vooruitlopend op het van kracht worden van een bestemmingsplan. Van een ondubbelzinnige toezegging geen gebruik te maken van die bevoegdheid is de rechtbank niet gebleken. Daarbij merkt de rechtbank bovendien op dat indien een dergelijke toezegging al zou zijn gedaan, die geen afbreuk zou kunnen doen aan de aanspraak van de aanvrager van de vergunning op een beslissing daarop. Daarnaast is niet gebleken dat eisers door het niet gelijk lopen van de bouwvergunningprocedure en de bestemmingsplanprocedure op enigerlei wijze in hun belangen zijn geschaad, nu zij hun bezwaren tegen het bouwplan in alle fasen van de bouwvergunningprocedure naar voren hebben kunnen brengen.

Eisers stellen dat de bouwvergunning onzorgvuldig is voorbereid omdat verweerder te beperkt zienswijzen zou hebben gevraagd en de gevraagde zienswijzen te beperkt zou hebben beoordeeld. Ten behoeve van de verlening van de bouwvergunning heeft verweerder, onder meer, ontheffing verleend van de ingevolge artikel 2.5.28, eerste lid, van de Bouwverordening geldende maximale bouwhoogte. Ingevolge het tweede lid van het artikel moeten eigenaren en gebruikers van percelen, gelegen binnen een afstand van 35 meter uit het te bouwen bouwwerk, zoveel mogelijk in de gelegenheid worden gesteld hun mening aan burgemeester en wethouders kenbaar te maken. Verweerder heeft dat bij brief van 16 november 2006 gedaan. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat daarmee van strijd met artikel 4:8 van de Awb bij de voorbereiding van het besluit tot verlening van bouwvergunning geen sprake is geweest, waarbij zij overweegt dat uit die bepaling geen verdergaande verplichtingen voortvloeien dan uit de bepalingen van de Wow en de Bouwverordening omtrent het indienen van zienswijzen. Aan die bepalingen is, naar eisers niet betwisten, voldaan. Verweerder heeft er voorts terecht op gewezen dat alle belanghebbenden bij herhaling in de gelegenheid zijn geweest hun standpunt met betrekking tot het bouwplan naar voren te brengen, zowel voor als na de vergunningverlening. De rechtbank constateert dat ruimschoots gebruik is gemaakt van deze mogelijkheden.

Eisers stellen dat verweerder de raad van de gemeente Den Haag, alsmede belanghebbenden niet heeft geïnformeerd over het tijdens de procedure veranderde bouw- en bestemmingsplan, waarbij de bouwhoogte en bouwmassa in de loop van de procedure zijn vergroot.

Verweerder stelt dat de aanvraag om bouwvergunning en de daarbij behorende tekeningen op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt. Belanghebbenden zijn geïnformeerd over belangrijke beslismomenten. Zij zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze kenbaar te maken ten aanzien van genoemde ontheffing, en om bezwaar te maken tegen de verleende vergunning. De stelling van eisers dat de raad en de belanghebbenden niet juist zijn geïnformeerd over het feit dat het bouwplan veel groter is dan geschetst in het stedenbouwkundig plan van 2003 is onjuist. Het bouwwerk is niet veel groter dan het bouwwerk dat in de “Ontwikkelingsvisie World Forum Den Haag” van maart 2003 is opgenomen. Het bouwplan is kleiner dan het bouwvolume dat op grond van de tekening die bij de Ontwikkelingsvisie behoort, is toegestaan. Slechts op een punt is sprake van een aanvaardbare geringe overschrijding van de maximale bouwhoogte. Het bouwplan past volledig binnen het bestemmingsplan “Congresgebouw en omgeving”. Ook in het voorontwerpbestemmingsplan was al een plint opgenomen van 15 meter hoog.

De rechtbank volgt verweerder in het vorenstaande. Het is de rechtbank niet gebleken dat belanghebbenden door verweerder op enig moment onjuist zijn geïnformeerd over het bouwplan. Het door eisers gestelde niet-informeren van de raad door verweerder staat voorts in deze procedure, die zich richt tegen een besluit van verweerder, niet ter beoordeling. Bovendien ontgaat het de rechtbank tot welke rechtsgevolg deze stelling zou moeten leiden.

Inhoudelijke beroepsgronden

Zoals hiervoor is aangegeven is het bouwplan in strijd met diverse bepalingen van de Bouwverordening en heeft verweerder om bouwvergunning te kunnen verlenen ontheffing van deze bepalingen verleend.

De rechtbank dient in het licht van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of verweerder deze ontheffingen in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Gelet op de inhoud van de beroepsgronden, die zich niet richten tegen de afzonderlijke ontheffingen, maar tegen het bouwplan als geheel, zal de rechtbank deze ontheffingen niet afzonderlijk, maar als geheel bespreken. Dit met uitzondering van de ontheffing die krachtens artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening is verleend ten behoeve van de realisering van parkeerplaatsen.

Stedenbouwkundige en welstandsaspecten

Eisers voeren aan dat het bouwplan door zijn massaliteit en hoogte een ontoelaatbare aantasting vormt van het aangrenzende beschermd stadsgezicht. De hoogbouw introduceert een geheel nieuwe schaal die het stadsgezicht ingrijpend wijzigt. Ook wordt de voor het Euroforumgebied beoogde ensemblewaarde met dit bouwplan niet bereikt. Verder zou het gebouw moeten ‘meebewegen’ met de bocht in de Eisenhowerlaan. Het door eisers ingebrachte advies van zes deskundigen op het gebied van stedenbouw en architectuur is door verweerder ten onrechte niet aangemerkt als een deskundig tegenadvies. Voorts heeft de welstandscommissie geen kennis willen nemen van de bezwaren van eisers tegen de bouwmassa en bouwhoogte, aldus eisers.

Het aangrenzende beschermd stadsgezicht is het Statenkwartier, dat op 26 juli 1996 door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen krachtens de Monumentenwet 1988 is aangewezen als beschermd stadsgezicht. Het bouwplan ligt net buiten de grens van het beschermd stadsgezicht, die aan de overkant van de Eisenhowerlaan is getrokken. De rechtbank stelt voorop dat blijkens de uitspraken van de ABRS van 16 juli 2003 (LJN: AH9851) en 3 december 2003 (LJN: AN9209) de reikwijdte van een aanwijzing tot beschermd stadsgezicht niet zover gaat dat de daarbij behorende beschermende voorschriften van toepassing zijn op hetgeen niet in de aanwijzing is begrepen. Daarentegen moet ervan worden uitgegaan dat de begrenzing van het beschermde stadsgezicht zodanig is gekozen als nodig voor de handhaving van het te beschermen stadsbeeld, ook van buitenaf. De gevolgen van daarbuiten vallende bebouwing voor het beschermde stadsgezicht kunnen slechts tezamen met alle andere belangen in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden betrokken. Verweerder heeft in het bestreden besluit, onder verwijzing naar paragraaf 4.2 van het verweerschrift van 8 mei 2007 dat in het kader van de bezwaarprocedure is uitgebracht, gemotiveerd waarom het bouwplan niet leidt tot een aantasting van het beschermd stadsgezicht. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat in de toelichting op het aanwijzingsbesluit uit 1996 is aangegeven dat het Congresgebouwgebied een ruimtelijke en visuele barrière vormt tussen het Statenkwartier en de omliggende wijken en dat de schaalvergroting die na de Tweede Wereldoorlog heeft plaatsgevonden in dit gebied van grote invloed is geweest op de rand van het Statenkwartier, met name op de Eisenhowerlaan. Verweerder heeft voorts laten meewegen dat de Welstands- en monumentencommissie het bouwplan heeft goedgekeurd en daarbij zowel het bouwplan zelf als de effecten daarvan op de directe omgeving in ogenschouw heeft genomen. Ten slotte heeft verweerder in de besluitvorming betrokken dat de Directeur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben naar aanleiding van het voorontwerp van het bestemmingsplan “Congresgebouw en omgeving”, waarin het bouwplan is opgenomen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aldus voldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan geen onaanvaardbare aantasting van het beschermd stadsgezicht Statenkwartier vormt. Aan het namens eisers ingebrachte document Bouwplan Europol aan de Eisenhowerlaan, dat in maart 2007 is opgesteld door zes deskundigen op het gebied van stedenbouw en architectuur, heeft verweerder voorbij kunnen gaan. In de eerste plaats heeft het document meer het karakter van een oproep dan van een onafhankelijk stedenbouwkundig advies, nu ook in verband met veiligheidsredenen voor nieuwbouw voor Europol op een andere locatie wordt gepleit. Daarnaast miskent het document dat, zoals hiervoor overwogen, de gevolgen van een bouwplan dat buiten een beschermd stadsgezicht is gelegen, slechts tezamen met andere belangen in het kader van een goede ruimtelijke ordening kunnen worden betrokken. In het licht daarvan acht de rechtbank het document tegenover de motivering van verweerder en het positieve advies van de welstandscommissie onvoldoende overtuigend. De rechtbank kan het document dan ook niet aanmerken als een contra-expertise.

Met betrekking tot de beroepsgrond van eisers dat de welstandscommissie geen kennis heeft willen nemen van hun bezwaren tegen de massa en hoogte van het bouwplan overweegt de rechtbank het volgende. Eisers hebben betoogd dat zij op de vergadering van de welstandscommissie op 11 oktober 2006 niet in de gelegenheid zijn gesteld om deze bezwaren naar voren te brengen, omdat deze aspecten al in een eerdere vergadering van de welstandscommissie zouden zijn beoordeeld. De rechtbank stelt echter vast dat blijkens het verslag van deze vergadering de commissie kennis heeft genomen van een brief van eisers Stichting Wijkoverleg Statenkwartier en anderen van 4 oktober 2006, waarin onder meer bezwaren tegen de massaliteit en de hoogte van de bouwplan naar voren zijn gebracht. Reeds daarom kan niet worden volgehouden dat de welstandscommissie van deze bezwaren geen kennis heeft genomen. Daarnaast blijkt uit de verslagen van de diverse vergaderingen van de commissie (16 februari 2005, 16 maart 2005, 11 oktober 2006 en 6 december 2006) dat de commissie het bouwplan in zijn geheel heeft beoordeeld, ook in relatie tot de omgeving. Gelet ook op de kritische opmerkingen die de commissie over diverse aspecten van het bouwplan heeft gemaakt en de daaruit voortvloeiende aanpassingen, heeft de rechtbank geen enkele aanleiding tot twijfel over de zorgvuldigheid van het advies van de welstandscommissie.

Ten aanzien van de stelling van eisers dat het bouwplan zou moeten ‘meebewegen’ met de bocht in de Eisenhowerlaan en dat de beoogde ensemblewaarde in het Euroforumgebied door het bouwplan niet wordt bereikt, overweegt de rechtbank dat de welstandscommissie hierin geen aanleiding heeft gezien om negatief over het bouwplan te adviseren. Wel heeft de commissie aandacht gevraagd voor het hek aan de Eisenhowerlaan, hetgeen tot een aanpassing daarvan heeft geleid. Over de aansluiting op het Euroforumgebied heeft de commissie opgemerkt dat door het entreegebouw en een waterpartij aan deze zijde een goede integratie in de erfafscheiding is bereikt. Een en ander bevestigt dat de commissie ook aan de inpassing van het bouwplan in de Eisenhowerlaan en het Euroforumgebied de nodige aandacht heeft besteed. Gelet hierop heeft verweerder, in het licht ook van hetgeen hiervoor is overwogen, voorbij kunnen gaan aan de opmerkingen die over deze aspecten zijn gemaakt in het door eisers overgelegde document Bouwplan Europol aan de Eisenhowerlaan.

Ten aanzien van de stelling van eisers dat indien het gebouw zou ‘meebewegen’ met de bocht in de Eisenhowerlaan geen overschrijding van de voorgevelrooilijn nodig zou zijn, overweegt de rechtbank dat de vraag of een ander bouwplan gerealiseerd zou kunnen worden niet aan de orde is. Verweerder was gehouden te beslissen op de ingediende bouwaanvraag.

Met betrekking tot de stelling van eiseres Uranus dat het bouwplan de zichtlijnen op en vanuit het aangrenzende KPMG-gebouw aantast en daarmee de uitstraling van het gebouw, overweegt de rechtbank allereerst dat de welstandscommissie ook hierin geen aanleiding heeft gezien om de hoogte van het bouwplan, mede gelet op de effecten daarvan op de omgeving, in strijd met redelijke eisen van welstand te achten. Verweerder heeft er voorts met juistheid op gewezen dat de zichtlijnen op dit moment reeds onderbroken worden door de hoogbouw aan de Johan de Wittlaan. Verweerder heeft in dit aspect dan ook in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien om tot weigering van de aangevraagde bouwvergunning over te gaan. Evenmin heeft verweerder hierin reden hoeven te zien om aan te nemen dat de exploitatie van het KPMG-gebouw onaanvaardbaar zou worden beïnvloed door het bouwplan.

Veiligheidsaspecten

Eisers voeren aan dat de vestiging van Europol op deze locatie een ontoelaatbaar veiligheidsrisico vormt voor de omgeving vanwege het risico van terroristische aanslagen op het gebouw. Zij bestrijden dat de veiligheidsmaatregelen in en rond het gebouw uitsluitend worden getroffen ter bescherming van de gevoelige informatie die Europol onder zich heeft. Europol heeft een symboolfunctie voor terroristen, evenals bijvoorbeeld de Amerikaanse ambassade, en behoort daarom niet in een woonwijk gevestigd te worden. Er ontbreekt een goede veiligheidsanalyse. Ook vrezen eisers dat een veiligheidszone van 20 meter rond het gebouw gerealiseerd zal worden, waardoor de Eisenhowerlaan voor de helft zal moeten worden afgesloten.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de veiligheidsmaatregelen die rondom Europol worden genomen uitsluitend beogen de informatie die bij Europol berust te beschermen en niets van doen hebben met terroristische dreiging. Europol vormt geen ontoelaatbaar veiligheidsrisico, hetgeen ook blijkt uit het feit dat de organisatie al ruim tien jaar aan de Raamweg in Den Haag is gevestigd en zich in die periode slechts éénmaal een concrete dreiging heeft voorgedaan. Dit betrof een bombrief die in 2003 naar diverse internationale organisaties werd verzonden, waaronder Europol. Van enige schade of verwonding van personen is bij dit incident geen sprake geweest. Anders dan bijvoorbeeld de Amerikaanse ambassade heeft Europol geen symboolfunctie voor terroristen. De veiligheidsmaatregelen voor Europol zijn, met uitzondering van een rij paaltjes in het trottoir langs de Eisenhowerlaan en pollers bij de expeditie-ingang van het gebouw, opgenomen in het ontwerp waarvoor de bouwvergunning is verleend en vinden plaats binnen de erfgrens van het perceel. Het betreffen standaardmaatregelen die ook gezien worden bij andere gebouwen in het Congresgebouwgebied, zoals het Joegoslavië Tribunaal, en bij andere gebouwen in Den Haag, zoals ministeries, Paleis Noordeinde en ambassades. Een vergelijking met de Amerikaanse ambassade gaat mank, omdat deze een uitzonderlijke positie inneemt waar het gaat om aanslaggevoeligheid. De bouwvergunning voorziet niet in een veiligheidszone van 20 meter en het is verweerder niet bekend dat Europol een dergelijke zone voorstaat.

Het geschil tussen partijen over de veiligheidsaspecten van het bouwplan is in hoge mate ingegeven door een verschil van mening over de veiligheidsrisico’s die Europol loopt. In dit verband acht de rechtbank van belang dat in het kader van de verdeling van bestuurlijke verantwoordelijkheden krachtens de met Europol gesloten zetelovereenkomst, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCT) adviseert over het dreigingsbeeld ten aanzien van Europol (zie de brief van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie aan de Tweede Kamer van 7 juni 2007, kamerstukken 2006-2007, 30178, nr. 3). Blijkens de ruimtelijke onderbouwing bij het besluit van 5 februari 2007 (p. 7) zijn de veiligheidsmaatregelen bij het bouwplan mede gebaseerd op rapportages van de NCT. Dit heeft geleid tot aanvullende veiligheidsmaatregelen, die onder meer bestaan uit waterpartijen en een entreegebouw aan de Euroforumzijde. De rechtbank leidt hieruit af dat de NCT met inachtneming van deze veiligheidsmaatregelen geen overwegende bezwaren heeft tegen vestiging van Europol op deze locatie. Aan dit gegeven komt naar het oordeel van de rechtbank groot gewicht toe bij de beoordeling van de veiligheidsrisico’s die zijn verbonden aan de vestiging van Europol op deze locatie. Hoewel de rechtbank niet overtuigd is van de stelling van verweerder dat met de veiligheidsmaatregelen in het bouwplan uitsluitend de bescherming van informatie wordt beoogd, heeft verweerder in het licht van de advisering van de NCT naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat Europol geen onaanvaardbaar veiligheidsrisico vormt voor de omgeving. De rechtbank onderkent daarbij dat het risico van een terroristische aanslag uit de aard der zaak nooit geheel is uit te sluiten. Het standpunt van verweerder dat het veiligheidsrisico van Europol niet te vergelijken is met dat van de Amerikaanse ambassade en dat de te treffen veiligheidsmaatregelen vergelijkbaar zijn met de maatregelen die bij gebouwen als bijvoorbeeld het Joegoslavië Tribunaal worden getroffen, acht de rechtbank echter voldoende onderbouwd. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid de bouw van een kantoorgebouw voor Europol op deze locatie uit een oogpunt van veiligheid kunnen toestaan. Voorts moet er in het licht van de door de NCT geadviseerde veiligheidsmaatregelen vanuit worden gegaan dat de thans in het bouwplan opgenomen veiligheidsmaatregelen voldoende zijn. Verweerder heeft daarom bij de beoordeling van het bouwplan geen rekening hoeven te houden met verdergaande maatregelen, zoals een veiligheidszone van 20 meter aan de Eisenhowerlaan.

De vrees van eiseres Uranus dat de exploitatie van het naastgelegen KPMG-gebouw negatief zal worden beïnvloed door te nemen veiligheidsmaatregelen is volgens verweerder ongegrond. Alle veiligheidsmaatregelen vinden plaats binnen de erfgrens van Europol, met uitzondering van een rij paaltjes in het trottoir langs de Eisenhowerlaan en pollers bij de expeditie-ingang van Europol. Deze maatregelen zullen echter geen hinder opleveren voor het gebruik van het KPMG-gebouw. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van verweerder, in aanmerking nemend dat verweerder geen rekening hoefde te houden met verdergaande veiligheidsmaatregelen dan thans in het bouwplan zijn opgenomen.

Luchtkwaliteit

Eisers voeren aan dat het bouwplan door de verkeersaantrekkende werking zal leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor niet voldaan wordt aan het Besluit luchtkwaliteit 2005. Zij bestrijden de deugdelijkheid van het onderzoeksrapport van verweerder dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Volgens eisers is dit rapport gebaseerd op onjuiste aannames en invoergegevens, zoals te lage verkeersintensiteiten, onjuiste typeringen van wegvakken en het niet meenemen van diverse voorziene projecten die leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Van toepassing is het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005). Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolstofmonoxide en benzeen in acht.

Ingevolge artikel 7, derde lid, onder a, van het Blk 2005 kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft.

Ten behoeve van het besluit van 5 februari 2007 heeft de Dienst stadsbeheer van de gemeente Den Haag een onderzoek uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van januari 2007. In dit onderzoek is de luchtkwaliteit beoordeeld voor de situatie met de ontwikkeling van het Europolkantoor (hierna: planontwikkeling) en zonder deze ontwikkeling (hierna: autonome ontwikkeling). Berekend zijn concentraties van stikstofdioxide en PM10 in 2007, 2010 en 2015. Uit het rapport blijkt dat in 2007 bij twee wegvakken het aantal dagen dat de 24-uurgemiddelde concentratie PM10 hoger is dan 50µg/m3 (overschrijdingsdagen) meer is dan het toegestane aantal van 35. Bij deze wegvakken is het aantal overschrijdingsdagen zowel bij de autonome ontwikkeling als bij de planontwikkeling 39 dagen. Verder wordt in 2010 de grenswaarde voor stikstofdioxide (een jaargemiddelde concentratie van 40 µg/m3) bij 6 wegvakken overschreden. Op 5 van deze beoordelingsplaatsen is er als gevolg van de planontwikkeling sprake van een zeer lichte afname van de berekende concentratie. Op 1 beoordelingsplaats is sprake van een zeer lichte toename van de berekende concentratie (een jaargemiddelde van 40,88 µg/m3 met planontwikkeling tegenover een jaargemiddelde van 40,86 µg/m3 zonder planontwikkeling). In het rapport wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan het Blk 2005. Weliswaar worden de grenswaarden op plaatsen overschreden, maar de planontwikkeling leidt daar niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ten opzichte van de autonome ontwikkeling.

Eisers hebben het rapport van januari 2007 in de bezwaarfase bestreden met een memo van 6 april 2007 van ingenieursbedrijf Aveco de Bondt.

Verweerder heeft in het bestreden besluit gereageerd op de in de bezwaarfase door eisers geuite kritiek op het rapport van januari 2007. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat in dit rapport uitgebreid en gemotiveerd de rekenmethode en de uitgangspunten voor de berekeningen zijn beschreven. Met het memo van Aveco de Bondt is niet aangetoond dat de in het rapport gebruikte gegevens onjuist zouden zijn. Met de relevante toekomstige ontwikkelingen is rekening gehouden. Naar het oordeel van verweerder hoeft niet te worden getwijfeld aan de juistheid van de onderzoeksmethode en de gehanteerde uitgangspunten.

In zijn verweerschrift van 14 maart 2008 is verweerder ingegaan op de kritiekpunten die eisers in beroep tegen het rapport van januari 2007 hebben ingebracht.

Bij brief van 13 november 2008 hebben eisers een rapport van EW Milieu-advies van 9 november 2007 ingebracht, waarin het rapport van januari 2007 wordt bestreden.

Ter zitting heeft verweerder in zijn pleitnota gereageerd op het rapport van EW Milieu-advies. Voorts is door [J.], de opsteller van het rapport van EW Milieu-advies, een toelichting op dit rapport gegeven en zijn door hem en, namens verweerder, door [M.] en [N.] vragen van de rechtbank over de luchtproblematiek beantwoord.

De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het rapport van januari 2007 berust op onjuiste gegevens en uitgangspunten. In de memo van Aveco de Bondt is gewezen op onjuistheden in dit rapport ten aanzien van de wegtypering op sommige wegtracés en het gehanteerde percentage vrachtverkeer. Verweerder heeft in het bestreden besluit en in het verweerschrift gemotiveerd weerlegd dat hier sprake is van onjuistheden. Deze motivering acht de rechtbank overtuigend. In het rapport van EW Milieu-advies zijn de volgende kritiekpunten geformuleerd: er is in de berekeningen geen rekening gehouden met een aantal ontwikkelingen in het plangebied die kunnen leiden tot ruim 1000 extra motorvoertuigbewegingen per etmaal; van verschillende ontwikkelingen buiten het plangebied is niet aangegeven welke gevolgen deze hebben voor de toe- of afname van de verkeersintensiteit op de beschouwde wegen; ten onrechte is voor het verkeer van en naar de voormalige Statenhal afgegaan op cijfers van de exploitant; er is uitgegaan van een niet voor de hand liggende aanrijroute van vrachtverkeer naar de Statenhal en in de toekomst Europol; er zijn geen busbewegingen in berekening meegenomen; er is voor een aantal wegvakken van een onjuiste snelheidstypering uitgegaan. Verweerder heeft op al deze punten gereageerd. De weerlegging door verweerder van deze kritiekpunten acht de rechtbank overtuigend. Ditzelfde geldt voor de reactie in het verweerschrift op de overige door eisers in beroep ingebrachte kritiekpunten.

Gelet hierop is er geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de berekeningen in het rapport van januari 2007. De hieruit getrokken conclusie dat voldaan wordt aan het Blk 2005 acht de rechtbank juist. Daarbij merkt de rechtbank op dat aan een zeer geringe toename van de jaargemiddelde concentratie geen betekenis toekomt. De bijdrage van het bouwplan aan de jaargemiddelde concentratie NO2 bij één wegvak (0,02 µg/m3) is een zeer geringe toename (zie de uitspraak van de ABRS van 29 april 2008, LJN: BD0788). Er is derhalve voldaan artikel 7, derde lid, onder a, van het Blk 2005.

Verkeersaspecten

Eisers hebben aangevoerd dat door een toename van de verkeersbewegingen op de Johan de Wittlaan als gevolg van het bouwplan de toegang vanaf de Eisenhowerlaan tot de Johan de Wittlaan belemmerd zal worden, waardoor opstoppingen op de Eisenhowerlaan en lange files zullen ontstaan. Dit komt omdat volgens eisers het aantal verkeersbewegingen door Europol per saldo met 50% zal toenemen.

Verweerder heeft onder verwijzing naar het rapport Verkeersprognoses Planontwikkeling Europol THWF van januari 2007 betoogd dat het aantal verkeersbewegingen door auto’s ten gevolge van de vestiging van Europol slechts zeer gering zal stijgen. In dit rapport is berekend dat Europol op jaarbasis zal zorgen voor 112.240 auto’s op de Johan de Wittlaan (werknemers en bezoekers). In dit rapport is voorts berekend tot welke toename aan auto’s per etmaal dit op diverse wegvakken zal leiden. Uit deze berekeningen, opgenomen in de bijlagen bij het rapport, blijkt dat deze toename op de verschillende wegvakken van de Johan de Wittlaan beperkt blijft tot doorgaans minder dan 100 auto’s per dag, terwijl gemiddeld 15.000 tot 20.000 auto’s per dag van deze weg gebruik maken. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de bijdrage van Europol gering is, zodat de vrees voor verkeershinder en filevorming ongegrond is.

Eisers hebben voorts de vrees geuit dat door het plaatsen van anti-rampalen langs de Eisenhowerlaan de verkeersveiligheid voor fietsers in het gedrang komt. Verweerder heeft hier tegenover gesteld dat de bouwvergunning niet voorziet in het plaatsen van anti-rampalen en dat de wegindeling van de Eisenhowerlaan niet zal wijzigen door de komst van het Europolgebouw. De rechtbank heeft geen aanleiding hieraan te twijfelen.

Parkeren

Eisers vrezen dat de parkeerdruk in de wijk zal toenemen. In dit verband hebben zij aangevoerd dat het bouwplan te weinig eigen parkeerplaatsen heeft en dat verweerder het aantal benodigde parkeerplaatsen voor Europol onjuist heeft berekend.

In de ruimtelijke onderbouwing bij het besluit van 5 februari 2007 is vermeld dat de nieuwbouw van Europol uitgaat van 850 werkplekken. Voor de werknemers zijn, conform de gemeentelijke parkeernorm van 1 parkeerplaats per 2 werknemers, 425 parkeerplaatsen nodig en voor bezoekers, waarvoor een norm geldt van 1 parkeerplaats per 20 werknemers, 43 parkeerplaatsen; in totaal 468 parkeerplaatsen. De nieuwe parkeergarage tussen het World Forum Convention Center en het Europolgebouw heeft 590 parkeerplaatsen. In de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat in de avond en weekenden 40 parkeerplaatsen in de garage voor Europol gereserveerd blijven; de overige plaatsen zijn dan beschikbaar voor andere gebruikers. Daarmee wordt volgens verweerder afdoende voorzien in de nodige parkeerruimte voor Europol.

Nu deze parkeergarage niet is gelegen op het eigen terrein van het Europolgebouw heeft verweerder ontheffing verleend krachtens artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening van de in artikel 2.5.30, eerste lid, neergelegde eis dat voor het parkeren ruimte is aangebracht in, op of onder het gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend en verweerder vragen gesteld over de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen en de daarbij gehanteerde normen. Verweerder heeft deze vragen bij brief van 8 januari 2009 beantwoord. Hierop is gereageerd door eisers Stichting Wijkoverleg Statenkwartier en anderen, Uranus en [B.].

Verweerder heeft in zijn brief van 8 januari 2009 uiteengezet dat op grond van het gemeentelijk parkeerbeleid voor het bepalen van de parkeerbehoefte voor de functie “werken” primair wordt uitgegaan van het aantal potentiële gebruikers van het op te richten bouwwerk. Wanneer het aantal potentiële werknemers van een kantoor bekend is, geldt op grond van het beleid een parkeernorm die is gerelateerd aan het aantal werknemers en afhankelijk is van het gebied waarin het gebouw gerealiseerd wordt. Voor het Europolgebouw is deze norm 1 parkeerplaats per 2 werknemers. Het aantal parkeerplaatsen dat nodig is voor bezoekers wordt eveneens primair gebaseerd op het aantal potentiële gebruikers van een kantoor en is ook afhankelijk van het gebied waarin het gebouw gerealiseerd wordt. Voor bouwplannen in het “overig gebied”, zoals het Europolgebouw, geldt een parkeernorm van 1 parkeerplaats per 20 werknemers. Indien het aantal potentiële werknemers niet vooraf bekend is, bijvoorbeeld bij bedrijfspanden die in opdracht van projectontwikkelaars worden gebouwd, wordt de parkeerbehoefte bepaald aan de hand van het bruto vloeroppervlak. Voor het Europolkantoor is het aantal potentiële werknemers echter bekend, zodat uitgegaan is van voormelde parkeernormen die relateren aan het aantal werknemers.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, aldus toegelicht, de parkeerbehoefte in redelijkheid kunnen baseren op het aantal potentiële werknemers in het Europolkantoor en behoefde deze niet berekend te worden aan de hand van het bruto vloeroppervlak van het gebouw. De stelling van eisers dat uitgegaan moet worden van het bruto vloeroppervlak, omdat het gebouw niet exclusief voor Europol wordt gebouwd, volgt de rechtbank niet. Het bouwplan is geïnitieerd met het oog op de vestiging van Europol en is in opzet en vormgeving, waaronder de diverse veiligheidsmaatregelen, gericht op gebruik door Europol. Er mag dan ook vanuit worden gegaan dat Europol niet binnen afzienbare tijd weer uit het gebouw zal vertrekken. Daarbij betrekt de rechtbank dat Europol juist in Den Haag is gevestigd vanwege het karakter van deze stad als internationale stad voor justitiële instellingen, zodat het ook niet in de rede ligt te verwachten dat Europol op afzienbare termijn elders zal worden gevestigd.

Verweerder heeft de berekening voorts kunnen baseren op een aantal van 850 potentiële werknemers. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de directeur van Europol in een brief van 19 september 2008 aan de Raad van State heeft aangegeven dat in september 2008 454 stafleden voor Europol werkten en dat op grond van de huidige prognose een groei tot 850 stafleden in 2020 is voorzien.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de parkeerbehoefte kunnen berekenen op 468 parkeerplaatsen. Verweerder heeft in zijn brief van 8 januari 2009 aangegeven dat in de parkeergarage onder het World Forum 485 parkeerplaatsen ter beschikking staan van Europol. De rechtbank heeft geen aanleiding hieraan te twijfelen. Hetgeen eisers Stichting Wijkoverleg Statenkwartier en anderen hierover in hun brief van 6 februari 2009 hebben aangevoerd is daarvoor onvoldoende.

Gelet hierop heeft verweerder de ontheffing krachtens artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening in redelijkheid kunnen verlenen.

Privaatrechtelijke aspecten

Het bouwplan is voor een deel geprojecteerd op grond die in eigendom is van eiseres Uranus. Het betreft een gedeelte van de glazen omheining en een beperkt deel van de fietsenstalling.

Eiseres Uranus stelt zich op het standpunt dat het betreffende deel van het bouwplan, vanwege het ontbreken van toestemming om op haar grond te bouwen, onuitvoerbaar is.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de ABRS (bijvoorbeeld de uitspraak van 11 maart 2009, LJN: BH5485) voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van ontheffing in de weg staat slechts aanleiding is, wanneer zo'n belemmering een evident karakter heeft, nu de burgerlijke rechter de eerst aangewezene is om die vraag te beantwoorden. In deze procedure is aan de orde of het oprichten van een gedeelte van de glazen omheining en een beperkt deel van het fietsenhok op het terrein van eiseres Uranus, een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter vormt die aanleiding zou hebben behoren te geven tot het weigeren van de ontheffingen.

De rechtbank is van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter aan de verlening van ontheffingen voor het bouwplan in de weg staat. Ter zitting is gebleken dat eiseres Uranus en vergunninghouder met elkaar in onderhandeling zijn over aankoop van het betreffende stuk grond door vergunninghouder, teneinde het gehele bouwplan op zijn eigen terrein te kunnen verwezenlijken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op het vorenstaande, in redelijkheid ontheffingen voor het bouwplan heeft kunnen verlenen.

Slotsom

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat verweerder de voor het bouwplan benodigde ontheffingen krachtens de Bouwverordening in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Nu het bouwplan voorts voldoet aan redelijke eisen van welstand en evenmin andere in artikel 44 van de Wow genoemde weigeringsgronden aanwezig zijn, heeft verweerder terecht bouwvergunning verleend.

De beroepen zijn ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III BESLISSING

De rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Dijt, mr. J.L. Verbeek en mr. S. Verheijen, en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2009, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.F. van Aalst.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.