Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI4919

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-04-2009
Datum publicatie
27-05-2009
Zaaknummer
AWB 08/28141
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel / taalanalyse / contra-expertise in beroep

Niet kan worden gezegd dat het als gevolg van niet aan eiser toe te rekenen omstandigheden niet mogelijk is geweest het rapport contra-expertise in het kader van de besluitvorming over te leggen. Uit de gedingstukken blijkt niet dat eiser direct na de ontvangst van het door de Taalstudio gemaakte Plan van Aanpak op 25 oktober 2007 zonder enig voorbehoud opdracht heeft gegeven tot het uitvoeren van fase 2 van de contra-expertise. Eerst op 25 april 2008 heeft eiser aan de Taalstudio de opdracht heeft gegeven tot het uitvoeren van fase 2 van de contra-expertise, terwijl de Taalstudio eiser reeds bij brief van 19 september 2007 heeft medegedeeld dat aan de hand van het Plan van Aanpak de opdracht voor fase 2 kan worden verstrekt. Niet valt dan ook in te zien dat eiser een dergelijke opdracht niet direct na de ontvangst van het Plan van Aanpak op 25 oktober 2007 aan de Taalstudio heeft gegeven, maar hiermee heeft gewacht tot 25 april 2008, derhalve zes maanden later. Dat de Taalstudio bij het Plan van Aanpak van 25 oktober 2007 heeft aangegeven vooralsnog niet te beschikken over een expert op het gebied van het Sorani-Koerdisch en daarom vooralsnog geen contra-expertise over het Sorani-Koerdisch te kunnen aanbieden, rechtvaardigt niet dat eiser tot 25 april 2008 heeft gewacht met het geven van de opdracht voor het uitvoeren van fase 2 van de taalanalyse. Van eiser mocht, ondanks het tijdelijk niet beschikbaar zijn van een expert op het Sorani-Koerdisch, worden verwacht dat hij onmiddellijk na het ontvangen van het Plan van Aanpak op 25 oktober 2007, maar in ieder geval ruimschoots eerder dan 25 april 2008, was overgegaan tot het geven van de opdracht tot het uitvoeren van fase 2 van de contra-expertise door de Taalstudio. Bovendien kan uit de gedingstukken op geen enkele manier worden afgeleid dat eiser zich tussen 25 oktober 2007 en 25 april 2008 heeft gewend tot de Taalstudio, teneinde zich te laten informeren over de stand van zaken voor wat betreft de beschikbaarheid van een expert op het gebied van het Sorani-Koerdisch. Eiser heeft zich op dit punt volledig afhankelijk gesteld van de door de Taalstudio op 25 oktober 2007 gegeven informatie dat eiser zal worden bericht zodra er een expert op het gebied van het Sorani-Koerdisch beschikbaar is. Dit verdraagt zich niet met de eigen verantwoordelijkheid van eiser om zo spoedig als mogelijk alsnog een contra-expertise te verkrijgen, zodat deze in het kader van de besluitvormingsfase kan worden overgelegd. Eiser heeft ook anderszins niet aangetoond dat hij tussen 25 oktober 2007 en 25 april 2008 op enigerlei wijze activiteiten heeft verricht met het oog op het zo spoedig mogelijk alsnog verkrijgen van een contra-expertise, al dan niet via de Taalstudio. Eisers gemachtigde heeft weliswaar aangegeven dat hij – nadat hem was gebleken dat de Taalstudio niet beschikte over een expert op het gebied van het Sorani-Koerdisch – bij enkele tolken navraag heeft gedaan of zij deskundigen kenden die op het gebied van het Sorani-Koerdisch iets zouden kunnen betekenen (hetgeen niet het geval was), alsmede dat hij heeft begrepen dat andere taalanalysebureaus ook problemen hebben met het vinden van een expert op het gebied van het Sorani-Koerdisch, maar verweerder is niet op de hoogte gebracht van de door eisers gemachtigde gedane navraag, terwijl hiervan evenmin iets op schrift is gesteld. Deze verklaring van eisers gemachtigde kan dan ook niet leiden tot een ander oordeel. Ten slotte valt niet in te zien waarom eiser verweerder eerst op 7 april 2008 op de hoogte heeft gesteld van het door de Taalstudio gemaakte Plan van Aanpak, dat door hem reeds op 25 oktober 2007 was ontvangen. Het in beroep overgelegde rapport contra-expertise kan derhalve niet bij de beoordeling in rechte worden betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/28141

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2009

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

nationaliteit Iraakse,

verblijvende te Middelburg,

eiser,

gemachtigde mr. P.J.J.A. Hendriks,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. drs. M. van der Lubbe.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen. Tevens heeft verweerder ambtshalve besloten om eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, onder de beperking “alleenstaande minderjarige vreemdeling” (amv).

Eiser heeft op 5 augustus 2008 tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 15 januari 2009, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder de gelegenheid te geven te reageren op de namens eiser bij brieven van 8 september 2008 en

22 december 2008 ingebrachte stukken.

Bij brief van 22 januari 2009 heeft verweerder zijn reactie toegezonden aan de rechtbank. Bij brief van 12 februari 2009 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank een reactie hierop doen toekomen.

De behandeling van het beroep is voortgezet ter zitting van 5 maart 2009, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het besluit van 11 juli 2008 in rechte stand kan houden.

2. Ter onderbouwing van zijn aanvraag en beroep heeft eiser - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Eiser is afkomstig uit Kirkuk, gelegen in Centraal-Irak. Op 19 december 2006 werd hij benaderd door terroristen om een autobom te plaatsen. Als hij dit deed zou hij 10.000 $ krijgen. Zou hij dit niet doen, dan zou men hem wat aan doen. Eiser zegde zijn medewerking toe, vertelde alles aan zijn vader en verliet vervolgens zijn land op 20 december 2006.

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning vormen. Die afwijzing is gebaseerd op het bepaalde in het eerste lid in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van artikel 31 van de Vw 2000. Verweerder acht het niet geloofwaardig dat eiser afkomstig is uit Kirkuk, gelegen in Centraal-Irak, en heeft derhalve afgezien van een inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas van eiser. Verweerder doet zijn standpunt mede steunen op een taalanalyse, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van 14 juni 2007. De conclusie van de taalanalist van het Bureau Land en Taal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (BLT) luidt dat eiser eenduidig niet uit Kirkuk afkomstig is. Eiser komt naar de mening van verweerder evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling”, aangezien hij onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel de juiste gegevens heeft verzwegen, teneinde te bewerkstelligen dat hij in een gunstiger positie zou komen te verkeren dan waarin hij zonder deze onjuiste gegevens zou verkeren.

4. Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij niet uit Kirkuk komt. Er zijn getuigen die bevestigen dat eiser wel uit Kirkuk komt. Voorts wijst eiser er op dat in Kirkuk een tegenstelling bestaat tussen de verschillende bevolkingsgroepen en dat men niet met elkaar omgaat. Men leert ook niet de taal van de ander. In het verleden waren de tegenstellingen minder groot en werd op school ook in het Arabisch onderwijs gegeven. In de tijd dat eiser is opgegroeid was dat anders. Eiser heeft niet op school gezeten en weinig omgang met Arabieren of Turkmenen gehad. Voor zijn familie waren die groepen tegenstanders. Het waren oorlogsomstandigheden die voortduurden na de eerste Golfoorlog. Voorts is betoogd dat verweerder ten onrechte de ontvangst van de contra-expertise niet heeft afgewacht. In de situatie van onoverkomelijke capaciteitsproblemen aan de zijde van de rechtshulpverleners, is het niet redelijk om de uitkomst daarvan niet meer af te wachten. Dit geldt in deze zaak temeer omdat op voorhand door de Taalstudio is aangegeven dat er geen wetenschappelijke basis is om aan de hand van dialecten zoals het Kerkuki of het Suleimanya een herkomst te bepalen. Het bestreden besluit is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en berust op gronden die de afwijzing van de aanvraag niet kunnen dragen. Eiser stelt zich ten slotte op het standpunt dat ten onrechte een groot gewicht wordt toegekend aan het onderscheid tussen Noord- en Centraal- tegenover Zuid-Irak. Eiser meent dat ten onrechte geen aanvullend beleid wordt gevoerd voor heel Irak. In heel Irak moet volgens eiser gesproken worden van een binnenlands gewapend conflict zoals bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn EG nr. 2004/83. In dit verband heeft eiser een tweetal documenten overgelegd van de UNHCR van 5 augustus 2008 en

19 augustus 2008, alsmede een brief van Amnesty International van 6 oktober 2008 en een uitspraak van de rechtbank Zwolle van 22 oktober 2008 (AWB 08/34226).

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Het is vaste jurisprudentie dat de vaststelling of en in hoeverre bij de beoordeling van de asielaanvraag wordt uitgegaan van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder behoort en dat die vaststelling door de rechter slechts terughoudend kan worden getoetst. Bij die vaststelling kan verweerder zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de oprechtheid van een vreemdeling en de geloofwaardigheid van het asielrelaas op voorhand zijn aangetast indien een vreemdeling niet aannemelijk kan maken dat het ontbreken van reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, niet aan hem is toe te rekenen. Het toerekenbaar ontbreken van deze documenten zal echter steeds door verweerder in de context van het totale feitencomplex moeten worden bezien.

7. Ingevolge paragraaf C4/3.6.3 (voorheen C1/5.8.3) van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is, indien wordt vastgesteld dat ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas documenten ontbreken en dat dit is toe te rekenen aan de asielzoeker, dit reeds voldoende voor de algemene conclusie dat sprake is van het ‘toerekenbaar ontbreken van documenten’.

8. De rechtbank stelt in dit verband vast dat verweerder zich in het (voornemen tot het) bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit. Nu eiser dit standpunt van verweerder niet heeft betwist, dient van de juistheid van dit standpunt te worden uitgegaan.

9. Nu verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van identiteits- en nationaliteitsdocumenten hem niet kan worden toegerekend, is reeds hierom op voorhand twijfel ontstaan aan de oprechtheid van eiser en is afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

10. Indien, zoals in casu het geval is, sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder f, van de Vw 2000, geldt volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dat in het asielrelaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan om geloofwaardig geacht te kunnen worden.

11. Volgens verweerder is van een positieve overtuigingskracht geen sprake, zodat het asielrelaas niet geloofwaardig is. Blijkens de besluitvorming ligt daaraan het volgende ten grondslag.

Omdat eiser geen documenten heeft overgelegd ter staving van zijn identiteit en nationaliteit en eiser er niet in is geslaagd om dit op andere wijze aannemelijk te maken, is bij verweerder twijfel ontstaan aan de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en de verklaringen van eiser daaromtrent. Door een taalanalyse te laten uitvoeren komt verweerder eiser tegemoet in de voldoening aan de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 op hem rustende last om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken. Op 4 mei 2007 is eiser gehoord ten behoeve van het verrichten van een taalanalyse. Op basis van dit gehoor, waarvan een opname is gemaakt, is door BLT een taalanalyse verricht. In het rapport taalanalyse van 14 juni 2007 is geconcludeerd dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot Kirkuk. Gelet hierop wordt het door verweerder niet geloofwaardig geacht dat eiser afkomstig is uit Kirkuk. Om deze reden wordt evenmin geloof gehecht aan eisers asielrelaas, zodat verweerder heeft afgezien van een inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas van eiser.

In reactie op de zienswijze heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat na het voornemen van 5 juli 2007 aan eiser uitstel is verleend voor het indienen van een zienswijze tot 9 april 2008. Eiser heeft vervolgens opnieuw verzocht om uitstel te verlenen voor het indienen van een aanvullende zienswijze in verband met het maken van een contra-expertise. Dit verzoek is echter afgewezen omdat er geen einddatum wordt genoemd waarop de contra-expertise klaar is en omdat er, gelet op capaciteitsproblemen bij de Taalstudio vanwege het ontbreken van een Sorani-tolk, geen aanduiding voor de termijn kon worden gegeven wanneer de contra-expertise af zou zijn. Gelet hierop valt volgens verweerder niet in te zien dat het uitvoeren van de contra-expertise binnen een redelijke termijn zou worden uitgevoerd. In de zienswijze plaatst eiser enkele kritische kanttekeningen bij het rapport taalanalyse. Deze worden namens de Taalstudio gegeven door drs. A.M. de Graaf in een brief van 25 oktober 2007. Verweerder heeft in dit verband gewezen op het weerwoord van BLT van 3 juni 2008 op de door de Taalstudio geplaatste kanttekeningen bij het rapport taalanalyse. In dit weerwoord is opgenomen dat en waarom BLT geen aanleiding ziet om het eerder gegeven oordeel te herzien. Ten slotte heeft verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd aangegeven dat en waarom geen aanleiding bestaat om voor Noord-Irak een categoriaal beschermingsbeleid te voeren.

12. In de beroepsfase is door eiser alsnog een contra-expertise overgelegd, gedateerd op 4 februari 2009, in welk verband in de eerste plaats dient te worden beoordeeld of deze bij het beroep kan worden betrokken. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

13. Vaste jurisprudentie van de Afdeling is dat uit artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 volgt dat een rapport houdende een contra-expertise in beginsel in het kader van de besluitvormingsfase dient te worden overgelegd. Slechts indien dit niet mogelijk is geweest als gevolg van niet aan de vreemdeling toe te rekenen omstandigheden, kan het in rechte bij de beoordeling worden betrokken.

14. In het onderhavige geval is in het kader van eisers aanvraag op 14 juni 2007 een taalanalyse verricht door BLT. Verweerder heeft vervolgens, onder bijvoeging van het rapport taalanalyse, op 5 juli 2007 een voornemen tot afwijzing van de aanvraag uitgebracht en eiser in de gelegenheid gesteld binnen veertien dagen aan te geven of een contra-expertise zal worden uitgevoerd. Aangegeven is dat indien binnen twee weken schriftelijk is aangetoond dat een contra-expertise zal worden uitgevoerd de termijn voor het indienen van een zienswijze met twee weken wordt verlengd.

Bij brief van 19 juli 2007 is namens eiser bericht dat eiser voornemens is een contra-expertise uit te laten voeren, maar dat bij die expertise een onderscheid wordt gemaakt naar regio’s in Koerdisch en dat in verband daarmee geruime tijd kan verstrijken alvorens een geschikte deskundige kan worden gevonden. Bij (nadien ingetrokken) besluit van 17 augustus 2007 is eisers aanvraag afgewezen.

De Taalstudio heeft bij brief van 19 september 2007 aan eiser bericht dat zijn verzoek tot contra-expertise in behandeling is genomen en dat het Plan van Aanpak (fase 1 van de contra-expertise) rond 25 oktober 2007 kan worden verwacht alsmede dat aan de hand van het Plan van Aanpak een opdracht voor fase 2 van de contra-expertise kan worden gegeven. Daarbij is aangegeven dat eiser eerst na ontvangst van de opdracht verder zal worden geïnformeerd over de termijn waarop wordt verwacht dat een rapport wordt uitgebracht.

Na intrekking van zijn besluit van 17 augustus 2007, heeft verweerder op 9 januari 2008 aan eiser uitstel verleend tot 9 april 2008 voor het indienen van een zienswijze op het voornemen van 5 juli 2007.

Bij brief van 7 april 2008 heeft eiser het door de Taalstudio gemaakte Plan van Aanpak – dat eiser op 25 oktober 2007 van de Taalstudio heeft ontvangen – aan verweerder gezonden. Daarbij heeft eiser aangegeven dat de Taalstudio niet beschikt over een expert die verschillende Koerdische dialecten als linguïst of taalwetenschappelijk deskundige zodanig beheerst dat hij een wetenschappelijk verantwoord oordeel over deze zaak uit kan spreken, alsmede dat eiser onvoldoende Arabisch verstaat en spreekt om een gesprek te kunnen voeren. Daardoor is een contra-expertise in het Arabisch of een andere Koerdische taal niet zinvol, aldus eiser. Voorts heeft eiser bij deze brief aangegeven dat hij geen andere deskundige heeft kunnen vinden die het Kirkuki zodanig beheerst dat hij of zij daarover een gefundeerd deskundigenoordeel uit zou kunnen brengen.

Bij brief van 25 april 2008 heeft eiser aan de Taalstudio bericht dat hij een contra-expertise tweede fase nog steeds op prijs stelt indien dat voor de Taalstudio thans wel mogelijk zou zijn, alsmede dat hij – voor zover vereist – de opdracht voor die tweede fase verleent. Eiser heeft op diezelfde datum een afschrift van de brief aan verweerder gezonden.

Op 5 mei 2008 heeft de Taalstudio bericht de aanvraag in behandeling te nemen, deze op een wachtlijst te hebben geplaatst en nog geen leveringsdatum te kunnen geven voor het rapport. Eiser heeft in verband hiermee op 7 mei 2008 aan verweerder verzocht uitstel te verlenen voor de zienswijze tot na ontvangst van de contra-expertise.

Bij brief van 11 juni 2008 heeft verweerder dit verzoek afgewezen aangezien eiser geen expliciete einddatum heeft genoemd, en deze evenmin op korte termijn kan worden verwacht wegens de capaciteitsproblemen bij de Taalstudio. Ook is overwogen dat reeds eerder uitstel is verleend voor de zienswijze tot 9 april 2008. Verweerder is op 11 juli 2008 overgegaan tot besluitvorming, waarna op 5 augustus 2008 beroep is ingesteld.

Bij brief van 18 november 2008 heeft de Taalstudio bericht dat fase 2 van de contra-expertise kan wordt gestart.

15. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat het als gevolg van niet aan eiser toe te rekenen omstandigheden niet mogelijk is geweest het rapport contra-expertise in het kader van de besluitvorming over te leggen. Daartoe wordt in de eerste plaats overwogen dat uit de gedingstukken niet blijkt dat eiser direct na de ontvangst van het door de Taalstudio gemaakte Plan van Aanpak op 25 oktober 2007 zonder enig voorbehoud opdracht heeft gegeven tot het uitvoeren van fase 2 van de contra-expertise. Op grond van de gedingstukken moet er van worden uitgegaan dat eiser eerst op 25 april 2008 aan de Taalstudio de opdracht heeft gegeven tot het uitvoeren van fase 2 van de contra-expertise, terwijl de Taalstudio eiser reeds bij brief van 19 september 2007 heeft medegedeeld dat aan de hand van het Plan van Aanpak de opdracht voor fase 2 kan worden verstrekt. Niet valt dan ook in te zien dat eiser een dergelijke opdracht niet direct na de ontvangst van het Plan van Aanpak op 25 oktober 2007 aan de Taalstudio heeft gegeven, maar hiermee heeft gewacht tot 25 april 2008, derhalve zes maanden later. De omstandigheid dat de Taalstudio bij het Plan van Aanpak van 25 oktober 2007 heeft aangegeven vooralsnog niet te beschikken over een expert op het gebied van het Sorani-Koerdisch en daarom vooralsnog geen contra-expertise over het Sorani-Koerdisch te kunnen aanbieden, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser tot 25 april 2008 heeft gewacht met het geven van de opdracht voor het uitvoeren van fase 2 van de taalanalyse. Naar het oordeel van de rechtbank mocht van eiser, ondanks het tijdelijk niet beschikbaar zijn van een expert op het Sorani-Koerdisch, worden verwacht dat hij onmiddellijk na het ontvangen van het Plan van Aanpak op 25 oktober 2007, maar in ieder geval ruimschoots eerder dan 25 april 2008, was overgegaan tot het geven van de opdracht tot het uitvoeren van fase 2 van de contra-expertise door de Taalstudio. Bovendien acht de rechtbank in dit verband van belang dat uit de gedingstukken op geen enkele manier kan worden afgeleid dat eiser zich tussen 25 oktober 2007 en 25 april 2008 heeft gewend tot de Taalstudio, teneinde zich te laten informeren over de stand van zaken voor wat betreft de beschikbaarheid van een expert op het gebied van het Sorani-Koerdisch. Eiser heeft zich op dit punt volledig afhankelijk gesteld van de door de Taalstudio op 25 oktober 2007 gegeven informatie dat eiser zal worden bericht zodra er een expert op het gebied van het Sorani-Koerdisch beschikbaar is. Dit verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met de eigen verantwoordelijkheid van eiser om zo spoedig als mogelijk alsnog een contra-expertise te verkrijgen, zodat deze in het kader van de besluitvormingsfase kan worden overgelegd. Eiser heeft ook anderszins niet aangetoond dat hij tussen 25 oktober 2007 en 25 april 2008 op enigerlei wijze activiteiten heeft verricht met het oog op het zo spoedig mogelijk alsnog verkrijgen van een contra-expertise, al dan niet via de Taalstudio. Eisers gemachtigde heeft desgevraagd ter zitting weliswaar aangegeven dat hij – nadat hem was gebleken dat de Taalstudio niet beschikte over een expert op het gebied van het Sorani-Koerdisch – bij enkele tolken navraag heeft gedaan of zij deskundigen kenden die op het gebied van het Sorani-Koerdisch iets zouden kunnen betekenen (hetgeen niet het geval was), alsmede dat hij heeft begrepen dat andere taalanalysebureaus ook problemen hebben met het vinden van een expert op het gebied van het Sorani-Koerdisch, maar verweerder is niet op de hoogte gebracht van de door eisers gemachtigde gedane navraag, terwijl hiervan evenmin iets op schrift is gesteld. Deze verklaring van eisers gemachtigde kan dan ook niet leiden tot een ander oordeel. Ten slotte overweegt de rechtbank in dit verband nog dat niet valt in te zien waarom eiser verweerder eerst op 7 april 2008 op de hoogte heeft gesteld van het door de Taalstudio gemaakte Plan van Aanpak, dat door hem reeds op 25 oktober 2007 was ontvangen.

16. Gelet op het voorgaande kan het in beroep overgelegde rapport contra-expertise niet bij de beoordeling in rechte worden betrokken.

17. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) – waaronder de uitspraken van 26 augustus 2003 (200303045/1, JV 2003/455, LJN: AL6452) en van 8 april 2004 (200308064/1, JV 2004/218, LJN: AO8566) – blijkt, zoals reeds eerder in deze uitspraak aangegeven, dat verweerder door een taalanalyse te laten uitvoeren de desbetreffende vreemdeling tegemoet komt in de voldoening aan de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 op hem rustende last om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, in het geval twijfel gerezen is aan de gestelde identiteit en nationaliteit, waaronder in voorkomende gevallen begrepen de stamafkomst of plaats van herkomst.

18. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 9 mei 2006 (LJN: AX2471), is het uitgangspunt dat een taalanalyse zoals de onderhavige tot stand komt onder de verantwoordelijkheid van een ter zake deskundig bureau, waarvan de kwaliteit voldoende is gewaarborgd. De taalanalisten zijn op zorgvuldige wijze geselecteerd en staan onder voortdurende kwaliteitscontrole. Verweerder mag van de deskundigheid van de taalanalisten uitgaan, tenzij sprake is van concrete redenen om daaraan te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dergelijke concrete redenen niet aangevoerd.

19. Gelet op het voorgaande mocht verweerder de taalanalyse aan het bestreden besluit ten grondslag leggen. Evenzeer mocht verweerder afgaan op de resultaten van de taalanalyse, nu door eiser geen concrete aanknopingspunten naar voren zijn gebracht op grond waarvan dient te worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van het rapport taalanalyse. In de in de besluitvormingsfase overgelegde dossieranalyse van de Taalstudio, welke niet kan worden aangemerkt als contra-expertise, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om van een van de taalanalyse afwijkende conclusie uit te gaan. Daarbij is tevens van belang, zoals verweerder in de besluitvorming ook heeft aangegeven, dat uit het gemotiveerde weerwoord van BLT op deze dossieranalyse blijkt dat het standpunt dat eiser op basis van de taalanalyse eenduidig niet te herleiden is tot Kirkuk, gehandhaafd blijft. Namens eiser is dit weerwoord in de besluitvormingsfase niet gemotiveerd bestreden.

20. De stelling van eiser in beroep dat verweerder een nadere termijn had moeten stellen voor het inbrengen van een contra-expertise en de besluitvorming tot die tijd had moeten aanhouden, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Eiser heeft niet aan verweerder te kennen gegeven binnen welke termijn een contra-expertise daadwerkelijk beschikbaar zou zijn. De brief van de Taalstudio van 5 mei 2008 geeft hierover onvoldoende uitsluitsel. Verweerder heeft ook de gevolgen van capaciteitsproblemen bij de Taalstudio voor rekening van de vreemdeling mogen laten. Niet valt in te zien dat, nu de gerezen twijfel over de afkomst van de vreemdeling door de in opdracht van verweerder uitgevoerde taalanalyse wordt bevestigd, op verweerder de plicht rustte zijn besluit aanvullend te motiveren en eiser een ruimere termijn te gunnen om een contra-expertise te doen uitvoeren. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2008 (200708712/1).

21. Nu, zoals ook reeds blijkt uit rechtsoverweging 19, verweerder de conclusies van de taalanalyse aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet geloofwaardig wordt geacht dat eiser afkomstig is uit Kirkuk. Gelet hierop kan in hetgeen in beroep is aangevoerd geen grond worden gevonden voor het oordeel dat verweerder niet mocht uitgaan van de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas en niet mocht afzien van een inhoudelijke beoordeling van dit relaas. Daarbij wordt opgemerkt dat ook aan de door de getuigen Berzenji en Shabab ter zitting van 15 januari 2009 afgelegde verklaringen niet die waarde kan worden toegekend die eiser daaraan toegekend zou willen zien, reeds nu beide getuigen niet uit eigen wetenschap hebben kunnen verklaren dat eiser afkomstig is uit Kirkuk, maar zich baseren op informatie afkomstig van derden.

22. Voor zover eiser zich er op beroept dat hij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, overweegt de rechtbank als volgt.

23. Ten aanzien van de stelling van eiser in beroep dat er geen reden is voor verweerder om onderscheid te maken tussen Noord- en Centraal-Irak met betrekking tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2005 (200410324/1). Uit rechtsoverweging 2.3.1 van deze uitspraak volgt dat de tekst en strekking van artikel 29, aanhef en eerste lid, onder d, Vw 2000 aan de mogelijkheid van het voeren van een partieel beleid van categoriale bescherming niet in de weg staan. In het licht van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat deze bepaling geen beletsel vormt voor de minister om een partieel beleid te voeren, zoals vermeld in de notitie over het beleid van categoriale bescherming van 23 mei 2001 (TK 2000-2001, 19637, nr. 588). Derhalve faalt deze grief van eiser.

24. Ten tijde van het bestreden besluit gold een beleid van categoriale bescherming voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak. Nu verweerder zich blijkens het voorgaande op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet geloofwaardig is dat eiser afkomstig is uit Kirkuk (Centraal-Irak), bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

25. Voor zover eiser tevens heeft betoogd dat verweerder voor Noord-Irak een beleid van categoriale bescherming zou moeten voeren en dat hij op grond daarvan in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd heeft aangegeven dat en waarom geen aanleiding bestaat voor het voeren van een beleid van categoriale bescherming voor Noord-Irak. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat de situatie in Noord-Irak niet van zodanige aard is, dat een beleid van categoriale bescherming geïndiceerd is. Onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht van 20 juni 2007 van de minister van Buitenlandse Zaken heeft verweerder in dit verband opgemerkt dat de KRG-gebieden feitelijk autonoom functioneren. Weliswaar wordt in genoemd ambtsbericht vermeld dat er tijdens de verslagperiode twee relatief zware bomaanslagen hebben plaatsgevonden en dat de VN hebben aangegeven dat sprake is van spanningen als gevolg van de toenemende instroom van ontheemden, maar uit dit ambtsbericht blijkt tevens dat in het bijzonder in de KRG-gebieden minder geweld voorkomt, aldus verweerder. Ook is hierin vermeld dat in de KRG-gebieden de humanitaire situatie lijkt te verbeteren en activiteiten van de VN, NGO’s en buitenlandse bedrijven weer op gang komen.

26. Aangaande de namens eiser in beroep in het geding gebrachte aanvullende informatie – voor zover deze ziet op de situatie in Noord-Irak – overweegt de rechtbank dat deze informatie dateert van ná het bestreden besluit, zodat deze ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000 bij de beoordeling van het beroep kan worden betrokken. Verweerder heeft in zijn schriftelijke reactie van 22 januari 2009 aangegeven dat in deze informatie geen aanleiding kan worden gevonden voor het voeren van een beleid van categoriale bescherming voor Noord-Irak.

27. De rechtbank is van oordeel – mede in het licht van de door verweerder in de besluitvorming neergelegde motivering – dat verweerder in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien voor het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid voor Noord-Irak, ook niet in de door eiser in beroep overgelegde informatie. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat aan verweerder ter zake van de beoordeling of het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid opportuun is, beleids- en beoordelingsvrijheid toekomt.

28. Ten overvloede merkt de rechtbank overigens nog op dat voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, ingevolge het door verweerder ter zake gevoerde beleid vereist is dat de identiteit buiten twijfel staat. Nu daarvan in het geval van eiser geen sprake is, komt eiser hoe dan ook niet voor verlening van een verblijfsvergunning op die grond in aanmerking.

29. Ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, overweegt de rechtbank als volgt.

30. Eiser heeft – reeds omdat zijn gestelde normale woon- en verblijfplaats in Irak (Kirkuk) niet geloofwaardig is te achten – niet aangetoond afkomstig te zijn uit een deel van Irak, waar ten tijde van de totstandkoming van het bestreden besluit sprake was van een binnenlands gewapend conflict dan wel van gevolgen van een elders in Irak bestaand gewapend conflict. Dat Irak het land van herkomst is, leidt niet tot een andersluidend oordeel, aangezien niet van algemene bekendheid is dat in alle delen van Irak op dat moment sprake was van een zodanig conflict dan wel van gevolgen in vorenbedoelde zin. Eiser valt derhalve niet onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en kan aan deze bepaling dan ook geen aanspraak op bescherming ontlenen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 27 november 2008 (200802472/1, LJN BH0206).

31. Gezien het voorgaande komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

32. Nu de rechtbank in hetgeen overigens is aangevoerd evenmin aanleiding ziet om het bestreden besluit te vernietigen, is het beroep ongegrond.

33. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

34. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. C.F.E. van Olden-Smit als rechter in tegenwoordigheid van H.J. Renders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2009.