Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI4830

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
26-05-2009
Zaaknummer
09/901021-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel - veroordeelde is veroordeeld voor het gedurende enige tijd prostitueren van twee vrouwen. De rechtbank

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 108.000,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/901021-06

Datum uitspraak: 29 april 2009

Vonnis ex artikel 36e SR

Beslissing van de rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde],

geboren te [plaats] op [datum] 1982,

adres: [adres].

De vordering.

De vordering strekt er toe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel van € 109.600,00.

Het onderzoek ter zitting.

Ter terechtzitting van 15 april 2009 heeft de officier van justitie bij de vordering gepersisteerd.

De veroordeelde, bijgestaan door de raadsman mr. J.M. van Dam, advocaat te 's-Gravenhage, is verschenen en op de vordering gehoord.

Beoordeling van de vordering.

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 4 mei 2007, voor zover van belang, veroordeeld terzake van de strafbare feiten:

medeplegen van mensenhandel;

een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie, dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde.

In deze zaak is een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld. Dit heeft geresulteerd in het rapport van [Y], nr. [nummer]. De conclusie van dit rapport is, dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel € 109.600,00 bedraagt.

Op grond van het onderzoek ter zitting is de rechtbank van oordeel dat de veroordeelde door middel van hiervoor genoemd genoemde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de veroordeelde vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op wettige bewijsmiddelen en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van de beslissing vereist met de bewijsmiddelen, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan deze beslissing zal worden gehecht.

Motivering van de op te leggen maatregel.

De rechtbank neemt als grondslag van de vordering in aanmerking het in de strafzaak onder parketnummer 09/901021-06 tegen de veroordeelde bewezen verklaarde feiten.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het navolgende af.

Veroordeelde is veroordeeld voor het gedurende enige tijd prostitueren van twee vrouwen. Bij de berekening van het wederrechterlijk verkregen voordeel is uitgegaan van de verklaringen van aangeefsters. De raadsman heeft betoogd dat deze verklaringen met betrekking tot de intensiteit van de werkzaamheden als mede de inkomsten niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. De raadsman haalt hierbij in zijn pleitnota aan onder punt 18 dat de vrouwen naar hun eigen verklaring € 800,00 hebben verdiend. Doorgerekend zou dit een bedrag van € 13.000,00 voor de gehele bewezenverklaarde periode betekenen. Het is de rechtbank uit het dossier niet duidelijk geworden hoelang verdachte in het buitenland heeft verbleven. Dat dit een korte tijd zal zijn blijkt uit het feit dat aangeefster [A] verklaard over zowel de tijd voor als na de vakantie van veroordeelde, terwijl zij slechts drie weken voor hem gewerkt heeft. Ook blijkt uit het dossier niet dat zij samen € 800,00 verdiend hadden maar dat de broer van veroordeelde zei dat het € 800,00 was terwijl de vrouwen dachten dat het meer was. Aldus blijkt dat de rechtbank de verklaringen van de aangeefsters anders leest dan de raadsman dit doet. Evenals de rechtbank en het Hof in de hoofdzaak ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van de aangeefsters. Daarbij zij opgemerkt de periodes en het aantal klanten in het voordeel van verdachte zijn berekend.

Bewezenverklaarde feiten:

Aangeefster [A]

1. Veroordeelde heeft aangeefster voor zich laten werken van 11 oktober 2006 tot en met 1 november 2006, dit zijn drie weken;

2. aangeefster had twee klanten per dag;

3. aangeefster vroeg € 100,00 per klant;

4. hoewel aangeefster verklaart dat zij dagelijks werkte is uit gegaan van 6 werkdagen.

Aangeefster [B]

5. Veroordeelde heeft aangeefster voor zich laten werken van mei 2006 tot en met 20 november 2006, dit zijn dertig weken.

6. aangeefster ontving 6 klanten per dag;

7. aangeefster ontving € 100,00 per klant.

8. in de berekening is uitgegaan van 6 werkdagen per week.

Kosten.

9. Aangeefsters verklaarden dat veroordeelde hun werkbenodigdheden zoals condooms, sponsjes en lingerie voor ze kocht. Verbalisant stelt deze kosten op € 1.000,00;

10. de afspraken met klanten werden telefonisch gemaakt en ook controleerde verdachte de vrouwen telefonisch. Verbalisant stelt deze kosten op € 1.000,00;

11. de rechtbank heeft geconstateerd dat beide aangeefsters verklaren dat veroordeelde hen geld gaf voor boodschappen en soms ook voor uitgaan. De rechtbank zal deze kosten stellen op € 1.600,00

Voordeel [A]:

3 weken x 6 dagen x 2 klanten x € 100,00 = € 3.600,00

Voordeel [B]:

30 weken x 6 dagen x 6 klanten x € 100,00 = € 108.000,00

Kosten:

1000 + 1000+ 1600 = € 3.600,00

Wederrechtelijk verkregen voordeel (3600 + 108000 -3600) = € 108.000,00

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op € 108.000,00.

Door en namens de veroordeelde is gemotiveerd verweer gevoerd, inhoudende dat de draagkracht van de veroordeelde niet toereikend is om aan een veroordeling tot betaling te voldoen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

De strekking van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is te bewerkstelligen dat datgene wat de veroordeelde aan door misdrijf verkregen materieel profijt heeft verworven, weer aan hem wordt ontnomen. Gezien de wetsgeschiedenis, het stelsel der wet en de jurisprudentie wordt een dergelijke ontneming niet verhinderd door een gebrek aan financiële draagkracht aan de zijde van de veroordeelde, noch door het feit dat het verkregen voordeel reeds door de veroordeelde is verbruikt. Aangezien bovendien in deze niet gesteld of aannemelijk is geworden dat de veroordeelde ook in de toekomst geen draagkracht zal hebben is er geen aanleiding om het aan de Staat te betalen bedrag lager vast te stellen. Vooral nu veroordeelde ter terechtzitting van 15 april 2009 verklaard heeft dat hij binnen afzienbare tijd aan een nieuwe baan kan beginnen.

Gelet op het bovenstaande is toewijzing van de vordering op haar plaats. Indien te zijner tijd mocht komen vast te staan dat werkelijk geen middelen tot terugbetaling voorhanden zijn, staan voor de veroordeelde alsdan wegen open de rechter om een (nadere) beslissing te vragen op grond van artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank zal de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van € 108.000,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 108.000,00;

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 108.000,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Timmermans, voorzitter,

Smid - Verhage en Goudswaard, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Lohuis, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 april 2009.

Mr. Goudswaard is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.