Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI4409

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
AWB 08/36533 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Sri Lanka, Tamil uit Colombo, relaas ongeloofwaardig bevonden, geen (groepsbescherming) 3 EVRM, wat betreft 15c Definitierichtlijn constateert de rechtbank divergentie tussen lidstaten, in het bijzonder tussen NL en UK, mbt definitie en reikwijdte “binnenlands gewapend conflict”, met toepassing van jurisprudentie van ABRvS slaagt beroep op 15c Definitierichtlijn niet, beroep ongegrond.

Samenvatting:

Eiser is Tamil en afkomstig uit Colombo, Sri Lanka. Gelet op vage, summiere en tegenstrijdige verklaringen die zien op essentiële onderdelen van eisers relaas, heeft verweerder het relaas in redelijkheid ongeloofwaardig kunnen achten. Getoetst aan het arrest NA-VK van het EHRM is geen sprake van groepsbescherming van Tamils uit Sri Lanka in de zin van artikel 3 EVRM.

Wat betreft het beroep op artikel 15c Definitierichtlijn stelt de rechtbank aan de hand van de jurisprudentie van de ABRvS vast dat de definitie en de reikwijdte van het begrip “binnenlands gewapend conflict” divergeert tussen de EU-lidstaten.

Het Asylum and Immigration Tribunal (hierna: het AIT) van het Verenigd Koninkrijk is in de uitspraak van 25 maart 2008 (UKAIT 08/00023) met verwijzing naar hetgeen het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (hierna: het ICTY) in de zaak Tadic heeft overwogen, van oordeel dat een binnenlands gewapend conflict zich uitstrekt tot het gehele grondgebied dat onder controle staat van elk van de strijdende partijen. In tegenstelling tot de ABRvS beperkt het AIT de aanwezigheid van een gewapend conflict niet tot dat gebied waar het gewapend conflict feitelijk plaatsvindt. Op dit punt lijkt een prejudiciële vraag gewenst.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/280 met annotatie van Maarten den Heijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/36533 BEPTDN

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken van 18 mei 2009

inzake

[eiser], geboren op [1982], van Sri Lankaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. F.S. van Nierop, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.A. Pruss, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Bij beslissing van 6 oktober 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 10 maart 2008 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 17 april 2009, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Eiser heeft aan zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ten grondslag gelegd dat hij een Tamil is en voor zijn vertrek uit Sri Lanka in Colombo woonde. Na de arrestatie van zijn zwager op 7 november 2007 is eiser meerdere malen ondervraagd door de politie. Daarbij is eiser door dreiging met gevangenisstraf onder druk gezet om te verklaren dat hij betrokken zou zijn bij de Liberation Tigers of Tamil Eelam (hierna: LTTE). Tijdens deze verhoren is eiser geslagen en mishandeld, waardoor hij letsel heeft opgelopen. Zo is eisers linkerarm tijdens één van deze verhoren verwond met een scheermesje. Verder zou eiser op straat worden gevolgd door mensen van de Criminal Investigation Department (hierna: CID).

2.2 Verweerder acht het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig. Eiser heeft volgens verweerder summiere, vage, niet verifieerbare en steeds wisselende verklaringen afgelegd. Daarnaast hecht verweerder geen geloof aan de problemen die eiser stelt te hebben of te verwachten met de autoriteiten. Eiser is niet actief geweest voor de LTTE en is nooit gearresteerd of gedetineerd geweest. Evenmin heeft eiser beperkingen opgelegd gekregen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser in het land van herkomst geen gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of voor een risico in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

Eiser komt voorts niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op een van de andere gronden uit artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw) en evenmin slaagt het beroep van eiser op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 van de Raad van de Europese Unie (hierna: de Definitierichtlijn).

2.3 In geschil is of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.4 Ingevolge artikel 13 van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd, indien – voor zover hier van belang – internationale verplichtingen dan wel klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

2.5 Ingevolge artikel 29 van de Vw kan een verblijfsvergunning asiel – onder meer – worden verleend aan de vreemdeling die een verdragsvluchteling is, die aannemelijk heeft gemaakt gegronde redenen te hebben om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, of van wie in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst wegens klemmende redenen van humanitaire aard of voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van verweerder van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algemene situatie aldaar.

2.6 Bij de beoordeling van de vraag of verweerder het relaas van eiser in redelijkheid als ongeloofwaardig heeft kunnen bestempelen, gaat de rechtbank uit van het volgende toetsingskader. In de hoofdstukken C14/3.2 en C14/4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc) is neergelegd dat verweerder het relaas en de daarin gestelde feiten voor waar aanneemt, indien de asielzoeker alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet onaannemelijk is en strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Bovendien geldt daarvoor als vereiste dat zich geen van de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw opgesomde omstandigheden voordoet die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de asielzoeker.

2.7 De rechter toetst deze beoordeling van verweerder terughoudend en beantwoordt de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat verweerder, gelet op de motivering, neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

Dit geldt evenzeer voor de beoordeling van het realiteitsgehalte van de door eiser aan die gestelde feiten ontleende vermoedens over wat hem als gevolg daarvan bij terugkeer aan behandeling te wachten staat. Dit laat onverlet dat de rechter de besluitvorming aan de eisen van met name zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering die het recht daaraan stelt moet toetsen.

2.8 De rechtbank stelt allereerst vast dat zich geen van de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw opgesomde omstandigheden heeft voorgedaan.

2.9 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers verklaringen ongeloofwaardig moeten worden geacht. Daarbij heeft verweerder in aanmerking mogen nemen dat eisers verklaringen tegenstrijdig, vaag en summier zijn.

Zo heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat hij de eerste keer dat hij na de arrestatie van zijn zwager in 2007 was opgepakt, van 9.00 uur tot ongeveer 21.00 uur op het politiebureau werd verhoord. In het aanvullend gehoor heeft eiser verklaard dat hij van 9.00 uur tot ongeveer 17.00 uur werd vastgehouden op het politiebureau. De rechtbank ziet onvoldoende grond voor het oordeel dat deze tegenstrijdigheid zou zijn veroorzaakt door een onjuiste vertaling door de tolk of door een verschrijving door de contactambtenaar.

Verder heeft eiser in het aanvullend gehoor verklaard dat hij zich na de eerste keer dat hij in 2007 was opgepakt na de arrestatie van zijn zwager, niet onder doktersbehandeling hoefde te stellen en dat hij tijdens een verhoor in januari 2008 in zijn linkerarm is gesneden met een scheermesje. In het nader gehoor heeft eiser daarentegen verklaard dat hij in 2007 door de politie tijdens een verhoor is verwond met een scheermes.

Daarnaast heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat er door de politie tijdens de verhoren niets werd gezegd over een verband tussen zijn verhoor en de arrestatie van zijn zwager. Later tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat de politie had gezegd dat ze van zijn zwager hadden gehoord dat eiser naar Colombo was gekomen om voor de LTTE bommen te plaatsen.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde tegenstrijdigheden zien op essentiële onderdelen van eisers relaas, te weten zijn verhoren door de politie.

2.10 Voorts heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in aanmerking mogen nemen dat eiser vage en summiere verklaringen heeft afgelegd over de arrestatie van zijn zwager. Zo heeft eiser in het aanvullend gehoor verklaard dat zijn zwager in september of oktober 2007 is gearresteerd, terwijl uit een door eiser bij brief van 28 juli 2008 overgelegd stuk zou blijken dat zijn zwager op 7 november 2007 is opgepakt. De rechtbank is van oordeel dat de arrestatie van eisers zwager een kernelement is van zijn relaas, omdat eiser nadien enkele malen zou zijn verhoord door de politie. Gelet hierop heeft verweerder eiser mogen tegenwerpen dat hij geen nauwkeuriger verklaring omtrent de datum van de arrestatie van zijn zwager heeft kunnen geven.

2.11 De stelling van eiser dat hij als gevolg van zijn verhoren door de politie spanningen heeft ondervonden waardoor zijn geheugen minder goed functioneert, biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder voornoemde tegenstrijdige, vage en summiere verklaringen niet aan eiser heeft mogen tegenwerpen. Eiser heeft immers de mogelijkheid gehad om correcties en aanvullingen te maken op de gehoren die door de IND hebben plaatsgevonden en heeft daarvan geen gebruik gemaakt ten aanzien van voornoemde verklaringen. Bovendien heeft eiser zijn stelling niet met nadere (medische) stukken onderbouwd.

2.12 Voorts volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat het op de weg van verweerder heeft gelegen om verder door te vragen op punten die verweerder als vaag, summier of onduidelijk heeft aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat uit de gehoren naar voren komt dat verweerder genoegzaam heeft doorgevraagd op de voornoemde verklaringen van eiser. Tevens heeft eiser gelegenheid gehad om correcties en aanvullingen te maken op de gehoren.

2.13 Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig heeft kunnen achten en dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen verdragsvluchteling is.

2.14 Wat betreft het beroep van eiser op artikel 3 van het EVRM overweegt de rechtbank het volgende. Met verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 17 juli 2008 (LJN: BF0248, NA-VK) is de rechtbank van oordeel dat de enkele omstandigheid dat eiser Tamil is, onvoldoende grond is voor het oordeel dat bij uitzetting van eiser naar Sri Lanka sprake is van een risico op schending van artikel 3 van het EVRM. In het algemeen ambtsbericht omtrent Sri Lanka van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van oktober 2008 waar eiser naar verwezen heeft, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor een ander oordeel.

2.15 Eiser heeft zich verder – met verwijzing naar de in het voornoemde arrest NA-VK van het EHRM genoemde risicofactoren – op het standpunt gesteld dat hij in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat omdat hij een jonge mannelijke Tamil is en hij afkomstig is uit het noorden van Sri Lanka, hij littekens heeft, hij illegaal het land heeft verlaten en een familielid heeft die is gearresteerd in verband met verdenking van betrokkenheid bij de LTTE. Op grond van deze omstandigheden stelt eiser bij terugkeer naar Sri Lanka een risico te lopen op een behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM.

2.16 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer een risico te lopen op schending van artikel 3 van het EVRM. Hierbij heeft verweerder terecht in aanmerking genomen dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is bevonden. Dit betekent dat onvoldoende is komen vast te staan dat eisers zwager is gearresteerd en mishandeld in verband met betrokkenheid bij de LTTE en dat onvoldoende is komen vast te staan dat eiser – na de gestelde arrestatie van zijn zwager – door de politie is verhoord en mishandeld en als gevolg daarvan een litteken op zijn onderarm heeft. Voorts heeft verweerder terecht in aanmerking genomen dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Sri Lankaanse autoriteiten er van op de hoogte zijn dat eiser het land heeft verlaten met visa die door zijn reisagent zijn geregeld en de uitreis daarmee illegaal heeft plaatsgevonden.

2.17 Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat in Sri Lanka sprake is van een gewapend binnenlands conflict, dan wel dat eiser in Colombo de gevolgen ondervindt van het gewapend conflict in het noorden van Sri Lanka. Gelet hierop stelt eiser bij terugkeer naar Colombo een reëel risico te lopen op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen in de noordelijke provincie van Sri Lanka sprake is van een binnenlands gewapend conflict.

2.18 Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn is – voor zover van belang – de persoon die voor een subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt een onderdaan van een derde land die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15 van de Definitierichtlijn, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, van die richtlijn niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.

Ingevolge artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn dient onder ernstige schade te worden verstaan, ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2.19 In het midden latende de vraag hoe de subsidiaire bescherming in de zin van artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn tegen ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn zich sinds het arrest van het Europees Hof van Justitie van 17 februari 2009 in de zaak Elgafaji (C-365/1, LJN: BH3646) verhoudt tot artikel 3 van het EVRM, valt een vreemdeling eerst onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, indien hij aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van het besluit sprake was van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in het land van zijn herkomst. Deze bewijsplicht aan de zijde van de vreemdeling blijkt onder meer uit de uitspraak van de ABRvS van 29 februari 2008 (LJN: BC5983).

In de uitspraak van 20 juli 2007 (LJN: BB0917) heeft de ABRvS geoordeeld dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict “(…) indien een georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel in staat is op het grondgebied van een land of een gedeelte daarvan militaire operaties uit te voeren jegens de strijdkrachten van de autoriteiten van dat land. Deze operaties dienen dan aanhoudend en samenhangend van aard te zijn, wil sprake zijn van een gewapend conflict.” Bij uitspraak van 3 april 2008 (LJN: BC8681) heeft de ABRvS deze definitie in zoverre uitgebreid dat thans als zodanig ook kan worden aangemerkt een gewapend conflict tussen georganiseerde groeperingen.

Verder heeft de ABRvS onder meer in voornoemde uitspraak van 3 april 2008 bepaald dat vastgesteld moet worden of de door de vreemdeling gestelde schade in verband kan worden gebracht met een gewapend conflict. Daarbij is van betekenis of dit conflict zich over alle delen van het land van herkomst uitstrekte, dan wel beperkt was tot duidelijk te onderscheiden deelgebieden. Indien, in dat laatste geval, een vreemdeling afkomstig is uit een deel, waar geen sprake was van een gewapend conflict en evenmin van gevolgen voor hem van een elders in het land bestaand gewapend conflict, zal hij bij terugkeer naar dat deel geen schade lijden die in verband kan worden gebracht met een zodanig conflict en daarom buiten de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn vallen.

2.20 Aan de hand van deze jurisprudentie van de ABRvS stelt de rechtbank vast dat de definitie van een binnenlands gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn divergeert tussen de lidstaten van de Europese Unie. Voor dit oordeel verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Asylum and Immigration Tribunal (hierna: het AIT) van het Verenigd Koninkrijk van 25 maart 2008 (KH-The Secretary of State for the Home Department, www.ait.gov.uk, hierna: UKAIT 08/00023). Het AIT verwijst in deze uitspraak, in casu voor de beoordeling van de vraag of in Irak sprake is van een binnenlands gewapend conflict, naar hetgeen het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (hierna: het ICTY) in de zaak Tadic (uitspraak van The Appeals Chamber van het ICTY van 2 oktober 1995, IT-94-1-AR72) in paragraaf 70 heeft overwogen omtrent de definitie van een binnenlands gewapend conflict:

“(…) an armed conflict exists whenever there is a resort to armed force between States or protracted armed violence between governmental authorities and organized armed groups or between such groups within a State.”

2.21 Het AIT overweegt in paragraaf 76 van UKAIT 08/00023 vervolgens dat:

“As regards the territorial scope of the rules governing internal armed conflict, the established formulation as found, once again, in Tadic (Jurisdiction) at para 70 states that “in the case of internal conflicts [it is]… the whole territory under the control of a party, whether or not actual combat takes place there.””

Met verwijzing naar de jurisprudentie van het ICTY is het AIT derhalve van oordeel dat een binnenlands gewapend conflict zich uitstrekt tot het gehele grondgebied dat onder controle staat van elk van de strijdende partijen, althans beperkt het AIT, in tegenstelling tot de ABRvS, de aanwezigheid van een gewapend conflict niet tot dat gebied waar het gewapend conflict feitelijk plaatsvindt.

2.22 De rechtbank overweegt dat divergentie tussen de lidstaten met betrekking tot de uitleg van het begrip binnenlands gewapend conflict niet gewenst is reeds omdat daarmee strijd kan ontstaan met het uitgangspunt van de Definitierichtlijn als verwoord in punt 18 van de considerans van de Definitierichtlijn, te weten dat de lidstaten het nodig achten te komen tot gemeenschappelijke begrippen in het kader van de doelstelling van de Europese Unie om te komen tot een gemeenschappelijk asielbeleid. Het voornoemde arrest van het Europees Hof van Justitie van 17 februari 2009 inzake Elgafaji levert geen uitsluitsel over de definitie van het begrip binnenlands gewapend conflict, nu de ABRvS daarover geen prejudiciële vraag had gesteld.

2.23 Gelet hierop komt het de rechtbank voor dat het in de rede ligt dat prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie worden gesteld inzake de definitie en reikwijdte van het begrip binnenlands gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De rechtbank is daartoe gelet op artikel 68 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap in de onderhavige zaak echter niet bevoegd.

2.24 De rechtbank overweegt derhalve, onder toepassing van de voornoemde jurisprudentie van de ABRvS, dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in Colombo sprake was van een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. In dat verband overweegt de rechtbank dat eisers verwijzing naar het algemeen ambtsbericht omtrent Sri Lanka van oktober 2008 en de vermelding daarin dat geregeld aanslagen in Colombo worden gepleegd, voor een dergelijke conclusie ontoereikend is; evenmin heeft eiser in het licht van voormeld toetsingskader (recentere) informatie overgelegd die zou kunnen leiden tot een dergelijke conclusie.

Ten vervolge hierop ziet de rechtbank in de stelling van eiser dat hij als Tamil in Colombo blootstaat aan draconische maatregelen die de Sri Lankaanse overheid heeft getroffen ter bestrijding van de LTTE, nu eisers relaas ongeloofwaardig is bevonden, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser in Colombo gevolgen van het gewapende conflict in het noorden van Sri Lanka ondervindt.

Gelet op voormeld toetsingskader heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming als bedoeld in de Definitierichtlijn.

2.25 Eiser heeft zich met verwijzing naar het algemeen ambtsbericht van oktober 2008 op het standpunt gesteld dat de situatie in Sri Lanka is verslechterd na het algemeen ambtsbericht van april 2007 en dat verweerder er in redelijkheid niet van heeft kunnen afzien om een categoriaal beschermingsbeleid te voeren ten aanzien van Sri Lankaanse Tamils.

2.26 Aan verweerder komt bij het instellen van een categoriaal beschermingsbeleid een ruime beoordelingruimte toe, waarbij de indicatoren voor het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid zijn neergelegd in artikel 3.106 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op basis van het algemeen ambtsbericht omtrent Sri Lanka van oktober 2008 op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat om een categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Sri Lanka en in het bijzonder ten aanzien van Sri Lankaanse Tamils te voeren. De enkele stelling van eiser dat de situatie voor Tamils in Sri Lanka is verergerd na het algemeen ambtsbericht van april 2007, kan bij ontstentenis van nadere onderbouwing zijnerzijds met name met betrekking tot ontwikkelingen na het ambtsbericht van oktober 2008, niet leiden tot het oordeel dat verweerder tot een andersluidende conclusie had behoren te komen. Verweerder heeft zich gelet op het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, aanhef en onder d, van de Vw.

2.27 Evenmin is gesteld of gebleken dat sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.

2.28 Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Gorter, rechter, en in het openbaar uitgesproken op

18 mei 2009.

De griffier: De rechter:

mr. L.E. Mollerus mr. H. Gorter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Let op!

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.