Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI4406

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-05-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
AWB 09/13981, AWB 09/13980 & AWB 09/13978
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

de weigering van verweerder om verzoeker een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw, te verlenen berust op een ontoereikende motivering. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte in het kader van de ac-procedure afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.105d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 09 / 13981 (voorlopige voorziening)

AWB 09 / 13980 (beroep)

AWB 09 / 13978 (vrijheidsontneming)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 8 mei 2009

in de zaak van:

[naam verzoeker]

geboren op [geboortedatum], van Pakistaanse nationaliteit, verblijvende in

[locatie],

verzoeker,

gemachtigde, tevens raadsvrouw: mr. L. Sinoo, advocaat te Utrecht,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.A.B. van Stein, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 13 april 2009 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 17 april 2009 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 18 april 2009 beroep ingesteld.

1.2 Verzoeker heeft op 18 april 2009 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De ambtenaar belast met de grensbewaking heeft op 12 april 2009 aan verzoeker op grond van artikel 13 j° artikel 5 van de verordening (EG) nr. 562/2006 de toegang tot Nederland geweigerd en bij besluit van diezelfde datum aan hem op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Verweerder heeft bij het besluit op de asielaanvraag de vrijheidsontnemende maatregel voortgezet. Verzoeker heeft op 18 april 2009 beroep ingesteld tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 28 april 2009. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is niet gesloten om verweerders gemachtigde de gelegenheid te geven zich schriftelijk nader uit te laten en verzoekers gemachtigde om daar schriftelijk op te reageren. Na kennisname van de reacties, laatstelijk op 4 mei 2009, is het onderzoek, met toestemming van partijen zonder nadere zitting, gesloten.

2. Overwegingen

Het verzoek om een voorlopige voorziening

2.1 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure (ac-procedure). Een aanvraag kan in dat kader worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kan geschieden.

2.5 Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Hij stelt dat hij en zijn familie in Peshawar hebben gewoond. Zijn vader werd er door de Taliban van verdacht dat hij een spion was. Zij dachten dat ook verzoeker een spion was omdat hij van Peshawar naar Faisalabad heen en weer reisde. Een keer toen verzoekers vader voor zijn werk onderweg was, is hij, samen met verzoekers moeder en zussen vermoord. Op de begrafenis kwamen spionnen van de Taliban kijken wie er allemaal waren. Verzoeker heeft zich toen in Faisalabad verscholen en reisde daarna heen en weer tussen Faisalabad en Peshawar. Verzoekers huis is in die tijd beschoten. Er is daarna een poging ondernomen om verzoeker in een auto te kidnappen. Daarna ging verzoeker richting Lahore maar hij werd daar weer beschoten. Verzoeker is toen naar Peshawar gegaan. Hij heeft in Peshawar een dreigbrief ontvangen waarin stond dat er in Pakistan geen plek is voor Amerikaanse spionnen. Toen heeft verzoeker de bus genomen richting Swat, waar gevechten gaande waren tussen de Amerikanen en de Taliban. Daar werd de bus beschoten door de Taliban. Verzoeker heeft zijn verhaal verteld aan een groep mensen en zij hebben hem aan een reisagent geholpen.

2.6 Aan verzoeker wordt het onder artikel 31, tweede lid, sub f, Vw bepaalde tegengeworpen. Hem wordt tegengeworpen dat hij geen documenten, waaronder de dreigbrief die hij zou hebben ontvangen, heeft overgelegd. Van zijn relaas gaat, om de hierna genoemde redenen, verder geen positieve overtuigingskracht uit. Verzoeker heeft geen inzichtelijk makende of geloofwaardige verklaring gegeven voor zijn stelling dat de Taliban hem verdenkt van spioneren en waarom zij juist naar hem op zoek zouden zijn. Verzoeker heeft tegenstrijdig verklaard over het tijdstip waarop zijn ouders zouden zijn vermoord. Volgens zijn eerste gehoor was dat anderhalf jaar geleden maar bij zijn nader gehoor verklaarde hij dat zijn vader acht maanden geleden nog driegbrieven van de Taliban heeft ontvangen. Verzoeker heeft tegenstrijdig verklaard over de reden waarom hij uit Peshawar is vertrokken. Volgens één verklaring wilde zijn vader dat hij uit Peshawar zou vertrekken omdat de Taliban dachten dat verzoeker een spion was. Volgens een andere verklaring is hij er pas later achter gekomen dat de Taliban hem zochten op het moment dat hij een dreigbrief heeft ontvangen.

Verzoeker heeft verder een groot aantal wisselende verklaringen afgelegd die betrekking hebben op de wijze waarop hij op de hoogte is gekomen van het overlijden van zijn zussen, de personen die bij de begrafenis van zijn ouders aanwezig waren, de duur van zijn verblijf in het huis van zijn ouders in Peshawar en zijn vrijheidsberoving door de Taliban.

Verzoeker heeft niet kunnen aangeven waarom de Taliban zouden hebben gedacht dat zijn vader een spion was en hij is er niet in geslaagd om data te noemen. Hij heeft niet kunnen zeggen op welke datum de Taliban hem in Faisalabad zouden hebben opgezocht of kunnen verklaren hoe de Taliban op de hoogte waren gekomen van zijn verblijf in Lahore.

Ten aanzien van verzoekers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Europese Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft (Definitierichtlijn) wordt overwogen dat dit gelijk staat aan een beroep op artikel 3.105d, onder b, Vb. In beginsel is het aan de Staatssecretaris om de gebieden aan te wijzen waar sprake is van een gewapend conflict. Aan de vreemdeling is het om aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt op "schade". De staatssecretaris heeft nog geen standpunt ingenomen over de aanwezigheid van een gewapend conflict in Pakistan. Daargelaten de vraag of uit de overgelegde informatie de conclusie moet worden getrokken dat wel sprake is van een gewapend conflict geldt dat er geen sprake is van een uitzonderlijke situatie is als bedoeld in de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, hierna het Hof, van 17 februari 2009 (JV2009/111).

2.7 Verzoeker voert aan dat hij nimmer in het bezit is geweest van identiteitsdocumenten en dat het voor hem onmogelijk is om die over te leggen. Miskend wordt dat verzoeker heeft aangegeven tijdens de reis psychisch niet in orde te zijn geweest. Hij heeft geen tegenstrijdige verklaringen afgelegd, blijkbaar is een en ander niet goed genoteerd of vertaald. In het Noordwesten van Pakistan loopt verzoeker een reëel risico bloot gesteld te worden aan willekeurig geweld. De enkele opmerking dat er geen sprake is van een uitzonderlijke situatie is ongemotiveerd en dient nader te worden onderzocht.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.8 Ingevolge artikel 29, eerste lid, Vw kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onder meer worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van verweerder op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

2.9 Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.10 Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.11 Verweerder heeft in C14/3 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) beleidsregels neergelegd over zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van verklaringen van asielzoekers. In C14/3.3 Vc heeft verweerder het volgende toetsingskader opgenomen:

Voor de toetsing van de geloofwaardigheid van het relaas is van belang of afbreuk wordt gedaan aan die geloofwaardigheid doordat sprake is van een van de omstandigheden als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw. Indien zulks niet aan de orde is, wordt het relaas in beginsel geloofwaardig bevonden indien de vreemdeling op alle vragen zo volledig mogelijk heeft geantwoord én het relaas innerlijk consistent én niet onaannemelijk is én strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Indien wel sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw mogen in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Kortom, van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.12 Verzoeker heeft geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden overgelegd. Nog daargelaten of, gezien hetgeen verzoeker daartegen heeft aangevoerd, hem het ontbreken van reis- en identiteitspapieren kon worden aangerekend, stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker geen gronden heeft aangevoerd tegen het verwijt van verweerder dat hij toerekenbaar niet de dreigbrief ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft overgelegd. Verweerder heeft die omstandigheid dus in het nadeel van verzoeker bij het onderzoek van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen over zijn asielrelaas kunnen betrekken.

2.13 Met toepassing van de in C14/3.3 Vc weergegeven maatstaf heeft verweerder in redelijkheid kunnen vaststellen dat de verklaringen van verzoeker over de feiten die hij in het asielrelaas naar voren heeft gebracht ongeloofwaardig zijn. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen.

2.14 Verzoeker heeft in zijn zienswijze en in de gronden van zijn beroepschrift aangevoerd dat hij niet heeft verklaard dat zijn vader een paar maanden geleden in 2008 nog dreigbrieven heeft gekregen, maar dat zijn ouders een paar maanden voor hun overlijden dreigbrieven ontvingen. Voorts stelt hij duidelijk te hebben verklaard dat de ontvoeringpoging van de Taliban mislukt was. Daarom heeft hij bij zijn eerste gehoor gezegd dat hij nimmer tegen zijn wil was vastgehouden. Hij heeft via het ziekenhuis vernomen dat zijn ouders en zussen overleden waren. Hij heeft ook verklaard niet te weten of het ziekenhuis via het leger of via de chauffeur op de hoogte is gekomen van zijn telefoonnummer en dat hij ongeveer een maand in Peshawar heeft verbleven.

2.15 Wat er van het vorenstaande ook zij, stelt de voorzieningenrechter vast dat de overige in het bestreden besluit gebezigde overwegingen, zoals hierboven weergegeven, niet zijn betwist. Deze overwegingen kunnen de conclusie van verweerder, dat van verzoekers verklaringen geen positieve overtuigingskracht uitgaat, dragen.

2.16 Verweerder hoefde dus niet uit te gaan van de juistheid van de verklaringen van verzoeker over de feiten die verzoeker aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.

2.17 Ten aanzien van verzoekers beroep op subsidiaire bescherming ingevolge artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, wordt het volgende overwogen.

2.18 Ingevolge artikel 15, aanhef en onder c, in samenhang gelezen met artikel 2, aanhef en onder e, en artikel 18, Definitierichtlijn verlenen de lidstaten de subsidiaire beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of een staatloze ten aanzien van wie zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade die bestaat uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2.19 Onder artikel 29, eerste lid, onder b, Vw, wordt met ingang van 25 april 2008 ingevolge het bepaalde in artikel 3.105d Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), voor zover hier van belang, ook begrepen ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van de burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding het beroep van verzoeker op artikel 15 sub c Definitierichtlijn aan te merken als een beroep op artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.

2.20 De in de uitspraak van 12 oktober 2007 (200702174/1) over artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn gestelde prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aan het Hof zijn in het arrest van 17 februari 2009 (C-465/07) beantwoord.

Daarin is door het Hof onder meer overwogen: In die context moet het begrip ‘individueel’ aldus worden opgevat dat het ook betrekking heeft op schade die wordt toegebracht aan burgers ongeacht hun identiteit, wanneer de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapende conflict, die wordt beoordeeld door de bevoegde nationale autoriteiten waarbij een verzoek om subsidiaire bescherming is ingediend of door de rechters van een lidstaat bij wie beroep is ingesteld tegen de afwijzing van een dergelijk verzoek, dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico op de in artikel 15, sub c, van de richtlijn bedoelde ernstige bedreiging zou lopen.

2.21 De voorzieningenrechter overweegt dat in het bestreden besluit niet is overwogen en daaruit ook niet valt af te leiden dat verweerder betwist heeft dat verzoeker uit Peshawar in Noord-West Pakistan afkomstig is. Hoewel de gemachtigde van verweerder daarbij ter zitting vraagtekens heeft gezet, is verweerder daar in zijn schrijven van 29 april 2009 niet op teruggekomen. Gelet op het vorenstaande en gezien de verklaringen in het eerste gehoor alsmede die in het nader gehoor, waarnaar door verzoeker in de brief van zijn gemachtigde van 29 april 2009 is verwezen, moet aangenomen worden dat verzoeker uit Peshawar afkomstig is.

2.22 Bij de zienswijze heeft verzoeker gesteld dat aldaar sprake is van een binnenlands gewapend conflict, wat hij heeft onderbouwd met 1) een negatief Reisadvies Pakistan van de minister van Buitenlandse Zaken van 17 april 2009, 2) een brief van 17 april 2009 met bijlagen van het Landelijk Bureau van VluchtelingenWerk Nederland aan de gemachtigde van verzoeker, 3) krantenberichten aangaande gevechtshandelingen in het Noordwesten (van Pakistan), 4) een kaart van Pakistan.

2.23 Het reisadvies vermeldt dat de minister van Buitenlandse Zaken niet-essentiële reizen voor geheel Pakistan ontraadt en alle reizen naar de Federally Administered Tribal Areas (FATA) en delen van de North West Frontier Province (NWFP) en aangrenzende gebieden en het noorden en westen van Baluchistan. In Pakistan is sprake van voortdurende instabiliteit, waardoor de veiligheidssituatie in grote delen van het land slecht is. Er is een toenemende geweldspiraal. De terroristische dreiging is hoog en er vindt sektarisch geweld plaats. Voorts maakt het advies melding van recente aanslagen in september 2008 op het Marriothotel in Islamabad, in juni 2008 op de Deense ambassade en de Melody-market in Islamabad en in maart 2008 waarbij veel slachtoffers onder buitenlanders vielen. Voorts wordt vermeldt dat de veiligheidsautoriteiten de hoogste staat paraatheid hebben afgekondigd en dat slachtoffers zijn gevallen vanwege aanslagen op militairen en politie waarbij ook burgerslachtoffers waren te betreuren.

De bijlagen bij de brief van het Landelijk Bureau van VluchtelingenWerk, met citaten uit het US State Department Country Report 25 februari 2009, Human Rights Watch jaarrapport januari 2009 en een rapport van AI van 3 oktober 2008, maken melding van militaire operaties in de FATA en de NWFP tegen de Taliban waarbij ook onder burgers veel slachtoffers vallen. Verder wordt in deze stukken melding gemaakt van grote aantallen verdreven personen (IDP's), en gevechten tussen veiligheidstroepen en pro-Taliban militanten in de Swat vallei.

De krantenberichten maken melding van gevechten tussen militairen en islamitische militanten in de Swat vallei, wat ertoe heeft geleid dat honderdduizenden inwoners de vallei zijn ontvlucht. Voorts wordt melding gemaakt van een aanslag met een autobom bij Peshawar die doden heeft geëist, een aanslag op een moskee in noord west Pakisten waarbij tenminste vijftig personen om het leven zijn gekomen, invoering van de Shania in de Swat vallei en de povere mensenrechtensituatie nadien en van een door het leger van de Verenigde Staten afgevuurde raket, waardoor 26 personen om het leven zijn gekomen.

2.24 Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat geen standpunt wordt ingenomen met betrekking tot de vraag of er in Pakistan sprake is van een binnenlands gewapend conflict, maar daaraan toegevoegd dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in het arrest van het Hof van 17 februari 2009 (2009 JV 2009/111).

2.25 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker met de door hem overgelegde stukken aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn gebied van herkomst een binnenlands gewapend conflict gaande is. Voorts heeft verweerder, gelet op die stukken en de daarin vervatte informatie, niet zonder nadere motivering de enkele stelling kunnen betrekken dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld door het Hof in voornoemd arrest.

2.26 Verweerders standpunt ter zitting dat verzoeker zijn toevlucht kan zoeken in Faisalabad, waar geen sprake zou zijn van een dusdanig hoge mate van willekeurig geweld dat hij aanspraak zou kunnen maken op subsidiaire bescherming, maakt geen deel uit van het bestreden besluit en kan daarom al niet bij de beoordeling betrokken worden. Maar nog afgezien daarvan heeft het volgende te gelden. Het standpunt van verweerder is kennelijk ontleend aan artikel 8, eerste lid, Definitierichtlijn, waarin, samengevat, is bepaald dat de lidstaten een binnenlands beschermingsalternatief mogen tegenwerpen. Die tegenwerping vereist evenwel, gezien het tweede lid en eerste lid van dit artikel, een voorafgaande beoordeling van de omstandigheden in het betreffende gebied respectievelijk een beoordeling of van de verzoeker redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij in dat gebied verblijft. Het een noch het ander is door verweerder beoordeeld.

2.27 Gelet op het vorenstaande berust de weigering van verweerder om verzoeker een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw, te verlenen op een ontoereikende motivering. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte in het kader van de ac-procedure afgewezen.

2.28 De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 Awb.

2.29 Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen.

2.30 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.31 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 322,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moeten deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb worden betaald aan de griffier.

2.32 Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel

2.33 Ingevolge artikel 5, eerste lid, Vw dient een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, Nederland onmiddellijk te verlaten, met inachtneming van de aanwijzingen welke hem daartoe door de ambtenaar belast met de grensbewaking zijn gegeven. Ingevolge artikel 5, derde lid, Vw geldt deze verplichting niet indien de vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend en daarop nog niet is beslist.

2.34 Ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

2.35 In C12/2.2.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft verweerder beleidsregels over de toepassing van deze bepaling vastgesteld. Als regel geldt dat geen (verdere) toepassing van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw zal plaatsvinden indien er geen zicht meer is op de omstandigheid dat de vreemdeling na afloop van zijn procedure kan voldoen aan de vertrekplicht van artikel 5 Vw. Indien een beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag gegrond wordt verklaard zal verweerder bezien of dit aanleiding vormt de vrijheidsontnemende maatregel op te heffen.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.36 De voorzieningenrechter zal het beroep in de hoofdzaak gegrond verklaren en verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op de asielaanvraag van verzoeker. Hij heeft daarom ingevolge artikel 5, derde lid, Vw geen vertrekplicht in de zin van het eerste lid van dit artikel.

2.37 Omdat aan verzoeker de toegang tot Nederland is geweigerd, is de grond voor het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel niet vervallen. Verweerder zal moeten bezien of de gegrondverklaring in de hoofdzaak aanleiding is vrijheidsontnemende maatregel niet verder toe te passen. Gesteld noch gebleken is dat verweerder niet anders zal kunnen beslissen dan de maatregel op te heffen.

2.38 Niet is gesteld en vooralsnog is niet gebleken dat verzoeker na afloop van zijn procedure in de hoofdzaak niet aan zijn vertrekplicht zal kunnen voldoen.

2.39 De rechtbank ziet daarnaast geen grond voor het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.40 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.41 De rechtbank zal het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding afwijzen, omdat zij de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel niet zal bevelen.

2.42 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte kosten.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van verzoeker met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de kosten in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening ad € 644,- en in verband met het beroep ad € 322,- en draagt de Staat der Nederlanden op deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, te voldoen.

De rechtbank:

3.6 verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond;

3.7 wijst het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2009, in tegenwoordigheid van A.H. de Vries, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag, het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel en het verzoek om toekenning van schadevergoeding betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.