Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI4399

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-05-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
AWB 08/23369, AWB 08/37916 en AWB 08/23367
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN6284, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Strafmaatvergelijking bij toepassing glijdende schaal

De rechtbank stelt vast dat verweerder conform het beleid (B1/5.3.6 van de Vc) heeft gehandeld door het OM om advies te vragen over de vraag welke straf naar Nederlandse maatstaven zou worden geëist als eiser het misdrijf niet in Duitsland, maar in Nederland zou hebben gepleegd. Tussen partijen is niet in geschil dat het OM deskundig is om over deze kwestie te adviseren. Er zijn geen concrete aanknopingspunten om aan de kwaliteit van het uitgebrachte advies te twijfelen.

De rechtbank is echter van oordeel dat hiermee geen antwoord is gekomen op de vraag welke straf eiser in Nederland zou zijn opgelegd terwijl dat op grond van het weergegeven 3.86, derde lid, van het Vb wel vereist is. Het staat niet vast of eiser in Nederland 1 jaar gevangenis zou zijn opgelegd; het advies van het OM geeft slechts houvast over de straf die in Nederland zou zijn geëist. De rechtbank wijst er op dat het weergegeven beleid dus niet aansluit op de eisen die artikel 3.86, derde lid van het Vb 2000 stelt aan de zogenoemde strafmaatvergelijking.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 32
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/278
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

voorzieningenrechter

Uitspraak

artikel 8:70 en 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 08/23369 voorlopige voorziening

AWB 08/37916 ongewenstverklaring en

verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd

AWB 08/23367 intrekking verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

V-nr: [..]

inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum], van Sierra Leoonse nationaliteit, wonende te Almere, eiser/verzoeker, hierna te noemen eiser,

gemachtigde: mr. M. Gavami, advocaat te Amsterdam,

tegen: de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. F. Mountassir, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

Intrekking verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

1. Bij besluit van 19 juni 2008 heeft verweerder eisers verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, met terugwerkende kracht tot 31 januari 2004. Eiser heeft hiertegen op 26 juni 2008 beroep ingesteld. Omdat het beroep volgens het besluit de rechtsgevolgen niet opschort, heeft eiser de rechtbank op 26 juni 2008 tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Ongewenstverklaring en verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd

2. Voornoemd besluit van 19 juni 2008 strekt tevens tot ongewenstverklaring van de eiser. Ook heeft verweerder op 19 juni 2008 een voornemen uitgebracht de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd af te wijzen.

3. Bij besluit van 23 september 2008 heeft verweerder het bezwaar tegen de ongewenstverklaring, ongegrond verklaard en de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen. Op 23 oktober 2008 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2009. Eiser is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

5. De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN

Criminele antecedenten

Eiser is bij vonnis van 31 januari 2004 van de Duitse strafrechter veroordeeld tot een gevangenisstraf

van 2 jaar en 6 maanden vanwege invoer van en handel in 397,15 gram cocaïne.

Verweerder heeft op 21 juli 2005 het Arrondissementsparket Amsterdam, afdeling IRC,

gevraagd welke straf naar Nederlandse maatstaven zou worden geëist.

Bij schrijven van 15 augustus 2005 heeft mr. L. Ang, Officier van Justitie bij het

Arrondissementsparket Amsterdam bericht dat naar haar inschatting in Nederland een

onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar zou zijn geëist.

III. OVERWEGINGEN

Intrekking verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

1. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, kan de

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, worden ingetrokken

dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen indien de

vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde.

2. Op grond van paragraaf C5/3.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 wordt voor de vraag of

de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van artikel 32, eerste lid, onder b,

van de Vw 2000, artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), dat op zichzelf alleen

ziet op de verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning regulier, overeenkomstig toegepast.

3. Ingevolge artikel 3.86, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000, voor zover hier van belang,

kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde

tijd worden afgewezen indien aan de vreemdeling met een verblijfsduur korter dan drie jaar wegens

een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van twee jaar of meer is bedreigd, bij onherroepelijk

geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf is opgelegd, en het onvoorwaardelijk ten uitvoer te

leggen gedeelte van die straf ten minste gelijk is aan de in het tweede lid bedoelde norm.

4. Ingevolge artikel 3.86, derde lid, van het Vb 2000, voor zover hier van belang, wordt bij de

toepassing van het eerste lid, aanhef en onder c, mede betrokken de buiten Nederland gepleegde of

bestrafte inbreuk op de openbare orde, voor zover die naar Nederlands recht een misdrijf oplevert

waartegen een gevangenisstraf van twee, onderscheidenlijk drie jaren of meer is bedreigd en waarbij

de strafmaat vergelijkbaar is met de strafmaat die in Nederland zou zijn opgelegd wanneer het feit in

Nederland zou zijn gepleegd.

5. Op grond van paragraaf B1/5.3.6 van de Vc 2000 wordt beoordeeld welke gevolgen naar

Nederlands recht aan de strafbare feiten zouden zijn verbonden, indien die strafbare feiten in

Nederland zouden zijn gepleegd en bestraft. Er wordt contact opgenomen met het Openbaar

Ministerie (OM) voor de vraag welke straf in Nederland voor het betreffende strafbare feit zou zijn

gevorderd, waarbij wordt aangesloten bij de gepubliceerde richtlijnen van het OM met betrekking tot

de eis van de Officier van Justitie ter zitting.

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder conform het beleid heeft gehandeld door het OM om advies

te vragen over de vraag welke straf naar Nederlandse maatstaven zou worden geëist als eiser het

misdrijf in Nederland zou hebben gepleegd. Tussen partijen is niet in geschil dat het OM deskundig

is om over deze kwestie te adviseren. Er zijn geen concrete aanknopingspunten om aan de

kwaliteit van het uitgebrachte advies te twijfelen.

7. De rechtbank is echter van oordeel dat hiermee geen antwoord is gekomen op de vraag welke straf

eiser in Nederland zou zijn opgelegd, terwijl dat op grond van het weergegeven artikel 3.86, derde

lid, van het Vb 2000, wel vereist is. Het staat niet vast of eiser in Nederland 1 jaar gevangenis zou

zijn opgelegd; het advies van het OM geeft slechts houvast over de straf die in Nederland zou zijn

geëist.

8. Verweerder heeft op basis van het advies van het OM dan ook niet kunnen concluderen dat aan

artikel 3.86 van het Vb 2000 is voldaan. Eisers beroep is reeds hierom gegrond. De rechtbank

vernietigt het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De overige

gronden behoeven geen bespreking.

9. De rechtbank wijst er op dat het weergegeven beleid dus niet aansluit op de eisen die artikel

3.86, derde lid, van het Vb 2000, stelt aan de zogenoemde strafmaatvergelijking.

Ongewenstverklaring

10. Uit het bestreden besluit tot ongewenstverklaring blijkt dat de veroordeling van eiser door de

Duitse strafrechter en het strafmaatadvies van het OM bepalend zijn geweest bij de

ongewenstverklaring van eiser. Verweerder heeft daarmee conform het beleid gehandeld; paragraaf

A5/2, onder ad b. van de Vc 2000 verklaart artikel 3.86 van het Vb 2000 van toepassing op de

ongewenstverklaring.

11. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 7 en 8 van deze uitspraak geoordeeld dat verweerder in

deze zaak niet heeft kunnen vaststellen dat is voldaan aan de vereisten van artikel 3.86, derde lid, van

het Vb 2000. Om die reden kan het besluit tot ongewenstverklaring evenmin stand houden. De

rechtbank vernietigt het besluit tot ongewenstverklaring en verklaart het beroep in zoverre gegrond.

Verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd

12. Uit het bestreden besluit tot afwijzing van de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel

voor onbepaalde tijd blijkt dat daarbij bepalend is geweest dat eiser niet drie

achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft gehad.

Eiser is op 4 december 2001 in het bezit gesteld van een verblijfvergunning met ingang van 28 juni 2001, geldig tot 28 juni 2004. Aan dit rechtmatig verblijf is een eind gekomen door de intrekking van die vergunning met terugwerkende kracht tot 31 januari 2004, de datum van de veroordeling door de Duitse strafrechter.

13. Deze intrekking heeft de rechtbank, zoals in rechtsoverweging 8 van deze uitspraak is overwogen, vernietigd. Om die reden kan het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd evenmin stand houden. De rechtbank zal dit besluit dan ook vernietigen en het beroep op dit punt gegrond verklaren.

14. De rechtbank zal verweerder een termijn van 8 weken stellen om, met inachtneming van deze uitspraak, nieuwe besluiten te nemen.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

15. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

16. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist. Het verzoek wordt afgewezen.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

17. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1288 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (2 maal 1 punt voor de beroepschriften, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

18. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 en artikel 8:82, vierde lid van de Awb wijst de rechtbank, respectievelijk de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

IV . BESLISSING

De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 08/23367:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 08/37916:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit tot ongewenstverklaring;

- vernietigt het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd;

In beide zaken:

- bepaalt dat verweerder binnen 6 weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 08/23369:

- wijst het verzoek af;

In alle zaken:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 1288,-- (twaalfhonderdachtentachtig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht van € 290, -- (tweehonderdnegentig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen - van der Hoek, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2009.

Afschrift verzonden op:

Conc: EW

Coll:

D: B

Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.