Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI4386

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
AWB 09/10479
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onvoldoende voortvarend / uitzetting naar Irak / opmaken EU-staat

.

Verweerder heeft de volgende informatie verstrekt over het opmaken van een EU-staat.

- Alle gegevens worden digitaal ingevuld in een voorgedrukt EU-staatformulier en uitgeprint.

- De DT&V maakt het document op en geeft het af namens het Ministerie van Justitie.

- Vereist zijn de personalia, de nationaliteit, de plaats van vertrek en een pasfoto.

- De EU-staat kan binnen 15 minuten worden opgemaakt.

- De afgifte is een administratieve handeling. Hieraan voorafgaand dient duidelijk te zijn dat er geen andere manieren zijn waarop de vreemdeling kan worden uitgezet. Daarnaast is vooraf onderzoek nodig om te bepalen of de toegang op een EU-staat naar het betreffende land enigszins gewaarborgd is.

Gesteld noch gebleken is dat na de vaststelling van eisers nationaliteit diende te worden onderzocht of eiser op een andere wijze dan met een EU-staat naar Irak kon worden uitgezet en of zijn toegang tot Irak op vertoon van de EU-staat voldoende was gewaarborgd. Verder staat vast dat verweerder geen uitzettingshandelingen heeft verricht in afwachting van de afgifte van de EU-staat. Door bijna een maand na de vaststelling van eisers nationaliteit de EU-staat op te maken en af te geven heeft verweerder onvoldoende voortvarend gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 96 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 09/10479

V-nr.: [..]

inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum], van (gestelde) Irakese nationaliteit, verblijvende op de Detentieboot te Dordrecht, eiser,

gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.R. Toussaint, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 7 november 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Eerdere beroepen tegen de oplegging dan wel voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel zijn door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard, laatstelijk bij uitspraak van 12 februari 2009

Bij beroepschrift van 25 maart 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 10 april 2009. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Op 14 april 2009 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere inlichtingen te verstrekken. Bij faxbericht van 16 april 2009 heeft verweerder nadere inlichtingen verstrekt. Eiser heeft hierop bij faxbericht van eveneens 16 april 2009 gereageerd. Beide partijen hebben toestemming verleend de zaak zonder nadere zitting af te doen. De rechtbank heeft het onderzoek op 20 april 2009 gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Verweerder heeft onvoldoende voortvarend gehandeld. Bij de presentatie van eiser bij de Irakese autoriteiten op 28 januari 2009 is eisers nationaliteit bevestigd. Kennelijk is er op 26 februari 2009 een akkoord gekomen want op 27 februari 2009 is verzocht om een vlucht voor eiser te boeken. Verweerder had echter direct na 28 januari 2009 met dit traject kunnen beginnen. Eiser ziet niet in waarom het twee à drie maanden moet duren voordat hij uitgezet kan worden. Het feit dat een vlucht met escorte moet worden geboekt en de beperkte uitzettingscapaciteit naar Irak verklaren dit tijdsverloop niet. Eiser is van mening dat dit een rookgordijn is. Uitzettingen naar Irak vinden geregeld plaats, altijd begeleid door de marechaussee. Er wordt gevlogen via Amman. Daar moet worden overgestapt. Dan moet er altijd begeleiding zijn, want geen enkele Irakees gaat vrijwillig terug. Voor zover eiser bekend doen de Irakese autoriteiten niet moeilijk over de aantallen. Tenzij de capaciteit van verweerder onvoldoende is, zou het mogelijk moeten zijn eiser sneller uit te zetten. Eiser verzoekt om aanhouding van de zaak om verweerder nadere informatie met betrekking tot de termijn waarop een EU-staat kan worden afgegeven. Het is onredelijk dat eiser de dupe wordt van verweerders opstartproblemen.

Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Op 28 januari 2008 is inderdaad een nationaliteitsverklaring voor eiser afgegeven. Dit heeft echter alleen betrekking op het vaststellen van eisers nationaliteit en niet op het afgeven van een EU-staat. Pas op 26 februari 2009 is de EU-staat afgegeven, is een vertrekgesprek met eiser gevoerd en is het verzoek gedaan een vlucht voor eiser te boeken. Daarna gaat er enige tijd overheen voordat de vluchtdatum bekend is. Daar komt bij dat het aanvragen van een vlucht met escorte altijd voor een vertraging van een paar weken zorgt. De beslissing voor uitzetten onder begeleiding van een escorte ligt bij Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V), dit wordt echter alleen gedaan als het echt nodig is. Voorts is het niet zo dat Irakezen in groepen worden uitgezet. Er wordt per keer slechts een klein aantal personen uitgezet. Het traject loopt nog niet zo lang en wordt geleidelijk opgebouwd. Er wordt gekeken naar de knelpunten en dergelijke. Het zou niet verstandig zijn en risicovol om meteen grote groepen uit te zetten. Tot medio maart 2009 zijn er in totaal 15 personen uitgezet, waarvan de meeste op een EU-staat en één met een paspoort. De aantallen nemen toe maar het is niet zo dat Irakezen in groten getale tegelijk worden uitgezet. Het aanvragen van een EU-staat heeft een maand geduurd, dit gaat niet van de ene dag op de andere. Het was dan ook niet mogelijk eiser eerder dan 22 april 2009 uit te zetten.

De rechtbank heeft op 14 april 2009 het onderzoek heropend en verweerder verzocht de volgende vragen te beantwoorden.

1. Welke handelingen moeten worden verricht ter afgifte van een EU-staat?

2. Door wie wordt het document afgegeven?

3. Welke informatie is noodzakelijk voor de afgifte van het document?

4. Hoeveel tijd is er normaal gesproken gemoeid met de afgifte van het document?

5. Is de afgifte ervan een administratieve handeling of is er nog onderzoek nodig?

Bij faxbericht van 16 april 2009 heeft verweerder deze vragen als volgt beantwoord.

1. Alle gegevens worden digitaal ingevuld in een voorgedrukt EU-staatformulier en uitgeprint.

2. De DT&V maakt het document op en geeft het af namens het Ministerie van Justitie.

3. Voor de afgifte zijn de personalia van de vreemdeling nodig, de nationaliteit, de plaats van vertrek en een pasfoto.

4. Omdat er gebruik wordt gemaakt van een voorgedrukt formulier kan dit binnen 15 minuten worden opgemaakt.

5. De afgifte is een administratieve handeling. Hieraan voorafgaand dient duidelijk te zijn dat er geen andere manieren zijn waarop de vreemdeling kan worden uitgezet. Daarnaast is vooraf onderzoek nodig om te bepalen of de toegang op een EU-staat naar het betreffende land enigszins gewaarborgd is.

De gemachtigde van eiser heeft per fax van eveneens 16 april 2009 op de antwoorden van verweerder gereageerd. Eiser persisteert in hetgeen ter zitting van 10 april 2009 naar voren is gebracht. Uit verweerders reactie blijkt dat het opstellen van een EU-staat een eenvoudige handeling is waarvoor geen nader onderzoek vereist is. Eisers (aanstaande) uitzetting had veel eerder gerealiseerd kunnen en moeten worden. Verweerder heeft onvoldoende voortvarend gehandeld.

De rechtbank overweegt het volgende.

Het onderhavige beroep is het vierde beroep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. Thans dient te worden beoordeeld of de voortgezette toepassing daarvan gerechtvaardigd is te achten.

Tussen partijen is onder meer in geschil of verweerder voortvarend heeft gehandeld bij het voorbereiden van eisers uitzetting met behulp van een EU-staat.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiser op 28 januari 2009 is gepresenteerd bij de Irakese autoriteiten. Bij deze gelegenheid is zijn Irakese nationaliteit vastgesteld. Op 27 februari 2009 is een EU-staat afgegeven en heeft de Afdeling bijzonder vertrek van de DT&V een verzoek gedaan aan het bureau boekingen om een vlucht te boeken naar Irak.

De rechtbank overweegt dat uit de door verweerder op 16 april 2009 verstrekte aanvullende informatie is gebleken dat het opmaken van een EU-staat een kwestie is van het door DT&V invullen en uitprinten van eisers gegevens op een voorgedrukt formulier, dat ongeveer 15 minuten in beslag neemt en waarvoor geen nader onderzoek noodzakelijk is. Gesteld noch gebleken is dat na de vaststelling van eisers nationaliteit diende te worden onderzocht of eiser op een andere wijze dan met een EU-staat kon worden uitgezet en of zijn toegang tot Irak op vertoon van de EU-staat voldoende was gewaarborgd. Verder staat vast dat verweerder geen uitzettingshandelingen heeft in afwachting van de afgifte van de EU-staat. Door eerst op 27 februari 2009, bijna een maand na de vaststelling van eisers nationaliteit, de EU-staat op te maken en af te geven heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voortvarend gehandeld.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 7 november 2008, (LJN: BG4449) heeft overwogen bestaat er, in geval vastgesteld wordt dat onvoldoende voortvarendheid is betracht met handelingen ter voorbereiding van de uitzetting, geen ruimte om de bewaring niettemin toch als rechtmatig aan te merken na een afweging van de met de bewaring gediende belangen tegen de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

De rechtbank overweegt voorts dat zij laatstelijk op 12 februari 2009 uitspraak heeft gedaan in de onderhavige zaak. In deze uitspraak is geconstateerd dat verweerder tot dat moment voldoende voortvarend heeft gehandeld.

Hieruit volgt dat de voortzetting van de bewaring met ingang van 13 februari 2009 onrechtmatig is te achten. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande 21 april 2009.

De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid om schadevergoeding toe te kennen als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 en wel tot een bedrag van € 80,-- per dag dat eiser in een Huis van Bewaring aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal € 5.360.—(67 x € 80,--).

Gelet op het voorgaande is er voorts aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,--, als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingaande 21 april 2009 wordt opgeheven;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 5.360,-- (zegge: vijfduizend driehonderd en zestig euro), te betalen aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge:

zeshonderd vier en veertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 21 april 2009 door mr. H.J. Fehmers, voorzitter, in tegenwoordigheid van M.M.J. Mooijer, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden op: 21 april 2009

Conc.: MM

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.