Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI4381

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-03-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
AWB 09/02617 & 09/02804
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing vovo, individueel ambtsbericht AIVD, schending artikel 8 EVRM. Controle door de rechter mogelijk niet voldoende voor “adversarial proceedings”, en voorlopige voorzieningenprocedure niet geschikt voor onderzoek bij AIVD.

Niet is in geschil dat de ongewenstverklaring inbreuk maakt op het gezinsleven van verzoeker. Evenmin is in geschil dat uit de arresten Al-Nashif van 20 juni 2002 (JV 2002, 239) en Lupsa van 8 juni 2006 (Jv 2006, 311) volgt dat inzage in de onderliggende stukken van een individueel ambtsbericht door de rechter nodig is wil er sprake kunnen zijn van “adversarial proceedings”. Het geschil spitst zich toe op de vraag of uit recente jurisprudentie van het EHRM volgt dat controle door de rechter niet voldoende is om te kunnen spreken van “adversarial proceedings”. De voorzieningenrechter overweegt dat met name het arrest CG tegen Bulgarije van 24 april 2008 (JV 2008, 464) lijkt te suggereren dat in sommige zaken meer nodig is dan alleen inzage door de rechter. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat in casu niet voldoende eerlijke en redelijke gelegenheid is geboden om de feiten te weerspreken en om concrete aanknopingspunten voor twijfel aan juistheid en/of volledigheid van het ambtsbericht aan te voeren. Deze twijfel wordt gevoed door het feit dat verweerder zonder zelf te weten wat het onderliggende bewijs van de AIVD is en zonder tegenbewijs(aanbod) van verzoeker aan de AIVD voor te leggen het door verzoeker aangedragen tegenbewijs(aanbod) als irrelevant terzijde heeft geschoven. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningrechter kan dan ook niet worden uitgesloten dat de bestreden besluiten reeds om die reden in strijd zijn met de recente jurisprudentie van het EHRM. De vraag welke eisen op basis van de recente jurisprudentie van het EHRM moeten worden gesteld aan “adversarial proceedings” is dermate complex dat die zich niet leent voor enkelvoudige behandeling, maar zal in een eventuele beroepsfase door de meervoudige kamer worden behandeld. Gezien het bovenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist.

Reeds gelet op het eerder overwogene ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding in deze fase inzage in de stukken van de AIVD te vragen. Maar ook overigens is de voorzieningenrechter van oordeel dat de voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent voor een dergelijk onderzoek. Immers deze procedure wordt gekenmerkt door korte termijnen, een enkelvoudige behandeling, en een voorlopig karakter. Een onderzoek naar de achterliggende stukken bij de AIVD is niet alleen een tijdrovende, maar met name een complexe aangelegenheid. Deze complexiteit is niet alleen gelegen in het onderzoek zelf maar ook in beperkingen die door de AIVD worden opgelegd met betrekking tot de mogelijkheid van het documenteren van de bevindingen. Dit gegeven, gecombineerd met de zwaarwegende belangen die op het spel staan en de mogelijke onomkeerbaarheid van de gevolgen van de beslissing, leidt tot het oordeel dat het onderzoek door drie rechters moet worden gedaan.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/273
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

vreemdelingenkamer

voorzieningenrechter

Uitspraak

artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 09/02617 & 09/02804

V-nr.: [..]

inzake: [verzoeker], geboren op [geboortedatum], van Marokkaanse nationaliteit, wonende te Den Haag, verzoeker,

gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. G.M. Hoogvliet, advocaat bij Pels Rijcken & Drooglever Fortuijn, advocaten en notarissen te ’s-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 8 december 2008 heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier met als beperking “verblijf echtgenote [echtgenote]” van verzoeker ingetrokken. Voorts heeft verweerder verzoeker bij besluit van 8 december 2008 ongewenst verklaard. De besluiten vermelden onder meer de rechtsgevolgen dat verzoeker na bekendmaking van de besluiten niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat verzoeker Nederland onmiddellijk uit eigen beweging moet verlaten. Op 11 december 2008 heeft verzoeker afzonderlijke bezwaren gemaakt tegen deze besluiten. Deze bezwaren schorten de rechtsgevolgen van de besluiten niet op.

2. Bij brief van 11 december 2008 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op de bezwaren tegen de besluiten is beslist. Tevens is verzocht de rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring op te schorten. De gronden van het verzoek zijn ingediend bij brief van 22 december 2008.

3. Het verzoek om een voorlopige voorziening is op 26 januari 2009 ingetrokken. Op 26 januari 2009 is verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld. Verzoeker heeft vervolgens op 26 januari 2009 twee verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend connex aan beide bezwaarschriften teneinde te voorkomen dat verzoeker wordt uitgezet hangende de bezwaarprocedures.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2009. Verzoeker is aldaar bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

5. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. Op 28 oktober 2008 heeft de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) een ambtsbericht met betrekking tot verzoeker naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gestuurd. Dit ambtsbericht vermeldt het volgende: “[verzoeker] is een sympathisant van de internationale gewelddadige jihad en heeft contacten met gelijkdenkenden. Enkele van deze contacten verblijven in Libanon. [verzoeker] heeft aangegeven te willen participeren in de internationale jihad en ondersteunt zijn contacten in Libanon onder meer middels het beschikbaar stellen van geld ten behoeve van de internationale gewelddadige jihad. Gelet op het bovenstaande acht de AIVD [verzoeker] een gevaar voor de nationale veiligheid.”

2. Verzoeker woont in Nederland met zijn (Canadese) vrouw en drie kinderen. Zijn kinderen hebben de Marokkaanse, Nederlandse en Canadese nationaliteit. Met zijn kinderen spreekt verzoeker Nederlands en een paar woorden Marokkaans. Verzoekers vrouw spreekt slechts een paar woorden Marokkaans. Het oudste kind gaat naar school en de jongste twee gaan naar de peuterschool. Verzoeker en zijn gezin leven van een uitkering. Verzoekers vrouw studeert en verzoeker verzorgt het gezin.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder heeft in de bestreden besluiten en ter zitting het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover relevant - aangevoerd.

inzake de intrekking van verzoekers verblijfsvergunning:

1.1. Verzoeker kan geen rechten ontlenen aan de Europese gezinsherenigingrichtlijn (2003/86 EG) (de Richtlijn). De Richtlijn is van toepassing op gezinsleden van gemeenschapsonderdanen en niet op burgers van de Unie. In het licht hiervan hoeft niet meer ingegaan te worden op de vraag of de situatie waarin gezinsleden van eigen onderdanen minder gunstig worden behandeld dan gezinsleden van andere lidstaten een niet te tolereren discriminatie vormt.

1.2. Een ambtsbericht waarbij de AIVD, de bij uitstek deskundige dienst om het belang van de nationale veiligheid te bewaken, rapporteert dat een vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid weegt voor de staatssecretaris bijzonder zwaar. De aantijgingen uit het ambtsbericht zijn dusdanig ernstig dat het belang van de bescherming van de nationale veiligheid alsmede het voorkomen van strafbare feiten en de bescherming van rechten en vrijheden van anderen zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker bij een ongestoord familie- of gezinsleven, waardoor verzoeker verblijf in Nederland dient te worden geweigerd. Derhalve levert de intrekking van verzoekers verblijfsvergunning geen schending op van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

1.3. Er is wel degelijk voldaan aan de vereisten die zijn te destilleren uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). De procedure voldoet aan de eisen die met name uit het Al Nashif-arrest van 20 juni 2002 (JV 2002, 239) zijn af te leiden. Aan dat arrest kan een aantal conclusies worden verbonden namelijk:

- dan niet reeds bij het oordeel van een nationale autoriteit dat sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid die conclusie ook een gegeven is:

- dat het niet openbaar maken van alle gegevens, van technieken en van bronnen gerechtvaardigd is:

- dat onafhankelijke controle mogelijk moet zijn.

Recentere jurisprudentie van het EHRM noopt niet tot het bijstellen van die conclusies. In de overwegingen van het Al Nashif-arrest waarnaar het Hof in het Lupsa-arrest van 8 juni 2006 (JV 2006, 311) in dit kader verwijst wordt gesproken over de noodzaak van “adversarial proceedings” voor een onafhankelijk orgaan dat bevoegd is tot inhoudelijk onderzoek. Er moet sprake zijn van de mogelijkheid dat het individu ten aanzien van wie de maatregel is genomen naar voren kan brengen dat de afweging en de beoordeling van de autoriteiten niet kloppen en dat het onafhankelijk orgaan moet kunnen nagaan of de conclusie van de autoriteiten inderdaad ergens op is gebaseerd. Niet kan uit de jurisprudentie van het EHRM worden afgeleid dat betrokkene zelf inzage zou moeten hebben in de onderliggende stukken, dan wel dat een door hem aangewezen speciale vertegenwoordiger die inzage zou moeten hebben. De opmerking van het EHRM over “a special representative” ziet dus kennelijk op een vertegenwoordiger van het onafhankelijk orgaan dat de maatregel moet toetsen. In onderhavige zaak is duidelijk wat de AIVD ten aanzien van verzoeker op het spoor is gekomen en wat hem wordt verweten. Ook de voorzieningenrechter heeft de mogelijkheid om na te gaan of voor de getrokken conclusie dat verzoeker een gevaar vormt voor de nationale veiligheid voldoende grondslag bestaat.

inzake verzoekers ongewenstverklaring:

1.4. Verzoeker kan ongewenst worden verklaard op grond van artikel 67, lid 1, aanhef en onder c van de Vw 2000. Het is aan de Nederlandse autoriteiten om het gevaar voor de nationale veiligheid zo goed mogelijk te keren en het belang van de internationale betrekkingen te bewaken.

1.5. De staatssecretaris mag afgaan op een ambtsbericht van de bij uitstek deskundige instantie, de AIVD. Dat de staatssecretaris niet gehouden is de achterliggende stukken in te zien is inmiddels een aantal keren in de jurisprudentie bevestigd. De weg die hier voor de hand ligt is de onafhankelijke controle door de rechter van de achterliggende stukken bij het ambtsbericht. Verweerder meent dat de voorzieningenrechter in een situatie waarin de AIVD heeft gerapporteerd dat een vreemdeling een gevaar voor de nationale veiligheid vormt de onderliggende stukken van het ambtsbericht zou moeten inzien.

2.. Verzoeker heeft het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover relevant - aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.

2.1. Alleen als de intrekking van de verblijfsvergunning op de nationale veiligheidsgronden rechtmatig is, is de ongewenstverklaring op deze grond ook rechtmatig. Verzoeker heeft procesbelang bij de beoordeling van de intrekking van zijn verblijfsvergunning op deze grond: is die onrechtmatig, dan is automatisch de daaruit volgende ongewenstverklaring dat ook.

2.2. Verweerder heeft het belang van de internationale betrekkingen niet gemotiveerd.

2.3. Het EHRM overwoog in het arrest CG tegen Bulgarije ( 24 april 2008, JV 2008,264) dat tegenover de inherente vaagheid van nationale veiligheidsgronden ook zaken, waarin deportatiemaatregelen fundamentele mensenrechten raken, onderworpen moeten zijn aan “some form of adversarial proceedings before an independent authority or a Court competent to effectively scrutinize the reasons for them and review the relevant evidence, if need be with a appropriate procedural limitation on the use of classified information.” Voorts behelst het recht op een effective remedy zoals neergelegd in artikel 13 van het EVRM, nog meer: “some form of adversarial proceedings, if need be through special representative following security clearance”. Rechterlijke inzage is dus niet genoeg: een vorm van tegenspraak moet mogelijk zijn. Niet de enkele aanwezigheid van de procedures, maar of zij een effective remedy in de zin van artikel 13 van het EVRM zijn, is relevant.

2.4. Het principe van “adversarial proceedings” wordt door het EHRM in voornoemde uitspraak ook uitgewerkt. Naast het vereiste dat nationale rechters zorgvuldig moeten onderzoeken of het bestuur de feitelijke basis voor zijn vaststelling aan kan tonen, moet aan de vreemdeling ook informatie worden verstrekt met betrekking tot de feiten die hebben geleid tot de vaststelling door het bestuur dat hij een gevaar voor de nationale veiligheid vormt. Bovendien moet de vreemdeling een “fair and reasonable opportunity” krijgen om die feiten te weerspreken en om concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en/of volledigheid van het ambtsbericht aan te voeren. Die eerlijke en redelijke mogelijkheid heeft verzoeker tot op heden niet gehad. Verzoeker verwijst naar het arrest Gulijev v. Litouwen van het EHRM van 16 december 2008 ter onderbouwing van de stelling dat het EHRM bij inbreuk op het gezinsleven objectief en voldoende hard bewijs eist dat daadwerkelijk sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid. Een ambtsbericht bestaande uit vier zinnen waarvan één de conclusie is zoals in het onderhavige geval is daarvoor niet voldoende.

2.5. Verweerder stelt in zijn verweerschrift dat alles wat verzoeker tegen het AIVD-ambtsbericht heeft aangevoerd geen concrete aanknopingspunten voor twijfel vormen. Verweerder kan dat echter helemaal niet beoordelen, omdat verweerder geen inzage heeft gehad in de onderliggende stukken van het AIVD-ambtsbericht. Verzoeker heeft aangeboden al zijn bankafschriften over te leggen, om aan te tonen dat hij geen geld beschikbaar heeft gesteld voor de Jihad. Daar wordt tegenover gesteld dat dit niet noodzakelijkerwijs inzicht geeft in al verzoekers financiële middelen en transacties. Maar dat is niet van belang. Van belang is of het aangeboden bewijs de bewijsmiddelen van de AIVD weerlegt. Zonder inzicht hierin kan het bewijsaanbod niet als irrelevant terzijde worden geschoven: immers als de AIVD geconstateerd meent te hebben dat verzoeker geld overmaakt via zijn bankrekening aan de internationale gewelddadige jihad, dan kan met de bankafschriften wel degelijk worden bewezen dat die verdenking onjuist is. De conclusie dat het bewijsaanbod onvoldoende is, heeft zonder kennis van de onderliggende stukken geen enkel fundament. Hetzelfde geldt voor de beschuldiging, dat verzoeker sympathisant van de internationale gewelddadige jihad is en contact met gelijkdenkenden heeft. En hetzelfde geldt natuurlijk ook weer voor de stelling dat verzoeker zou hebben aangegeven te willen participeren in de jihad. Hiertoe heeft verzoeker msn-contacten overgelegd die, als het die msn-contacten zijn die de AIVD tot deze conclusie hebben geleid, wel degelijk een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan het individueel ambtsbericht opleveren. Verweerder volstaat echter met de stelling dat tegenargumenten geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het AIVD-ambtsbericht opleveren. Iedere serieuze beoordeling van de vraag of ze dat misschien toch zijn, is in deze zaak achterwege gelaten. Dat maakt de besluitvorming in deze concrete zaak ook bijzonder onzorgvuldig en in strijd met het EVRM nu eiser geen “fair and reasonable opportunity” heeft gekregen om de feiten te weerspreken en om concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en/of volledigheid van het ambtsbericht aan te voeren. De huidige motiveringen kunnen de toets aan de artikelen 3:46 en 7:12 van de Awb dan ook niet doorstaan.

2.6. De besluitvorming van verweerder is in strijd met het nationale recht, omdat de Awb in de artikelen 3:4 en 4:48 verweerder dwingend voorschrijft zelf een belangenafweging uit te voeren. Verzoeker is voorts van mening dat ook het internationale recht dwingt tot een belangenafweging. Verzoeker verwijst hiertoe naar artikel 8, tweede lid, van het EVRM en de jurisprudentie die daarop is gebaseerd. De belangen van verzoeker en zijn gezinsleden zijn hier buitengewoon groot en de feiten die hem worden tegengeworpen nogal dubieus. Als de onderhavige zaak wordt vergeleken met het arrest Boultif dan vallen drie dingen op: verzoeker is nooit met justitie in aanmerking geweest, de problemen voor zijn vrouw om zich in Marokko te vestigen zijn even groot als de problemen van mevrouw Boultif om zich in Algerije te vestigen, en verzoeker heeft drie kinderen. De belangenafweging die tot op heden is uitgevoerd – zo die al kenbaar is – is volstrekt onvoldoende om aan te nemen dat verblijfsbeëindiging gerechtvaardigd is.

2.7. Subsidiair verzoekt verzoeker op grond van artikel 8:45 juncto artikel 8:29 van de Awb de onderliggende stukken van het AIVD-ambtsbericht op te vragen en in te zien, alvorens een definitieve beslissing te nemen. Daaraan knoopt verzoeker het verzoek vast om in ieder geval voor de tussenliggende periode te beslissen dat verzoeker niet mag worden uitgezet. Verzoeker stelt zich bovendien op het standpunt dat in de Europees-rechtelijke jurisprudentie wordt vastgesteld dat wanneer de rechter de onderliggende stukken niet inziet dat in ieder geval sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorzieningen te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De gevraagde voorzieningen strekken ertoe de gevolgen van de ongewenstverklaring te schorsen en uitzetting te verbieden totdat is beslist op de bezwaren.

3. De voorzieningenrechter concludeert dat, nu verzoeker ongewenst is verklaard hij geen belang heeft bij de procedure omtrent de intrekking van zijn verblijfsvergunning. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in die procedure (AWB 09/ 02617) af. De vragen naar de rechtvaardigheid van de intrekking moeten worden beoordeeld bij de vraag naar de rechtmatigheid van de ongewenstverklaring op basis van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker wel belang heeft bij de procedure omtrent zijn ongewenstverklaring. Verzoeker heeft verzocht om een verbod tot uitzetting totdat op het bezwaarschrift tegen zijn ongewenstverklaring is beslist, alsmede opschorting van de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring voor dezelfde periode.

5. In rechtsoverweging 40 van het arrest CG tegen Bulgarije ( 24 april 2008, JV 2008, 264), heeft het EHRM overwogen dat: “However even where national security is at stake, the concepts of lawfulness and the rule of law in a democratic society require that deportation measures affecting fundamental human rights be subject to some form of adversarial proceedings before an independent authority or a court competent to effectively scrutinise the reasons for them and review the relevant evidence, if need be with appropriate procedural limitations on the use of classified information”.

6. Niet is in geschil dat de ongewenstverklaring inbreuk maakt op het gezinsleven van verzoeker. Evenmin is in geschil dat uit de arresten Al-Nashif van 20 juni 2002 (JV 2002, 239) en Lupsa van 8 juni 2006 (JV 2006, 311) volgt dat inzage in de onderliggende stukken van een individueel ambtsbericht door de rechter nodig is wil er sprake kunnen zijn van “adversarial proceedings”.

7. Primair is in geschil de vraag of de inbreuk op het gezinsleven “bij de wet is voorzien” en of deze “noodzakelijk is in een democratische samenleving”, een en ander als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Het geschil spitst zich toe op de vraag of uit recente jurisprudentie van het EHRM volgt dat controle door de rechter niet voldoende is om te kunnen spreken van “adversarial proceedings”. De voorzieningenrechter overweegt dat met name het arrest CG tegen Bulgarije lijkt te suggereren dat in sommige zaken meer nodig is dan alleen inzage door de rechter. De voorzieningenrechter constateert evenwel dat het onderhavige geval verschilt van de zaak die ten grondslag lag aan voornoemde arrest van het EHRM. In die zaak was enkel geconcludeerd dat de vreemdeling een gevaar was voor de nationale veiligheid zonder de feitelijke gronden aan te geven waarop deze conclusie rustte. In het onderhavige geval zijn de feitelijke gronden waarop de conclusie dat verzoeker een gevaar vormt voor de nationale veiligheid wel enigszins bekend. Zo zou verzoeker een sympathisant zijn van de internationale gewelddadige jihad, contact hebben met gelijkdenkenden in Libanon en financiële ondersteuning hebben gegeven. Daarnaast zou verzoeker hebben aangegeven te willen participeren in de internationale gewelddadige jihad. De voorzieningenrechter sluit evenwel niet uit dat hiermee alsnog niet voldoende eerlijke en redelijke gelegenheid is geboden om de feiten te weerspreken en om concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en/of volledigheid van het ambtsbericht aan te voeren. Deze twijfel wordt gevoed door het feit dat verweerder zonder zelf te weten wat het onderliggende bewijs van de AIVD is en zonder het tegenbewijs(aanbod) van verzoeker aan de AIVD voor te leggen het door verzoeker aangedragen tegenbewijs(aanbod) als irrelevant terzijde heeft geschoven. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan dan ook niet worden uitgesloten dat de bestreden besluiten reeds om deze reden in strijd zijn met de recente jurisprudentie van het EHRM. De vraag welke eisen op basis van de recente jurisprudentie van het EHRM moeten worden gesteld aan “adverserial proceedings” is dermate complex dat die zich niet leent voor enkelvoudige behandeling, maar zal in de eventuele beroepsfase door de meervoudige kamer worden behandeld.

8. Nu niet in geschil is dat de inbreuk die de ongewenstverklaring op het gezinsleven zal maken niet is toegestaan voordat er sprake is geweest van een “adverserial proceeding” en – zoals hiervoor is overwogen – de meervoudige kamer in een eventuele beroepsprocedure zal moeten beoordelen of daarvoor inderdaad meer wordt vereist dan rechterlijke inzage in de stukken van de AIVD, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter ziet evenwel geen aanleiding om op dit moment een verdergaande voorziening toe te wijzen. Hierbij wordt overwogen dat nu verzoeker in vreemdelingenbewaring zit, geen strafrechtelijke vervolging dreigt en in verband met de ongewenstverklaring geen rechtmatig verblijf kan worden verkregen.

9. Reeds gelet op het onder IV.7. overwogene ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding in deze fase inzage in de stukken van de AIVD te vragen. Maar ook overigens is de voorzieningenrechter van oordeel dat de voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent voor een dergelijk onderzoek. Immers, deze procedure wordt gekenmerkt door korte termijnen, een enkelvoudige behandeling, en een voorlopig karakter. Een onderzoek naar de achterliggende stukken bij de AIVD is niet alleen een tijdrovende, maar met name een complexe aangelegenheid. Deze complexiteit is niet alleen gelegen in het onderzoek zelf maar ook in de beperkingen die door de AIVD worden opgelegd met betrekking tot de mogelijkheid van het documenteren van de bevindingen. Dit gegeven, gecombineerd met de zwaarwegende belangen die op het spel staan en de mogelijke onomkeerbaarheid van de gevolgen van de beslissing, leidt tot het oordeel dat het onderzoek door drie rechters moet worden gedaan.

10. De voorzieningenrechter is zich terdege bewust van het belang van verweerder om met voortvarendheid de uitzetting te kunnen realiseren indien de nationale veiligheid op het spel staat, maar ziet hierin geen reden om met voorbijgaan aan het hiervoor overwogene alsnog enkelvoudig de achterliggende stukken bij de AIVD te beoordelen. Hierbij wordt overwogen dat verweerder het zelf in de hand heeft hoe spoedig wordt beslist op het bezwaar en dat in de eventuele beroepsfase om spoedige behandeling kan worden verzocht. Daarnaast overweegt de rechtbank dat met het toewijzen van het uitzetverbod nog niet de vreemdelingenbewaring wordt opgeheven. Daarmee lijkt het acute gevaar voor de nationale veiligheid te moeten worden gerelativeerd.

11. De overige geschilpunten kunnen onbesproken blijven, nu die de reden voor toewijzing van een verzoek om een voorlopige voorziening onverlet laten.

12. De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:84, vierde lid, jo artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het toegewezen verzoek bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor de voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

13. Onder de gegeven omstandigheden is er aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:82, vierde lid, van de Awb, waarin is bepaald dat de uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de voorzieningenrechter.

V. BESLISSING

De voorzieningenrechter

inzake AWB 09/02617

1. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot de intrekking van verzoekers verblijfsvergunning af;

inzake AWB 09/02804

2. verbiedt de uitzetting van verzoeker totdat is beslist op het bezwaarschrift inzake de ongewenstverklaring;

3. wijst het verzoek voor het overige af;

4. veroordeelt verweerder in de hierboven bedoelde proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd vier en veertig), te betalen door de Staat der Nederlanden aan verzoeker;

5. bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan verzoeker het griffierecht ad € 145,- (zegge: honderd vijf en veertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2009 in tegenwoordigheid van mr. A.E. Runne, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

Coll.: HF

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.