Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI3953

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-04-2009
Datum publicatie
15-05-2009
Zaaknummer
AWB 09/1223, 1520, 2380 en 2389 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening; artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 19 van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR).

1. Brief houdende mededeling voorlopige functietoewijzing is een voornemen en geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

2. Brief houdende mededeling definitieve functietoewijzing is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en geen informatieve brief.

Beleid met betrekking tot verplichte functietoewijzing voor functies bij KMar Schiphol is op districtsniveau niet op onjuiste wijze tot stand gekomen.

Het beleid met betrekking tot verplichte functietoewijzing, geldend respectievelijk voor de gehele KMar en op disctrictsniveau, niet kennelijk onredelijk of onjuist.

Toewijzing verzoek voorlopige voorziening nu bestreden besluit niet met de daartoe vereiste zorgvuldigheid is genomen.

3. Brief houdende beslissing definitieve functietoewijzing is, gelet op eerdere mededelingen in beleid en de als besluit aangemerkte brief met mededeling definitieve functietoewijzing, geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Deze brief bevat nadere motivering eerder besluit.

4. Tussen besluit tot definitieve functietoewijzing en besluit tot volgen van de opleiding bestaat nauwe samenhang. Gelet op toewijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak met betrekking tot definitieve functietoewijzing wordt ook hier verzoek toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3

Reg.nrs.: AWB 09/1223, 1520, 2380 en 2389 MAW

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], wonende te [plaats], verzoeker,

vertegenwoordigd door [A],

ter zake van

1.1 de brief van 26 november 2008 van de Commandant Koninklijke Marechaussee (CKMar), verweerder 1, waarbij aan verzoeker op grond van artikel 19, derde lid, en artikel 23 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) voorlopig de functie van Medewerker Grensbewaking (MDW GB) bij de afdeling Brigade Grensbewaking Schiphol (BGS) te Schiphol wordt toegewezen met ingang van 1 maart 2009;

1.2 de brief van 19 februari 2009 van de Commandant District Koninklijke KMarSchiphol, verweerder 2, waarbij verzoeker is geïnformeerd over de definitieve plaatsing per 4 mei 2009 bij BGS en hem is medegedeeld dat hij in dit kader een beschikking zal ontvangen;

1.3 de brief van 2 maart 2009 van verweerder 1, waarbij verzoeker is medegedeeld dat de vooraankondiging wordt omgezet in een definitieve functietoewijzing, onder gelijktijdige ontheffing uit zijn huidige functie. Aan verzoeker wordt per 4 mei 2009 de functie van MDW GB bij de afdeling SPL/BGB/AFD GR 7/DPLGN te Schiphol, Triport 2, toegewezen, met als einddatum 3 mei 2012, onder vermelding van rechtspositionele afspraken met betrekking tot het loopbaanpatroon en de looptijd in rang, de minimale duur functievervulling en een terugkeergarantie;

1.4 de mededeling dat verzoeker wordt geplaatst in de opleiding per 6 april 2009, welke opleiding als voortraject is bestemd van de functietoewijzing met de standplaats Schiphol.

2. Verzoeker heeft bij brief van 24 december 2008 onder meer tegen de brief van 26 november 2008 bezwaar gemaakt. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (AWB 09/1223 MAW).

3. Verzoeker heeft bij brief van 26 februari 2009 bezwaar gemaakt tegen de brief van 19 februari 2009. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (AWB 09/1520 MAW).

4. Verzoeker heeft bij brief van 30 maart 2009 bezwaar gemaakt tegen de brief van 2 maart 2009. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (AWB 09/2380 MAW).

5. Verzoeker heeft bij brief van 30 maart 2009 bezwaar gemaakt tegen de mededeling inzake de plaatsing in de opleiding per 6 april 2009. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (AWB 09/2389 MAW).

De verzoeken zijn op 6 april 2009 ter zitting gevoegd behandeld met de tegen gelijksoortige brieven gerichte zaken van [B], [C], [D], [E], [F], [G], [H] en [I]. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door [A] als zijn raadsman.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [J], mr. [K], dr. [L], Commandant van het District Zuid, en mr. [M], Commandant van het District Noord-Oost.

I OVERWEGINGEN

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Verzoeker is wachtmeester bij de Koninklijke Marechaussee (KMar) bij District Zuid, Brigade Brabant-Zuid. Hij heeft aangevoerd dat verweerder beleid heeft ontwikkeld, dat niet aan de daaraan te stellen eisen van transparantie en evenwichtige beleidsbepaling voldoet en geen juiste uitwerking vormt van de belangenafweging die op grond van artikel 23 van het AMAR dient plaats te vinden. Er is sprake van een motiveringsgebrek, nu niet duidelijk is op welke wijze de bekwaamheid en geschiktheid van verzoeker in aanmerking zijn genomen in relatie tot de voor de functie geldende eisen. Met het oog op de plaatsing bij BGS is verzoeker beoordeeld, met een slechte uitkomst. Een maand later heeft hij een positief advies van zijn Commandant gekregen voor overgang naar fase 3 in het kader van het Flexibel Personeels Systeem (FPS). Deze beoordelingen staan haaks op elkaar. Ten onrechte is niet meegenomen dat verzoeker lijdt aan Familiaire Mediterrane Koorts (hierna: FMK), waarvan de aanvallen één tot vier dagen kunnen duren.

3. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter een afschrift toegezonden van zijn brief van

30 maart 2009, waarbij hij met zijn collega's [B], [C], [D], [E], [F], [G] en [H] aan verweerder heeft verzocht om toezending van stukken waaruit blijkt dat de door verweerder gestelde overeenstemming met de medezeggenschapscommissie (MC) tot uiting komt.

4. Verweerder heeft de voorzieningenrechter bij brief van 3 april 2009 afschriften

toegezonden van drie MC-verslagen van het District Noord-Oost. Volgens verweerder is uit navraag gebleken dat bij District Zuid geen verslagen zijn opgemaakt van het overleg met de MC.

5.1 Artikel 19 van het AMAR, welke versie in werking is getreden op 2 augustus 2006, met terugwerkende kracht tot 5 september 2005, - voor zover hier van belang - luidt als volgt:

1. Functietoewijzing, waarbij aan de duur van de functievervulling een maximum termijn kan worden verbonden, en ontheffing uit de functie geschieden:

c. door de commandant operationeel commando, indien aan de functie een lagere rang is verbonden dan kapitein ter zee/kolonel.

2. De militair is gehouden de hem toegewezen functie te vervullen.

3. Na ontheffing uit de functie volgt in beginsel functietoewijzing, bestemming voor een bijscholingsopleiding of bestemming voor een omscholingsopleiding.

4. Indien de militair buiten staat is de hem toegewezen functie te vervullen, kunnen daaraan door de functietoewijzingsautoriteit, als bedoeld in het eerste lid, consequenties worden verbonden met betrekking tot de toekomstige functietoewijzing.

5.2 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, van het AMAR wordt onder de commandant operationeel commando verstaan de Commandant KMar, voor het desbetreffende commando.

5.3 Ingevolge artikel 23 van het AMAR wordt bij het nemen van een beslissing tot functietoewijzing rekening gehouden met bepaalde factoren.

5.4 Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Beleidsregel aanstelling, functietoewijzing en bevordering Defensie (BAFBD) worden ten aanzien van de bekwaamheid en geschiktheid aan de defensie-ambtenaar algemene en specifieke eisen gesteld met betrekking tot de voor de te vervullen (groepen van) functie(s) vereiste kennis en ervaring, eigenschappen en vaardigheden.

In artikel 12, tweede lid, van de BAFBD is bepaald wat in ieder geval tot de functie-eisen wordt gerekend.

5.5 In de nota van 30 oktober 2008, kenmerk DP&O/2008/51180, met bijlage a heeft verweerder 1 zijn beleid uiteengezet met betrekking tot de vulling van vacatures bij BGS. Indien bepaalde maatregelen om vacatures te vullen bij BGS niet tot voldoende vrijwilligheid leiden, wordt overgegaan tot horizontale (in gelijke rang) functietoewijzing 'niet op verzoek'. Bij wachtmeesters van de districten Noord-Oost, Zuid en Schiphol wordt overgegaan tot voorlopige functietoewijzing per 1 maart 2009. Dit voornemen dient minimaal 2 maanden vóór de datum van ingang van functievervulling aan de militair te zijn bekendgesteld. In januari 2009 wordt pas bekend aan wie definitief een functie wordt toegewezen. De aangewezen militairen zullen in de maand voorafgaand aan de datum van functietoewijzing worden opgeleid op Schiphol.

In bijlage a bij deze nota is uiteengezet dat bij verplichte plaatsing vijf bepaalde groepen personeel worden uitgezonderd van aanwijzing. Voorts is met betrekking tot geschiktheid gerefereerd aan artikel 23 van het AMAR en artikel 12 van het BAFBD. De functies worden toegewezen voor een reguliere periode van functietoewijzing (3 jaar).

5.6 Voorts is binnen de districten Zuid en Noord-Oost per e-mail informatie verstrekt over de vulling van de functies bij BGS.

Zuid

5.6.1 Bij e-mail van 30 oktober 2008 heeft dr. [L], Commandant van het District (hierna: DC) Zuid, uiteengezet dat met vaste plaatsing van een aantal medewerkers gekozen is voor een structurele oplossing van het personeelstekort op Schiphol in plaats van een tijdelijke oplossing, zoals door detachering. Besloten is om alle wachtmeesters van het district, ongeacht de eenheid waar zij geplaatst zijn, in aanmerking te laten komen voor de aanwijzing. Een aantal functies van dit totale bestand wordt beschermd op grond van - met name - de criteria die betrekking hebben op kritische processen. Een en ander wordt afgestemd met district Noord-Oost. Het exacte aantal onvrijwillige plaatsingen wordt vastgesteld in januari 2009.

5.6.2 Bij e-mail van 5 november 2008 heeft [N] voornoemd uiteengezet dat de voortgang van vier kritische processen gewaarborgd moet worden, dat drie bepaalde functies met name beschermd worden en dat een groep medewerkers van een bepaalde categorie (momenteel) niet aangewezen kan worden voor onvrijwillige plaatsing. Voorts is verwezen naar de door verweerder 1 uitgezonderde groepen personeel. De voordracht zal worden gedaan door de commandant van de betreffende brigade, aan de hand van kwalitatieve criteria: communicatie, samenwerking, integriteit en resultaatgerichtheid, alsmede sociale criteria: de afstand van de woonplaats tot Schiphol en de functieplaatsingen buiten het district in de afgelopen 10 jaar. Daarnaast zullen de brigadecommandanten, daar waar bovenstaande criteria niet voldoende onderscheidend zijn, aanvullende criteria hanteren, waaronder in ieder geval de persoonlijke omstandigheden van de betreffende medewerkers. In januari 2009 wordt duidelijk of de voorlopige functietoewijzingen worden omgezet in definitieve beschikkingen. Bij de vaststelling van het voorgaande heeft overleg plaatsgevonden met de MC van het District Zuid.

Noord-Oost

5.6.3 Bij e-mail van 12 november 2008 heeft mr. [M], DC Noord-Oost uiteengezet dat vier bepaalde groepen personeel niet zullen worden geplaatst. Voorts is verwezen naar de door verweerder 1 uitgezonderde groepen personeel. Daarbij is medegedeeld dat reserves daadwerkelijk zullen worden aangewezen als bij de reeds aangewezen kandidaten uitval ontstaat. De voordracht gebeurt door de betreffende Brigadecommandanten. Daarbij worden onder andere de volgende criteria meegewogen:

- de situatie van mensen die voor 1 november 2008 al werden besproken in het Sociaal Medisch Team (SMT);

- eerdere plaatsingen op Schiphol;

- een mix in de aan te wijzen personeelsleden qua werkervaring.

In januari 2009 wordt duidelijk of de voorlopige functietoewijzingen worden omgezet in definitieve beschikkingen.

5.6.4 Bij e-mail van 29 januari 2009 heeft [M] medegedeeld dat selectie van kandidaten voor definitieve plaatsing zal plaatsvinden op basis van de eerder samengestelde plaatsingslijst. De volgende dag wordt bekend gemaakt wie wel en niet verplicht geplaatst wordt bij BGS.

5.6.5 Bij e-mail van 9 maart 2009 heeft [O] van District Noord-Oost uiteengezet dat alle wachtmeesters (1) op de lijst voor Schiphol zijn gezet en dat vervolgens mensen zijn uitgesloten. Vervolgens zijn de criteria gehanteerd die opgesteld zijn door staf, district en brigade:

2 voor functioneel leeftijdsontslag (FLO), 1 jaar op de brigade, Recherche- & Informatieclub brigade, bedrijfsbureau en collega [P]. Bij alle criteria is als uitgangspunt genomen dat deze objectief moeten zijn en dat een criterium voor eenieder geldt. Op de lijst staan meerdere namen van personen, van wie bekend is dat ze thuis bijzonderheden hebben. Uitsluiting van deze personen levert direct een probleem op voor de gevraagde aantallen. Na de aanwijzing is het traject van de MDD gaan lopen, waardoor kandidaten van de lijst zijn gehaald. Eén kandidaat bleek niet meer te certificeren en is van de lijst gehaald. De samenstelling van de lijst, dus wie nummer 1 is en wie reserve, is binnen het BMT gedaan. Hierbij is een verdeling in locaties aangebracht in verband met de aanwezige sterkte op de locaties. Vervolgens is per locatie gekeken naar de aangewezen kandidaat en is deze kandidaat op positie gezet. Hierbij is de persoon in beschouwing genomen, hoe lang deze persoon binnen de brigade werkzaam is en wat deze persoon de afgelopen jaren van KMar Nederland heeft gezien.

Met betrekking tot AWB 09/1223 MAW

6. Het verzoek om een voorlopige voorziening is gericht tegen de brief van

26 november 2008. Bij brief van 5 januari 2009 heeft verweerder 1 verzoeker medegedeeld dat op dat moment slechts een voornemen bestaat om tot ontheffing uit de functie en functietoewijzing over te gaan. Ingevolge artikel 6:10 van de Awb heeft verweerder 1 het bezwaar aangemerkt als prematuur en aangehouden tot een voor bezwaar vatbaar besluit is genomen.

7. De voorzieningenrechter overweegt dat de brief van 26 november 2008 een voornemen tot functietoewijzing bevat, waarbij duidelijk is gesteld dat verzoeker, afhankelijk van nadere ontwikkelingen, eerst in januari 2009 nader wordt geïnformeerd of definitieve functietoewijzing daadwerkelijk zal plaatsvinden. Deze brief kan, gezien de inhoud daarvan, niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb omdat die brief niet is gericht op enig rechtsgevolg en derhalve geen rechtshandeling bevat. Dat de brief een lay-out heeft van een beschikking kan hier niet aan afdoen.

Op grond van de tekst van de brief kan niet worden staande gehouden dat verzoeker redelijkerwijs kon menen dat reeds een besluit over de functietoewijzing tot stand was gekomen, zodat niet is voldaan aan de in artikel 6:10, eerste lid, onder b, van de Awb gestelde voorwaarde. Verweerder 1 heeft derhalve het bezwaar ten onrechte aangemerkt als zijnde prematuur. Nu het bezwaar niet gericht is tegen een besluit, zal het bezwaar niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Met betrekking tot AWB 09/1520 MAW

8. Verweerder heeft de voorzieningenrechter bij brief van 5 maart 2009 medegedeeld dat de brief van 19 februari 2009 een mededeling betreft van informatieve aard. Het betreft hier nog geen definitieve functietoewijzing. Het bezwaar van verzoeker is door verweerder ingevolge artikel 6:10 van de Awb aangemerkt als prematuur.

9. De voorzieningenrechter overweegt dat de brief van 19 februari 2009 de mededeling bevat dat verzoeker definitief wordt geplaatst per 4 mei 2009 bij BGS. Op grond van de tekst van deze brief en mede in aanmerking genomen de in de nota van 30 oktober 2008 en de e-mails van [N] van 30 oktober 2008 en 5 november 2008 gedane mededelingen dat in januari 2009 bekend wordt wie definitief zal worden geplaatst, is de brief van

19 februari 2009 gericht op rechtsgevolg en bevat een rechtshandeling. De brief van

19 februari 2009 moet derhalve worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Verweerder heeft deze brief ten onrechte aangemerkt als een brief van informatieve aard. Dit betekent dat verzoeker met de brief van 26 februari 2009 op goede gronden bezwaar heeft kunnen maken tegen het besluit van 19 februari 2009.

De definitieve functietoewijzing impliceert, gelet op de nadere motivering in de brief van 2 maart 2009, ontheffing uit de tot dan toe vervulde functie per 4 mei 2009.

Verweerder heeft het besluit van 19 februari 2009 niet ondertekend namens verweerder 1, de Commandant KMar. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder f, van het Mandaatbesluit CKMar personele bevoegdheden AMAR en SBK (hierna: het Mandaatbesluit, in werking getreden op 1 september 2005) wordt aan de Districts-commandanten (DC'en) KMar mandaat verleend om namens de CKMar de bevoegdheid tot ontheffing uit de functie ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van het AMAR uit te oefenen. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van het Mandaatbesluit wordt aan de DC'en mandaat verleend om namens de CKMar de bevoegdheid tot functietoewijzing ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van het AMAR uit te oefenen. Niet gebleken is echter dat het mandaatbesluit is aangepast aan het (gewijzigde) artikel 19 van het AMAR, zoals gold dat met terugwerkende kracht per 5 september 2005. Verweerder 2 was derhalve niet bevoegd tot het nemen van het besluit van 19 februari 2009. In de te nemen beslissing op bezwaar kan dit bevoegdheidsgebrek door de bevoegde autoriteit worden hersteld.

10. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het hier van toepassing zijnde beleid is neergelegd in de beleidsnota van 30 oktober 2008. De onder 5.6.1 tot en met 5.6.5 omschreven e-mails zijn enkel te beschouwen als een nadere invulling van de beleidsnota van 30 oktober 2008 op districtsniveau.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet alleen de beleidsnota van 30 oktober 2008 maar ook de onder 5.6.1 tot en met 5.6.5 omschreven e-mails zijn aan te merken als het beleid voor respectievelijk de districten Zuid en Noord-Oost. In bedoelde e-mails zijn immers nadere criteria vastgelegd als gevolg van specifieke - districtsgebonden - problemen.

De voorzieningenrechter overweegt dat het standpunt van verzoeker, dat het beleid van district Zuid op onjuiste wijze tot stand is gekomen, vooralsnog niet kan worden gevolgd. Ter zitting heeft de DC Zuid verklaard dat er wel verslagen bestaan van overleg met de MC in District Zuid en dat de e-mails mede namens de MC zijn verzonden om de procedure toe te lichten. Anders dan bij District Noord-Oost is bij District Zuid gesproken over het waarborgen van kritische processen en niet over categorieën personeel, aldus de DC Zuid. De DC Noord-Oost heeft dit ter zitting bevestigd. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om niet uit te gaan van instemming van de MC in District Zuid met het beleid op districtsniveau. Uit de e-mail van [N] van 5 november 2008 blijkt immers dat overleg heeft plaatsgevonden met de MC van het District Zuid. Verweerder, althans de bevoegde autoriteit, dient dit, met betrekking tot het personeel uit District Zuid, nog nader te onderbouwen in de te nemen beslissing op bezwaar.

Uit de notulen van de overlegvergadering met de MC van het District Noord-Oost op

2 september 2008 blijkt dat de Marechausseeraad, het hoogste besluitvormingsorgaan binnen de KMar, (hierna: MARRA) op 12 augustus 2008 heeft besloten dat naast het voortzetten van lopende detacheringen het instrument "negatief caften" (onvrijwillig plaatsen) verder dient te worden uitgewerkt. De DC heeft te kennen gegeven overleg te willen voeren met de MC over de wijze waarop het negatief caften kan worden ingevuld. Uit de beleidsnota van 30 oktober 2008 blijkt dat met de DMC en in de BCKMar overleg is gevoerd, waarbij een aantal (rechtspositionele) afspraken zijn gemaakt. Uit de notulen van de overlegvergadering op 2 december 2008 blijkt ten slotte dat de MC zich niet verzet tegen de gemaakte keuzes binnen het selectieproces en hier actief aan bijdraagt.

Uit het voorgaande volgt dat diverse overlegorganen betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het beleid. De voorzieningenrechter heeft geen strijd kunnen ontdekken met artikel 25 van het Besluit medezeggenschap defensie, nu in de overlegvergaderingen van de MC in District Noord-Oost aangelegenheden aan de orde zijn gesteld die de diensteenheid betreffen en niet individuele personeelsaangelegenheden. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om er van uit te gaan dat dit bij District Zuid anders is geweest. Verweerder, althans de bevoegde autoriteit, dient dit, met betrekking tot het personeel uit District Zuid, nog nader te onderbouwen in de te nemen beslissing op bezwaar.

11. De voorzieningenrechter acht het beleid, zoals neergelegd in de beleidsnota van

30 oktober 2008, voor zover hier van belang, vooralsnog niet kennelijk onredelijk of onjuist.

Voorts is niet gebleken van omstandigheden waarom het beleid op districtsniveau, voor zover hier van belang, onredelijk geacht zou moeten worden.

12. Niet in geschil is dat het belang van verweerder bij de onvrijwillige plaatsingen is gelegen in het vullen van langdurig vacante functies en daarmee het waarborgen van de voortgang van de werkzaamheden van de KMar op Schiphol.

13. Niet in geschil is dat verzoeker niet behoort tot de door de CKMar uitgezonderde groepen personeel. Evenmin is in geschil dat zijn functie niet behoort tot de binnen district Zuid uitgezonderde kritische processen. Met betrekking tot de bekwaamheid en geschiktheid van verzoeker in relatie tot de voor de functie geldende eisen heeft verweerder opgemerkt dat de te vullen functies bij GBS algemene wachtmeesterfuncties betreffen. Iedere wachtmeester bij de KMar is als generalist opgeleid en wordt geacht bekwaam en geschikt te zijn voor deze functies, aldus verweerder. Verzoeker heeft niet betwist dat hij als generalist is opgeleid.

Met betrekking tot verzoeker zijn op 10 november 2008 en 4 december 2008 twee puntenlijsten opgemaakt met een tussenliggende periode van ruim 2 weken. De weergave van deze puntenlijsten door verzoeker is door verweerder niet betwist. De scores met betrekking tot de beoordeling selectie onvrijwillige plaatsing zijn op alle onderdelen beduidend minder dan de scores met betrekking tot de beoordeling overgang naar FPS Fase 3. De DC Zuid heeft ter zitting uiteengezet dat het grote verschil in scores binnen korte tijd verklaarbaar is omdat de beoordelingen vanuit een verschillend perspectief zijn gedaan. Verzoeker behoort tot de beste functionarissen. De gegeven lage score betekent echter niet dat verzoeker een slechte wachtmeester of opsporingsambtenaar is. Als een generalist laag scoort, betekent dit dat hij zich voor wat betreft zijn ervaringsopbouw in de "smalste" (vaak specialistische) zin heeft ontwikkeld. Het is dan de bedoeling dat de betrokkene de "breedte" opzoekt, aldus de DC Zuid. De voorzieningenrechter overweegt dat, gelet op deze plausibele uitleg ter zitting, de verschillende scores niet vergelijkbaar zijn te achten. Verweerder dient dit evenwel voor alle duidelijkheid in de te nemen beslissing op bezwaar nader te onderbouwen.

14. Verzoeker heeft ter zitting nader aangevoerd dat hij een half jaar geleden door Falsi Eindhoven is gevraagd voor een functie bij Falsi Schiphol. Hij heeft die functie afgewezen vanwege het feit dat hij lijdt aan FMK. Verzoeker heeft uiteengezet dat hij zodra zich een aanval aandient niet de afstand tussen zijn woonplaats en Schiphol kan overbruggen.

De voorzieningenrechter overweegt dat, nu bij verweerder bekend was dat verzoeker eerder een functie op Schiphol heeft afgewezen vanwege de FMK, het op de weg van verweerder had gelegen om hieromtrent nadere relevante feiten te vergaren. Nu niet is gebleken van enige actie van de kant van verweerder, heeft verweerder het besluit van 19 februari 2009 niet met de daartoe vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Dit heeft tot gevolg dat het bestreden besluit van 19 februari 2009 bij wijze van voorlopige voorziening zal worden geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar.

15. Verweerder wordt veroordeeld in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op

€ 644,--, te weten € 322,-- voor het indienen van het verzoekschrift en € 322,-- voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

Voorts dient verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden.

Met betrekking tot AWB 09/2380 MAW

16. De brief van 2 maart 2009 kan, nu reeds op 19 februari 2009 het besluit tot definitieve functietoewijzing en impliciet het besluit tot definitieve ontheffing uit de huidige functie is genomen, niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Deze brief dient te worden aangemerkt als een nadere motivering van het eerder genomen besluit van 19 februari 2009. Dat de brief van 2 maart 2009 een lay-out heeft van een beschikking kan hier niet aan afdoen. Nu het bezwaar niet is gericht tegen een besluit, zal het bezwaar niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Met betrekking tot AWB 09/2389 MAW

17. Tussen de besluiten tot het volgen van de opleiding en de definitieve functietoewijzing bestaat nauwe samenhang. Gelet op de toewijzing van de voorlopige voorziening in de procedure AWB 09/1520 MAW wordt ook het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat het besluit tot het volgen van de opleiding per

6 april 2009 zal worden geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter gaat er daarbij van uit dat verweerder gelijktijdig zal beslissen op de bezwaren tegen het besluit van 19 februari 2009 en het besluit tot het volgen van de opleiding per 6 april 2009.

18. Verweerder wordt veroordeeld in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Bij de vaststelling van de hoogte van het aan verzoeker te vergoeden bedrag is het volgende in aanmerking genomen. De onderhavige verzoeken tegen het besluit tot het volgen van de opleiding per 6 april 2009 van verzoeker, [B], [C] en [G] zijn samenhangend en dienen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) te worden beschouwd als één zaak. Derhalve wordt 1 punt toegekend voor het indienen van het gezamenlijk verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting. Vanwege de omstandigheid dat sprake is van vier samenhangende zaken, waarvan het gewicht als gemiddeld (factor 1) wordt aangemerkt, wordt gelet op de Bijlage, behorend bij het Bpb, voornoemde wegingsfactor vermenigvuldigd met 1,5. De kosten worden derhalve in totaal vastgesteld op € 966,-- ter zake van het verzoek van verzoeker, [B], [C] en [G].

II BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. zaak AWB 09/1223 MAW: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

2. zaak AWB 09/1520 MAW:

a. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit van 19 februari 2009 wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar;

b. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie) als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker dient te vergoeden;

c. gelast dat voormelde rechtspersoon het door verzoeker betaalde griffierecht ad € 150,-- vergoedt.

3. zaak AWB 09/2380 MAW: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

4. zaak AWB 09/2389 MAW:

a. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit tot het volgen van de opleiding per 6 april 2009 wordt geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar;

b. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie) als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. E.S.G. Jongeneel, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier A.J. Faasse - van Rossum. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.