Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI3907

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
15-05-2009
Zaaknummer
330393- KG ZA 09-177
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ter beoordeling is of de Staat onrechtmatig jegens A sr. handelt door de door A jr. bewoonde woonwagen te willen verkopen. De voorzieningenrechter wijst de vordering af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 16 april 2009,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 330393 / KG ZA 09-177 van:

[A sr.],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. R. Zilver te Utrecht,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelende te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W.B. Gaasbeek te ’s-Gravenhage.

Partijen worden hierna ook aangeduid als ‘[A] sr.’ en ‘de Staat’.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 2 april 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 juli 2005 is de zoon van eiser, [A] (hierna: [A] jr.), veroordeeld wegens handel in verdovende middelen en verboden wapenbezit. Bij arrest van dezelfde datum heeft het hof aan [A] jr. een verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 830.621,33.

1.2. Op 6 januari 2009 heeft de Staat executoriaal beslag gelegd op de door [A] jr. bewoonde woonwagen aan de [adres] te [plaats] en aan [A] jr. de verkoop van deze woonwagen aangezegd. Het per die datum verschuldigde bedrag was

€ 818.339,09.

1.3. Na een eerder door de Staat op dezelfde woonwagen gelegd beslag in november 2007 heeft de deurwaarder bij faxbericht van 19 november 2007 aan de raadsman van [A] sr. meegedeeld dat de woningbouwvereniging [X] te [plaats] (thans geheten: [Z]) door natrekking eigenaar is geworden van de woonwagen, waardoor het beslag geen doel heeft getroffen.

1.4. De voorzieningenrechter heeft de Staat in de gelegenheid gesteld om na de behandeling van de zaak ter terechtzitting nader toe te lichten dat de executoriale verkoop van de woonwagen zinvol is door informatie te verschaffen over de waarde van de woonwagen. Aan [A] sr. is tevens de gelegenheid gegeven nadere mededeling te doen omtrent de waarde van de woonwagen. Bij faxbrief van 8 april 2009 heeft de Staat met verwijzing naar een bijgevoegde globale taxatie van de woonwagen meegedeeld dat een aanzienlijk batig saldo zal resteren na de executoriale verkoop van de woonwagen.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. [A] sr. vordert - zakelijk weergegeven - de Staat op straffe van een dwangsom te veroordelen na te laten en na te blijven laten om de woonwagen (mobile home) aan de [adres] te [plaats] executoriaal te (doen) verkopen.

2.2. Daartoe voert [A] sr. primair aan dat niet zijn zoon, maar hijzelf eigenaar is van de woonwagen. Ter ondersteuning van zijn stelling voert hij aan dat hij de woonwagen zelf heeft gebouwd en de materialen voor die bouw zelf heeft gefinancierd.

Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat niet zijn zoon, maar de gemeente [plaats] dan wel de woningbouwvereniging eigenaar is van de woonwagen. Van belang is volgens [A] sr. dat de deurwaarder in het faxbericht van 19 november 2007 heeft geschreven dat de woningbouwvereniging [X] te [plaats] door natrekking eigenaar is geworden van de woonwagen. De woonwagen moet als onroerende zaak in de zin van artikel 3:3 van het Burgerlijk Wetboek worden beschouwd. Dat blijkt ook uit de uitspraak van de Hoge Raad van 23 oktober 2002 (NJ 2003/41) in het Portacabin-arrest, waarin onder meer werd geoordeeld dat een gebouw duurzaam met de grond verenigd kan zijn, indien het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Dat is bij de woonwagen van [A] sr. het geval.

Uiterst subsidiair doet [A] sr. een beroep op rechtsverwerking. Door op 19 november 2007 uitdrukkelijk aan te geven dat het beslag geen doel had getroffen omdat een derde eigenaar was geworden van de mobile home, en vervolgens veertien maanden niets meer te ondernemen, is bij [A] sr. het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de Staat zijn aanspraak op de woonwagen niet meer geldend zou maken.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Ter beoordeling is of de Staat onrechtmatig jegens [A] sr. handelt door de door [A] jr. bewoonde woonwagen te willen verkopen.

3.2. Allereerst is aan de orde de vraag of [A] sr. als eigenaar van de woonwagen moet worden aangemerkt. [A] sr. heeft daartoe onder meer aangevoerd dat hij de materialen voor de bouw van de woonwagen heeft betaald. Nog daargelaten dat het enkele betalen van de materialen onvoldoende is om tot de slotsom te kunnen komen dat de woonwagen zijn eigendom is, blijkt uit de door [A] sr. overgelegde stukken niet dat hij de betalingen heeft verricht met geld dat van hemzelf afkomstig was. De betalingen zijn namelijk alle contant verricht. Ook uit de door hem overgelegde verklaringen van de leveranciers van de materialen kan niet met de hier vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat [A] sr. eigenaar van de woonwagen is. Voorts heeft [A] jr. blijkens de door de Staat overgelegde stukken bij zijn verhoor door de politie in 2003 verklaard dat de woonwagen zijn eigendom is. Later heeft hij zijn verklaring herroepen en heeft hij verklaard dat de woonwagen eigendom is van de familie. Uit die verklaringen volgt derhalve in elk geval niet dat [A] sr. eigenaar is van de woonwagen.

Van belang is voorts dat [A] jr. zich als eigenaar van de woonwagen gedraagt. Hij is degene die, zoals uit de stukken blijkt, sinds 2001 de standplaats voor de woonwagen huurt van de woningbouwvereniging conform een met die woningbouwvereniging overeengekomen retributieregeling en hij, en niet zijn vader, is degene die de woonwagen gedurende die periode heeft bewoond. [A] sr. heeft nog enkele handgeschreven nota’s overgelegd waaruit zou moeten blijken dat [A] jr. de woonwagen van hem huurt, maar de voorzieningenrechter is met de Staat van oordeel dat dit uit die nota’s niet kan worden opgemaakt. De nota’s zijn namelijk afkomstig ‘van [A]’ ([A] jr.) ‘voor [A]’ ([A] sr.). Ook overigens is deze stelling op geen enkele wijze door [A] sr. onderbouwd.

Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat [A] sr. tegenover de betwisting van de Staat niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij en niet zijn zoon eigenaar is van de woonwagen.

3.3. Ook het subsidiaire standpunt van [A] sr. kan niet slagen. Immers, indien de stelling van [A] sr. dat de woonwagen als onroerende zaak moet worden beschouwd, juist zou zijn, is de eigenaar van de grond, in dit geval de woningbouwvereniging, door natrekking ook eigenaar van de woonwagen. Gesteld noch gebleken is namelijk dat sprake is van een door [A] sr. gevestigd opstalrecht. In dat geval heeft [A] sr. derhalve geen belang bij zijn vordering. Het ter zitting gestelde belang dat hij dan een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking heeft tegen de eigenaar van de grond kan hij in de onderhavige procedure tegen de Staat niet geldend maken.

3.4. [A] sr. heeft zich ten slotte beroepen op rechtsverwerking. De voorzieningenrechter kan [A] sr. daarin niet volgen. In voormelde faxbrief van 19 november 2007 van de deurwaarder, waarop [A] sr. zich beroept, wordt de woningbouwvereniging aangemerkt als eigenaar van de woonwagen. [A] sr. kon derhalve op dat moment al niet als eigenaar van de woonwagen worden aangemerkt. Niet valt in te zien dat hij dan thans wordt geschaad in zijn vertrouwen dat de Staat zijn aanspraak op de woonwagen niet meer geldend zou maken.

3.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering zal worden afgewezen. Hierbij heeft de voorzieningenrechter tevens in aanmerking genomen de door [A] sr. niet weersproken stelling van de Staat dat hij een voldoende belang heeft bij een executoriale verkoop van de woonwagen omdat een aanzienlijk batig saldo zal resteren.

[A] sr. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [A] sr. om binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.078,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 262,- aan griffierecht;

- bepaalt dat [A] sr. bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

- verklaart deze proceskostenveroordeling en de bepaling over de wettelijke rente uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Th. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2009.

evm