Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI3835

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
14-05-2009
Zaaknummer
AWB 08/14285
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN3366, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / beleidswijziging na plegen misdrijf / rechtszekerheidsbeginsel

Ten tijde van het plegen van het misdrijf en van de veroordeling kon eiser ingevolge het beleid dat toen gold niet ongewenst worden verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Het beleid is vervolgens aangescherpt en eisers veroordeling valt onder de voorwaarden voor ongewenstverklaring van dit beleid. Er is niet voorzien in overgangsrecht, zodat het aanscherpte beleid onmiddellijke werking heeft en in beginsel ook van toepassing is op gevallen als dat van eiser. Uit de rechtspraak van onder meer de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het materiële rechtszekerheidsbeginsel niet alleen inhoudt dat het geldende recht moet worden toegepast, maar ook dat aan belastende regelgeving en daarop gebaseerde besluiten geen terugwerkende kracht mag worden toegekend. Alhoewel aan de beleidswijziging in het onderhavige geval formeel geen terugwerkende kracht is toegekend, is de facto voor eiser wel sprake van een beleidsregel die achteraf ten nadele van hem is gewijzigd en op grond waarvan een verstrekkend belastend besluit is genomen. De rechtbank is van oordeel dat het (materiële) rechtszekerheidsbeginsel ook op situaties als deze van toepassing is en dat dit beginsel aan eisers ongewenstverklaring in de weg staat. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet gebleken is dat de betreffende beleidswijziging op het moment van het plegen van het misdrijf voorzienbaar was. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vreemdelingenbesluit 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/271 met annotatie van BKO
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 08/14285

V-nr: *

inzake:

eiser [naam eiser], geboren [geboortedatum] in 1976, van Somalische nationaliteit,

gemachtigde: mr. L.J.P. Mentink, advocaat te Alkmaar,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie, voorheen de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. R.A.B van Steijn, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 25 maart 2005, in persoon uitgereikt op 1 april 2005, is eiser ongewenst verklaard. Tegen dit besluit is bij brief van 11 april 2005 bezwaar gemaakt.

2. Op 15 maart 2006 heeft eiser een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring ingediend. Bij besluit van 3 mei 2006 is deze aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring afgewezen. Bij bezwaarschrift van 9 mei 2006 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

3. Bij besluit van 11 oktober 2006 heeft verweerder beide bezwaarschriften ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 16 oktober 2006 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

4. Bij uitspraak van 19 juli 2007, kenmerk AWB 06/50354, verzonden op 24 juli 2007, heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en nevenzittingsplaats het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit neemt. Het aan het beroep connexe verzoek om een voorlopige voorziening, kenmerk AWB 06/50356, is bij dezelfde uitspraak toegewezen. Bij brief van 20 augustus 2007 heeft verweerder tegen deze uitspraak, voor wat betreft de gegrondverklaring van het beroep, hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS).

5. Bij uitspraak van 4 januari 2008, kenmerk 200705907/1, heeft de AbRS het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van 19 juli 2007 vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Het beroep is thans geregistreerd met kenmerk AWB 08/14285.

6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Wet op de Raad van State (Wet RvS), voor zover thans van belang, wijst de AbRS de zaak terug naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld, indien zij van oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld.

1.2. Uit het bepaalde in artikel 44 van de Wet RvS vloeit voort dat een door de AbRS teruggewezen zaak moet worden beoordeeld en beslist binnen de grenzen van het geding, zoals dat was afgebakend in eerste aanleg, eventueel gecorrigeerd in hoger beroep en met inachtneming van de oordelen van de ABRS aangaande de aangevoerde beroepsgronden en omtrent de te verrichten ambtshalve toetsing.

2. Eiser is bij onherroepelijk geworden vonnis van 11 april 2003 wegens valsheid in geschrift veroordeeld tot vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dit feit is gepleegd op 5 december 2002. De rechtbank verwijst voor de overige feiten, de overwegingen van verweerder in het bestreden besluit van 11 oktober 2006, alsmede de beroepsgronden van eiser zoals in eerste aanleg naar voren gebracht, naar haar uitspraak van 19 juli 2007.

3.1. De AbRS heeft in voornoemde uitspraak van 4 januari 2008 overwogen dat eiser zowel ten tijde van de ongewenstverklaring als ten tijde van het besluit van 11 oktober 2006 geen rechtmatig verblijf had als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000. Voorts is overwogen dat, nu is voldaan aan dit wettelijk vereiste van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, in zoverre geen sprake was van een bevoegdheidsgebrek om eiser op die grond ongewenst te verklaren.

3.2. Eiser heeft in beroep onder andere aangevoerd dat hij ten tijde van het begaan van het strafbare feit op 5 december 2002, gelet op het bepaalde artikel 6.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), nog niet ongewenst kon worden verklaard. Voorgaand oordeel van de AbRS strekt niet zover, dat in rechte is komen vast te staan dat verweerder bevoegd was om eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 ongewenst te verklaren. De rechtbank ziet dan ook aanleiding thans in te gaan op voornoemde, in eerste aanleg onbesproken gebleven, beroepsgrond van eiser.

3.3. Verweerder heeft zich blijkens het bestreden besluit en het verweerschrift, zoals nader toegelicht ter zitting, ten aanzien van deze beroepsgrond op het standpunt gesteld dat artikel 6.5 van het Vb 2000 ten tijde van het besluit in primo van 25 maart 2005 was vervallen. Omdat bij het vervallen van artikel 6.5 van het Vb 2000 geen overgangsrecht tot stand is gekomen, is de regelgeving ten tijde van het besluit tot ongewenstverklaring bepalend.

3.4.1. In artikel 6.5 van het Vb 2000, zoals dat luidde ten tijde van het begaan van het strafbare feit en van de veroordeling, is het volgende bepaald:

De vreemdeling kan op grond van artikel 67, eerste lid, onder b of c, van de Wet door Onze Minister in ieder geval ongewenst worden verklaard indien:

a. (…)

b. de vreemdeling, die geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, wegens een misdrijf bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld tot een of meer vrijheidsontnemende straffen of maatregelen, waarvan de totale duur zes maanden of meer bedraagt, of,

c. (…).

3.4.2. Ten tijde van het begaan van het strafbare feit en van de veroordeling gold het beleid ten aanzien van ongewenstverklaring op grond van artikel 67 van de Vw 2000, zoals neergelegd in Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2002/34. Hierin is ten aanzien van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 bepaald:

Ten aanzien van deze grond tot ongewenstverklaring vallen twee categorieën te onderscheiden:

- Ingevolge artikel 6.5, onder b Vreemdelingenbesluit kan tot ongewenstverklaring worden overgegaan in geval van een veroordeling tot een gevangenisstraf of indien een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd van (in totaal) zes maanden of meer wegens een misdrijf. Het gaat hier dus om een categorie vreemdelingen die tot een langdurige gevangenisstraf is veroordeeld of waarbij een langdurige vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd. (Onder langdurig wordt in het beleid verstaan een periode van zes maanden of langer, vergelijk B2/2.10).

-(…).

3.4.3. De rechtbank stelt vast dat uit de bewoordingen ‘in ieder geval’ in de aanhef van artikel 6.5 van het Vb 2000 volgt, dat dit artikel niet uitsluit dat eiser, ondanks zijn veroordeling tot een gevangenisstraf van minder dan zes maanden, toch ongewenst verklaard kon worden. Uit het beleid zoals neergelegd in TBV 2002/34 kan evenwel worden afgeleid, dat verweerder van zijn bevoegdheid tot ongewenstverklaring op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, slechts gebruik maakte in geval van een veroordeling wegens een misdrijf tot een gevangenisstraf van minimaal zes maanden. Verweerder heeft deze uitleg van het beleid niet betwist. Ten tijde van het plegen van het misdrijf en van de veroordeling kon eiser derhalve, ingevolge dit beleid niet ongewenst worden verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

3.5.1. In het Besluit van 29 september 2004 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000, gepubliceerd in het Staatsblad 2004, 496, is bepaald dat artikel 6.5 van het Vb 2000 met ingang van 1 november 2004 komt te vervallen. In samenhang hiermee is ook bij het besluit tot wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV) 2004/63 het beleid, zoals dat was neergelegd in TBV 2002/34, gewijzigd. In WBV 2004/63, gepubliceerd in de Staatscourant van 27 oktober 2004 en in werking getreden op 1 november 2004, is ten aanzien van de toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 bepaald:

Ten aanzien van deze grond vallen de volgende categorieën gevallen te onderscheiden:

- Gevallen waarin wegens misdrijf een veroordeling tot een gevangenisstraf heeft plaatsgevonden of waarin een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd en het (in totaal) onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van straf of maatregel tenminste een maand bedraagt; het is daarbij niet vereist dat de betreffende uitspraak onherroepelijk is geworden;

- (…).

3.5.2. Zoals ook blijkt uit de toelichting op de wijziging van het beleid zoals neergelegd in WBV 2004/63, is het beleid voor de toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 aangescherpt. Een veroordeling tot een gevangenisstraf of oplegging van een maatregel van (in totaal) een maand of meer wegens een misdrijf kan immers als gevolg van deze wijziging reeds aanleiding zijn om tot ongewenstverklaring over te gaan. De overweging in het bestreden besluit dat het beleid niet is gewijzigd, is derhalve onjuist. De rechtbank stelt vast dat de veroordeling van eiser valt onder de aanscherping van het beleid inzake ongewenstverklaring, zoals neergelegd in WBV 2004/63.

3.6.1. Verweerder heeft terecht geconstateerd dat in WBV 2004/63 geen overgangsrecht is neergelegd voor personen zoals eiser, die vóór de inwerkingtreding van WBV 2004/63 een misdrijf hebben gepleegd en aan wie een veroordeling tot een gevangenisstraf of vrijheidsontnemende maatregel van meer dan een maand maar minder dan zes maanden is opgelegd. Dat betekent dat het aangescherpte beleid zoals neergelegd in WBV 2004/63 onmiddellijke werking heeft en in beginsel ook van toepassing is op gevallen als het onderhavige.

3.6.2. Eiser heeft echter aangevoerd dat het beginsel van rechtszekerheid verlangt dat iemand weet of kan weten wat de gevolgen zijn van het door hem gepleegde strafbare feit. Ook had de strafrechter een andere straf kunnen opleggen, indien hem bekend was geweest dat een mogelijk gevolg van de opgelegde straf was dat eiser ongewenst zou worden verklaard. Dat verweerder bij de aanscherping van het beleid inzake ongewenstverklaring geen overgangsrecht heeft gemaakt is onredelijk, aldus eiser. Tot slot is ter zitting namens eiser nog een beroep gedaan op het legaliteitsbeginsel.

3.6.3. Het legaliteitsbeginsel, dat inhoudt dat overheidsorganen slechts die bevoegdheden hebben die berusten op een voorafgaande wettelijke grondslag, strekt zich ook uit tot het bestuursrecht. Als regel van ongeschreven recht geldt dit beginsel ook ten aanzien van andere dan strafrechtelijke overheidsbevoegdheden tot het opleggen van verplichtingen, ge- of verboden die met overheidsdwang kunnen worden gehandhaafd. Dit beginsel heeft onder meer zijn neerslag gekregen in het wetsvoorstel voor de Vierde tranche van de Awb (TK 2003-2004, 29702, nr. 2). In het voorgestelde artikel 5.0.4, tweede lid, van de Awb is neergelegd dat een bestuurlijke sanctie slechts wordt opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven. Dit geldt niet alleen voor een bestraffende bestuurlijke sanctie, bedoeld in artikel 5.0.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb maar ook voor de overige in dat artikellid bedoelde bestuurlijke sancties.

Verder volgt uit de rechtspraak van onder meer de AbRS dat het materiële rechtszekerheidsbeginsel niet alleen inhoudt dat het geldende recht moet worden toegepast maar ook dat aan belastende regelgeving en daarop gebaseerde besluiten geen terugwerkende kracht mag worden toegekend. De rechtbank verwijst in het bijzonder naar een uitspraak van de AbRS van 29 april 2004, AB 2004/203, waarin is overwogen dat het rechtszekerheidsbeginsel zich ertegen verzet dat een beleidsregel met terugwerkende kracht ten nadele van betrokkenen wordt gewijzigd.

3.6.4. De rechtbank overweegt dat de ongewenstverklaring een verstrekkende bestuursrechtelijke maatregel is die met overheidsdwang kan worden gehandhaafd. De ongewenstverklaring is er immers op gericht dat betrokkene Nederland verlaat, bij gebreke waarvan hij strafrechtelijk kan worden vervolgd. Zoals hiervoor al is vastgesteld, kon eiser ten tijde van het plegen van het feit en van de veroordeling op grond van het op destijds geldende beleid niet ongewenst worden verklaard. Alhoewel aan de beleidswijziging zoals neergelegd in WBV 2004/63 formeel geen terugwerkende kracht is toegekend, is de facto voor eiser wel sprake van een beleidsregel die achteraf ten nadele van hem is gewijzigd en op grond waarvan een verstrekkend belastend besluit is genomen. De rechtbank is van oordeel dat het (materiële) rechtszekerheidsbeginsel ook op situaties als deze van toepassing is en dat dit beginsel aan eisers ongewenstverklaring in de weg staat. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet gebleken is dat de betreffende beleidswijziging op het moment van het plegen van het misdrijf voorzienbaar was.

4. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het besluit wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel niet in stand kan blijven. Nu het besluit reeds hierom voor vernietiging in aanmerking komt, kunnen de overige daartegen gerichte beroepsgronden buiten beschouwing blijven.

5. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd. De rechtbank ziet voorts aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien op grond van het navolgende. Onder verwijzing naar hetgeen hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er rechtens geen andere conclusie mogelijk is dan dat ook het besluit in primo wegens strijd met het (materiële) rechtszekerheidsbeginsel niet in stand kan blijven. De rechtbank, doende wat verweerder had behoren te doen, zal derhalve het bezwaar van 11 april 2005 tegen het besluit tot ongewenstverklaring gegrond verklaren en het besluit in primo herroepen. Nu eiser geen belang meer heeft bij het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring, zal de rechtbank het bezwaar van 9 mei 2006 daartegen niet-ontvankelijk verklaren.

6. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1449,-- als kosten van verleende rechtsbijstand. De kosten zijn als volgt berekend. De door eiser gemaakte proceskosten voor de behandeling van het beroep vóór de behandeling in hoger beroep bedragen € 805,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de nadere schriftelijke toelichting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1). Voorts ziet de rechtbank aanleiding voor de vergoeding van de proceskosten van € 322,-- (1 punt) voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank na terugwijzing van de zaak door de AbRS. Tot slot heeft de AbRS in de uitspraak van 4 januari 2008 de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft gemaakt vastgesteld op een bedrag van € 322,--.

7. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit van 11 oktober 2006;

3. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

4. verklaart het bezwaar van 11 april 2005 tegen het besluit van 25 maart 2005 betreffende de ongewenstverklaring van eiser gegrond;

5. herroept het besluit van 25 maart 2005;

6. verklaart het bezwaar tegen het besluit van 3 mei 2006 betreffende de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de opgewenstverklaring van eiser niet-ontvankelijk;

7. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 1499,-- (zegge: duizend vierhonderd negenennegentig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

8. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 141,-- (zegge: honderdeenenveertig euro).

Deze uitspraak is gedaan op door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzitter en mrs H.J. Fehmers en A.W.C.M. van Emmerik, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Tax, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2009.

De griffier,

De voorzitter,

Afschrift verzonden op:

Conc: ST

Coll: FW

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.