Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI3565

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
12-05-2009
Zaaknummer
AWB 09 / 13462
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / overdracht naar Belgie negen werkdagen na claimakkoord onvoldoende voortvarend

Niet in geschil is dat er voldoende zicht op uitzetting bestaat. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat evenmin in geschil is dat verweerder tot de ontvangst van het claimakkoord op 21 april 2009 voortvarend aan de overdracht van eiser heeft gewerkt. De rechtbank volgt verweerder eveneens in zijn standpunt dat de Belgische autoriteiten een termijn van drie werkdagen na accordering verlangen om de feitelijke overdracht te organiseren. Echter anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat een periode van negen werkdagen tussen het claimakkoord en de daadwerkelijke overdracht op 6 mei 2009 (rekening houdende met de Belgische en Nederlandse nationale feestdagen) onredelijk lang is. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2009, (LJN: BI1548), waarin de Afdeling heeft overwogen dat verweerder met gepaste voortvarendheid de overdracht ter hand neemt indien hij bij de toepassing van het voor de effectuering van overdrachten gehanteerde protocol tevens rekening houdt met de concrete omstandigheden van het geval.Verweerder heeft desgevraagd geen (bijzondere) omstandigheden aangevoerd die de lange duur tussen het claimakkoord en de daadwerkelijke overdracht van eiser aan de Belgische autoriteiten kunnen verklaren en rechtvaardigen. De enkele stelling dat tijd gemoeid is met de administratieve en feitelijke afhandeling van het claimakkoord en dat de overdracht niet eerder gelukt is, acht de rechtbank daartoe onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 09 / 13462

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 94 juncto artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser], volgens zijn verklaring geboren op [geboortedatum] 1967 en van Kongolese nationaliteit, verblijvende in het detentiecentrum te Zeist,

hierna te noemen: eiser,

gemachtigde mr. A.H. Hamm-van de Water, advocaat te Maastricht,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Op 14 april 2009 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

1.2. Bij beroepschrift van 15 april 2009 is namens eiser beroep ingesteld. Ingevolge het bepaalde in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt dit beroep tevens een verzoek tot toekenning van schadevergoeding in.

1.3. Bij faxbericht van 23 april 2009 heeft verweerder nadere stukken ingezonden.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2009, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. N.Th.G. Keulers, kantoorgenoot van zijn gemachtigde voornoemd.Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.S. Schoot. Als tolk in de Franse taal was aanwezig mevrouw C.Y.I.M. van Boxtel-Roorda.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met deze wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2.2. Namens eiser is – kort weergegeven – aangevoerd dat, nu op 21 april 2009 het claimakkoord van België is ontvangen, niet valt in te zien dat eiser vervolgens eerst op 6 mei 2009 kan worden overgedragen.

2.3. De rechtbank overweegt als volgt.

2.4. Verweerder heeft eiser krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in het belang van de openbare orde en met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser:

- niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000;

- niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats;

- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel over voldoende middelen om zijn terugreis te bekostigen.

2.5. Bovenstaande gronden zijn onbestreden gebleven en vormen bovendien voldoende grond ernstig te vermoeden dat eiser zich aan zijn uitzetting zal onttrekken.

2.6. De rechtbank overweegt verder als volgt.

2.7. Uit de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder op 15 april 2009 aan Bureau Dublin heeft verzocht eiser te claimen bij de Belgische autoriteiten. Op 20 april is de claim bij voornoemde autoriteiten ingediend en op 21 april 2009 is een claimakkoord ontvangen. Op 24 april 2009 is eiser overgeplaatst naar het Uitzetcentrum Zestienhoven te Rotterdam. Tevens heeft verweerder aangegeven dat eiser op 6 mei 2009 aan de Belgische autoriteiten zal worden overgedragen.

2.8. Niet in geschil is dat er voldoende zicht op uitzetting bestaat. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat evenmin in geschil is dat verweerder tot de ontvangst van het claimakkoord op 21 april 2009 voortvarend aan de overdracht van eiser heeft gewerkt. De rechtbank volgt verweerder eveneens in zijn standpunt dat de Belgische autoriteiten een termijn van drie werkdagen na accordering verlangen om de feitelijke overdracht te organiseren. Echter anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat een periode van negen werkdagen tussen het claimakkoord en de daadwerkelijke overdracht (rekening houdende met de Belgische en Nederlandse nationale feestdagen) onredelijk lang is. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2009, (LJN: BI1548), waarin de Afdeling heeft overwogen dat verweerder met gepaste voortvarendheid de overdracht ter hand neemt indien hij bij de toepassing van het voor de effectuering van overdrachten gehanteerde protocol tevens rekening houdt met de concrete omstandigheden van het geval.Verweerder heeft desgevraagd geen (bijzondere) omstandigheden aangevoerd die de lange duur tussen het claimakkoord en de daadwerkelijke overdracht van eiser aan de Belgische autoriteiten kunnen verklaren en rechtvaardigen. De enkele stelling dat tijd gemoeid is met de administratieve en feitelijke afhandeling van het claimakkoord en dat de overdracht niet eerder gelukt is, acht de rechtbank daartoe onvoldoende.

2.9. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de maatregel vanaf 27 april 2009 (drie werkdagen na het claimakkoord) voor onrechtmatig moet worden gehouden, nu vastgesteld moet worden dat verweerder na die datum niet de in deze zaak vereiste voortvarendheid heeft betracht.

2.10. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van de bewaring bij afweging van alle daarbij betrokken belangen met ingang van 27 april 2009

niet langer gerechtvaardigd was. Het beroep is derhalve gegrond.

2.11. Nu de inbewaringstelling blijkens het voorgaande met ingang van 27 april 2009 onrechtmatig is, acht de rechtbank termen aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen.

2.12. Eiser komt in beginsel over de periode van 27 april 2009 tot 29 april 2009 schadevergoeding toe. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van EUR 105,= voor elke dag die in een politiecel is doorgebracht en van EUR 80,= voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht. In totaal bedraagt de schadevergoeding 2 x EUR 80,=.

2.13. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal EUR 644,= voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand welk bedrag is opgebouwd uit:

- 1 punt voor het indienen van het beroepschrift;

- 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

- waarde per punt EUR 322,=;

- wegingsfactor 1.

2.14. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

2.15. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van 29 april 2009;

wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van EUR 160,=;

bepaalt dat de uitbetaling geschiedt door de griffier van de rechtbank;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op EUR 644,=, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. M.I.J. Hegeman in tegenwoordigheid van mr. R.A. Debets als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009.

w.g. mr. R.A. Debets,

griffier

w.g. mr. M.I.J. Hegeman,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van EUR 160,= (ZEGGE; HONDERDZESTIG EURO)

Aldus gedaan op 29 april 2009 door mr. M.I.J. Hegeman.

Afschrift verzonden: 29 april 2009

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC ’s-Gravenhage

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.