Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI3527

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
12-05-2009
Zaaknummer
330929 - KG ZA 09-217
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BM3222, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft aangevoerd dat de onderzoeksresultaten onvolledig, onjuist en tendentieus weergegeven zijn en dat continue vermelding van haar naam tijdens de uitzending onnodig grievend is, nu haar betrokkenheid niet uit het strafdossier blijkt.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de Staat (de minister van Justitie), meer in het bijzonder het OM, het vervolgingsmonopolie rust en hem dientengevolge een ruime beleidsvrijheid toekomt bij de vraag of een strafrechtelijk onderzoek moet worden ingesteld en zo ja, op welke wijze dat onderzoek moet worden ingericht. Vast staat dat de opsporingsberichtgeving een opsporingsmiddel is in strafvorderlijke zin teneinde de opsporing en bewijsvergaring te bevorderen en dat het inzetten van dat middel tot de verantwoordelijkheid van het OM behoort. De inzet van dat opsporingsmiddel zal in beginsel door de voorzieningenrechter moeten worden gerespecteerd, nu de wet niet voorziet in een voorafgaand rechterlijk toezicht op de opsporing en bewijsvergaring zoals die onder het gezag van het OM plaatsvinden. Het is in beginsel aan de strafrechter om daarover te oordelen. Slechts indien het OM in redelijkheid niet tot het aanwenden van het opsporingsmiddel opsporingsberichtgeving had kunnen komen of hij het middel op een manier heeft ingezet waartoe hij in redelijkheid niet had kunnen komen, is mogelijk een rol voor de voorzieningenrechter weggelegd. In het onderhavige geval zou dat bijvoorbeeld zo kunnen zijn indien evident is dat geen enkel onderzoeksresultaat duidt op vermoedelijke betrokkenheid van (één van) de leden van eiseres bij de aanslag.

Voorts heeft als uitgangspunt te gelden dat het programma erop gericht is de Staat in staat te stellen concrete vragen aan het publiek voor te leggen teneinde informatie over de strafzaak te verkrijgen. Het ligt daarom voor de hand dat bij het stellen van voormelde concrete vragen aansluiting wordt gezocht bij de tot dan toe aangetroffen onderzoeksresultaten. Dat het OM een selectie maakt van het in het strafdossier aangetroffen materiaal, teneinde voor de kijker een helder en duidelijk beeld van de situatie te kunnen schetsen, is tegen die achtergrond begrijpelijk. Concrete vragen zijn anders niet, althans nauwelijks te stellen. Het antwoord op de vraag of de uitzending, die thans nog via het internet is te bekijken onrechtmatig is en rectificatie geboden is, ligt, zoals ook op te maken is uit de onder 1.4 bedoelde Aanwijzing, in het spanningsveld tussen het zwaarwegend opsporingsbelang enerzijds en het recht op privacy en de daaraan gekoppelde bescherming van de eer en goede naam en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Hier staan dus twee hoogwaardige belangen tegenover elkaar: aan de ene kant de belangen die eisers hebben om niet door uitingen in de pers te worden aangetast in hun eer en goede naam, aan de andere kant het belang dat de Staat heeft om in het kader van het opsporingsonderzoek nadere informatie te vergaren over de strafzaak.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat het opsporingsbelang van de Staat in dit geval zwaarder weegt dan het belang van gedaagden op bescherming van hun eer en goede naam. Dit een en ander leidt tot de slotsom dat de Staat zijn eigen, bij voormelde Aanwijzing vastgelegde, toetsingsmaatstaf heeft nageleefd, hetgeen tot gevolg heeft dat de Staat niet onrechtmatig handelt, dan wel heeft gehandeld, jegens eisers. De grondslag voor de gevorderde schadevergoeding ontbreekt dan ook. De vorderingen van eisers zullen dan ook worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 12 mei 2009,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 330929 / KG ZA 09-217 van:

1. [eiser sub 1],

wonende te [plaats],

2. het kerkgenootschap de Orde der Transformanten,

statutair gevestigd te gemeente Halderberge, gevestigd te Hoeven,

eisers,

advocaat mr. I.N. Weski te Rotterdam,

tegen:

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon de Staat der Nederlanden,

(Ministerie van Justitie, Openbaar Ministerie),

zetelende te 's-Gravenhage,

advocaat mr. F.W. Bleichrodt te ’s-Gravenhage,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Algemene Omroepvereniging AVRO,

gevestigd te Hilversum,

in persoon verschenen bij mr. K.C. Dutmer,

gedaagden.

Eisers worden hierna afzonderlijk aangeduid als ‘[eiser sub 1]’ en ‘de Orde’. Gedaagden worden hierna afzonderlijk aangeduid als ‘de Staat’ en ‘de AVRO’.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 27 april 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. De Orde is een christelijke geloofsgemeenschap die omstreeks 2003 is ontstaan en van wie de meeste leden woonachtig zijn in Hoeven. Zij telt ongeveer 70 leden.

1.2. [eiser sub 1] is lid van deze geloofsgemeenschap.

1.3. Het televisieprogramma ‘Opsporing Verzocht’ (hierna: het programma) is een televisieformat dat de AVRO sinds 1982 maakt. Het programma komt tot stand in nauwe samenwerking met de Staat, meer in het bijzonder het openbaar ministerie (hierna: het OM), en is een belangrijk opsporingsmiddel voor het OM.

1.4. De Aanwijzing opsporingsberichtgeving (2004A010) van het College van procureurs-generaal is een aanwijzing in de zin van artikel 130 lid 4 Wet RO, en is in werking getreden op 15 december 2004 en geldig tot 15 december 2008. De Aanwijzing geeft regels voor het gebruik van opsporingsberichten. Zo regelt de aanwijzing onder andere dat opsporingsberichtgeving onder meer in aanmerking komt in geval van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Omdat opsporingsberichtgeving de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen raakt, dient het OM het belang van opsporing en vervolging af te wegen tegen de belangen van privacy van het slachtoffer, de belangen van eventuele getuigen en van verdachten en de belangen van de samenleving. Bij deze afweging speelt de ernst van het feit een rol, alsmede de proportionaliteit en de subsidiariteit.

1.5. Op 2 augustus 2008 is de heer [A] (hierna: [A]) op de Prinses Julianalaan te Rotterdam vermoedelijk vijfmaal beschoten, waarbij hij tweemaal is geraakt. [A] heeft deze beschieting (hierna: de aanslag) overleefd. Direct na de aanslag heeft hij deze in verband gebracht met de Orde.

1.6. Op 12 september 2008 zijn, op bevel van de officier van justitie, [eiser sub 1] en de heer [B] (hierna: [B]) aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de aanslag. [B] is eveneens lid van de Orde.

1.7. Op 9 december 2008 is in het programma aandacht besteed aan de aanslag (hierna: de uitzending). In de uitzending zijn onder meer de volgende mededelingen gedaan:

“Een nepagent, batterijen en een lunch spelen een sleutelrol bij een schietpartij in de wijk Kralingen in Rotterdam en wat hebben leden van de Orde der Transformanten met die poging tot moord te maken.

De Prinses Julianalaan in Rotterdam, het is zaterdag 2 augustus. Hier woont de 56-jarige Rotterdamse zakenman. Rond het middaguur gaat hij op weg naar de supermarkt. Het is voor hem een hele normale zaterdag, hij heeft dan ook geen flauw benul dat hij nauwlettend in de gaten wordt gehouden door een man in een rode Toyota Corolla.

Op deze bewakingsbeelden is te zien dat hij die zaterdag nietsvermoedend binnenloopt bij de Albert Heijn aan de [adres]. En nadat de man de winkel weer heeft verlaten wordt ook de rode Toyota Corolla gefilmd.

Rond kwart voor één komt de Rotterdammer thuis aan en begint zijn boodschappen uit te laden. De man met de pet vuurt van dichtbij twee kogels raak in het slachtoffer. Zwaar gewond kruipt de 56-jarige man over straat. In een lichtkleurige kleine bestelauto, vermoedelijk een Citroën Jumpy gaat de schutter ervandoor over de Vredehofweg in de Korte Kade. Een bewakingscamera van een nabijgelegen bedrijf legt de vlucht vast.

(reconstructie): Een voorbijganger vraagt aan het slachtoffer: “Meneer, meneer, wat is er gebeurd?” Het slachtoffer antwoordt: “De Orde der Transformanten.”

(presentator): “Het slachtoffer vermoedde wie het gedaan had, de Orde der Transformanten. Ja dat zal niet gelijk iedereen wat zeggen.”

(politieagente): “Nee, die Orde was bij ons in eerste instantie ook niet bekend. Het is een kleine religieuze gemeenschap.

Die beschuldigingen van ons slachtoffer dat zijn we gaan uitzoeken, hoewel we uiteraard rekening houden met alle mogelijke scenario’s. Maar we vonden echt belangrijke aanwijzingen die wezen in de richting van leden van deze orde.”

(presentator): Nou goed, die aanwijzingen die laten we zo meteen zien. Maar wat kunt u vertellen over deze Orde der Transformanten?

Ja, en een van de oprichters van die Orde is een bekende van het Rotterdamse slachtoffer. Tegenwoordig hebben de twee geen contact meer en bovendien is de ex-vrouw van de Rotterdamse zakenman lid van de Orde der Transformanten.

Dan nu de aanwijzingen in de richting van deze leden van de Orde.

Op de bewuste zaterdag 2 augustus ziet een oplettende studente een rode Toyota Corolla op de Prinses Julianalaan staan. Het is dan ongeveer 2 uur voor de schietpartij. Ze vertrouwt het niet en noteert het kenteken. Als dat kenteken wordt nagetrokken door de politie blijkt de Toyota op naam te staan van één van de Transformanten.

Onder de tweede auto van het slachtoffer, een rode Mercedes, ontdekt de politie een volgsysteem. Met een sterke magneet is het onder de auto aangebracht en via een satellietverbinding kan de auto zo overal worden gevolgd.

De recherche steekt buitengewoon veel moeite in het traceren van alle onderdelen van het volgsysteem en vindt uiteindelijk de sleutel in de aankoop van het baken en de batterijen die zijn gekocht door opnieuw een lid van de Orde der Transformanten.

Het net lijkt zich te sluiten. Voor de politie reden om op 12 september, ruim een maand na de schietpartij, twee mannen aan te houden.

Beide zijn lid van de Orde en zitten op dit moment nog steeds in voorarrest.

(presentator): Goed, betekent het dus dat u nog veel vragen heeft? Onder andere over de schutter?

(agente): Ja, maar we houden er rekening mee dat er meerdere mensen bij de voorbereiding betroffen uh betrokken waren en we weten nog niet precies wie de schutter was. We hebben in ieder geval het volgende signalement van deze man: Het is een blanke man, hij is tussen 30 en de 35 jaar oud, 1 meter 80 lang, hij heeft donker haar, een stevig postuur. Hij is ongeschoren en had een vrij grof gezicht met een harde uitdrukking. Hij droeg een donkerblauw petje strak om zijn hoofd met op de voorzijde een soort van tekening en onder zijn blauwe petje kwam donker haar vandaan.

(presentator): en die man is weggereden in een lichtkleurige kleine bestelauto vermoedelijk een Citroën Jumpy, die op de Korte Kade op bewakingsbeeld te zien is.

Goed dan is er nog die rode Toyota Corolla die het slachtoffer was gevolgd tijdens zijn bezoek aan de Albert Heijn, hè?

(agente): Ja, en die is van een van de verdachten die nu nog vastzit. En zijn rode Toyota Corolla heeft hij rond 1 uur, dus dat is een kwartier na de schietpartij geparkeerd op de Jacques Perkstraat. En daarna is hij op het terras gaan zitten van een Grand Café. Hij heeft daar met een tweede man een broodje gegeten en daarna heeft hij gepind en op de bewakingsbeelden is deze tweede man goed te zien en we willen heel graag weten wie hij is. Deze man is kaal, hij draagt zomerse kleding en slippers die op Birckenstock lijken en hij had een rugzak bij zich. En rond kwart over twee, dus dat is na ruim een uur, hebben beide mannen deze zaak weer verlaten.

(presentator): de aanslag op deze zakenman uit Rotterdam die was op zaterdag 2 augustus, maar het is heel goed mogelijk, ja het was niet de eerste keer hè, dat de dader of daders het op hem gemunt hadden?

(agente): Nee dat klopt. Op maandagavond 23 juni, rond elf uur ’s avonds heeft er een man aangebeld bij het slachtoffer in politie-uniform. Nou het slachtoffer vertrouwde dat niet helemaal, dus hij heeft niet opengedaan. En dat gevoel dat bleek te kloppen, want we zijn het nagegaan in ons korps en die man is absoluut geen agent geweest.

(presentator): Ja en van die man, die man dus in die politiekleding, heeft u een compositietekening laten maken.

(agente): Ja dat klopt. En deze man was blank, ongeveer 30 jaar oud. Hij is ongeveer 1 meter 80 lang, had een bol gezicht, bruin haar en priemende ogen. En hij droeg een soort zeemanspet met de letters politie erop en hij had een politiejas aan.

(presentator): Goed, heeft u enig idee wie deze man zou kunnen zijn, of heeft u andere informatie over deze moordpoging, bijvoorbeeld over deze kale man met zijn rugzak, bel dan met uw informatie over deze schietpartij.”.

1.8. Op de website www.avro.nl is tot op heden de uitzending te zien.

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eisers vorderen – zakelijk weergegeven – gedaagden te gelasten in overleg met eisers te treden met als doel een rectificatie tot stand te doen brengen met in achtneming van de gestelde feitelijke onjuistheden en / of onterechte verwijzingen naar de Orde, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Voorts vorderen eisers de AVRO te gelasten elk onrechtmatig handelen jegens eisers te staken en gestaakt te houden, in het bijzonder het online aanbieden van de integrale uitzending alsmede het publiceren van een samenvatting daarvan op www.avro.nl, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Ten slotte vorderen eisers gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 50.000,-- bij wijze van voorschot op de vergoeding van de door hen geleden schade.

2.2. Daartoe voeren eisers het volgende aan.

De Staat handelde en handelt thans nog steeds onrechtmatig jegens eisers door feiten onjuist en suggestief weer te geven en door publiekelijk in de uitzending op onevenwichtige en smadelijke wijze de aandacht te vestigen op de Orde. Dit doet bij het publiek de gedachte ontstaan dat de Orde en degenen die daartoe behoren op enigerlei wijze betrokken zijn bij de aanslag. Het OM heeft zich in de media ten aanzien van de Orde structureel in beschuldigende zin uitgelaten en haar steeds uitdrukkelijk genoemd als betrokkene, terwijl dit geen steun vindt in het strafdossier. Het OM heeft de onderzoeksresultaten onvolledig, onjuist en tendentieus weergegeven en gepaard laten gaan met een continue vermelding, verwijzing en beschuldiging ten aanzien van de Orde. In de uitzending wordt steeds melding gemaakt dat de mogelijke daders deel uitmaken van een bepaalde geloofsgemeenschap. Daarnaast zijn de uitlatingen van het OM strijdig met het verbod op discriminatie en de beginselen zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming voor de rechten van de mens (EVRM) en de in het maatschappelijk verkeer te verwachten zorgvuldigheid van de Staat jegens zijn burgers. Het behoren tot een bepaalde geloofsgemeenschap mag zonder nader specifiek belastend materiaal nimmer leiden tot het doen aanmerken van enig persoon als verdachte.

Kortom het OM heeft zich in zijn onderzoek uitsluitend geconcentreerd op leden van de Orde als mogelijke daders. Hij heeft daarbij zonder nader onderzoek de ongefundeerde en de onberedeneerde beschuldigingen van [A] als uitgangspunt van het opsporingsonderzoek genomen. Zo zijn een aantal leden van de Orde inmiddels in vrijheid gesteld die eerder in de loop van het onderzoek zijn aangehouden. Deze eenzijdigheid van het onderzoek heeft onevenredige en onherstelbare schadelijke gevolgen voor de waarheidsvinding en de eerlijkheid van het strafproces, alsook voor de levens van de hele geloofgemeenschap van de Orde. Leden van de Orde worden thans bedreigd en worden lastig gevallen. Hierdoor ontstaat mogelijk onherstelbare schade aan de belangen van eisers. De reeds geleden schade wordt vooralsnog begroot op € 50.000,--, welke bedrag als voorschot op schadevergoeding wordt gevorderd.

De AVRO heeft een eigen journalistieke verantwoordelijkheid en kan zich niet verschuilen achter de Staat.

2.3. Gedaagden voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de Staat (de minister van Justitie), meer in het bijzonder het OM, het vervolgingsmonopolie rust en hem dientengevolge een ruime beleidsvrijheid toekomt bij de vraag of een strafrechtelijk onderzoek moet worden ingesteld en zo ja, op welke wijze dat onderzoek moet worden ingericht. Vast staat dat de opsporingsberichtgeving een opsporingsmiddel is in strafvorderlijke zin teneinde de opsporing en bewijsvergaring te bevorderen en dat het inzetten van dat middel tot de verantwoordelijkheid van het OM behoort. De inzet van dat opsporingsmiddel zal in beginsel door de voorzieningenrechter moeten worden gerespecteerd, nu de wet niet voorziet in een voorafgaand rechterlijk toezicht op de opsporing en bewijsvergaring zoals die onder het gezag van het OM plaatsvinden. Het is in beginsel aan de strafrechter om daarover te oordelen. Slechts indien het OM in redelijkheid niet tot het aanwenden van het opsporingsmiddel opsporingsberichtgeving had kunnen komen of hij het middel op een manier heeft ingezet waartoe hij in redelijkheid niet had kunnen komen, is mogelijk een rol voor de voorzieningenrechter weggelegd. In het onderhavige geval zou dat bijvoorbeeld zo kunnen zijn indien evident is dat geen enkel onderzoeksresultaat duidt op vermoedelijke betrokkenheid van (één van) de leden van de Orde bij de aanslag.

3.2. Voorts heeft als uitgangspunt te gelden dat het programma erop gericht is de Staat in staat te stellen concrete vragen aan het publiek voor te leggen teneinde informatie over de strafzaak te verkrijgen. Het ligt daarom voor de hand dat bij het stellen van voormelde concrete vragen aansluiting wordt gezocht bij de tot dan toe aangetroffen onderzoeksresultaten. Dat het OM een selectie maakt van het in het strafdossier aangetroffen materiaal, teneinde voor de kijker een helder en duidelijk beeld van de situatie te kunnen schetsen, is tegen die achtergrond begrijpelijk. Concrete vragen zijn anders niet, althans nauwelijks te stellen. Het antwoord op de vraag of de uitzending, die thans nog via het internet is te bekijken onrechtmatig is en rectificatie geboden is, ligt, zoals ook op te maken is uit de onder 1.4 bedoelde Aanwijzing, in het spanningsveld tussen het zwaarwegend opsporingsbelang enerzijds en het recht op privacy en de daaraan gekoppelde bescherming van de eer en goede naam en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Hier staan dus twee hoogwaardige belangen tegenover elkaar: aan de ene kant de belangen die eisers hebben om niet door uitingen in de pers te worden aangetast in hun eer en goede naam, aan de andere kant het belang dat de Staat heeft om in het kader van het opsporingsonderzoek nadere informatie te vergaren over de strafzaak.

[eiser sub 1]

3.3. De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van [eiser sub 1] aldus dat de uitzending onrechtmatig is jegens hem, omdat de uitzending voortborduurt op het in zijn visie eenzijdige opsporingsonderzoek van het OM, dat zich enkel richt op de mogelijke betrokkenheid van leden van de Orde bij de aanslag. Hij kan, althans in zijn visie, dientengevolge geen eerlijk strafproces meer krijgen zoals neergelegd in artikel 6 EVRM. De Staat heeft dit standpunt bestreden.

3.4. Hier heeft te gelden dat het OM in beginsel vrijstaat zijn opsporingsonderzoek op de door hem voorgestane wijze in te richten, ook indien dat tot gevolg heeft dat het onderzoek, in de visie van [eiser sub 1], eenzijdig plaatsvindt. Of de eenzijdigheid van het opsporingsonderzoek tot gevolg heeft dat [eiser sub 1] geen kans meer heeft op een eerlijk strafproces is in beginsel ter beoordeling van de strafrechter. Zo al sprake zou zijn van een eenzijdig opsporingsonderzoek dan is het aan de strafrechter om daaraan eventueel – zo deze dat noodzakelijk zou achten – consequenties te verbinden. Zoals hiervoor onder 3.1 overwogen past een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter daarin in beginsel niet. Nu overigens de naam van [eiser sub 1] nimmer in de uitzending is genoemd en hij voorts geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan de uitzending jegens hem desalniettemin onrechtmatig zou zijn, ontberen zijn vorderingen enige grond.

De Orde

3.5. De Orde heeft aangevoerd dat de onderzoeksresultaten onvolledig, onjuist en tendentieus weergegeven zijn en dat continue vermelding van haar naam tijdens de uitzending onnodig grievend is, nu haar betrokkenheid niet uit het strafdossier blijkt.

3.6. De Staat heeft in dat kader bestreden dat in de uitzending de schijn is gewekt dat de Orde (mede)verantwoordelijk wordt gehouden voor de aanslag. In de uitzending is alleen melding gemaakt dat verscheidene leden van de Orde vermoedelijk betrokken zouden zijn bij de aanslag, aldus de Staat.

3.7. Vooropgesteld wordt dat het nuanceverschil zoals door de Staat betoogd tussen de Orde en leden van de Orde weliswaar blijkt uit de uitzending, zoals deels weergegeven onder 1.7, maar dat ondanks dat nuanceverschil toch niet uit te sluiten is dat de eer en goede naam van de Orde toch in het gedrang komen door de veronderstelde link met de aanslag. Of die aantasting ook onrechtmatig is hangt af van de bijzondere omstandigheden van het geval waarbij, gezien het toetsingsmaatstaf zoals weergegeven onder 3.2, een belangenafweging tussen partijen dient plaats te vinden.

3.8. Dat de Staat in deze zaak een zwaarwegend opsporingsbelang heeft is niet in geschil. De gepleegde aanslag betekent immers een ernstige inbreuk op de rechtsorde, temeer nu deze is gepleegd in een woonwijk op klaarlichte dag. De opsporing houdt in een dergelijk geval niet op bij de aanhouding van een of meerdere (hoofd)verdachten. Het OM heeft bovendien voldoende aannemelijk gemaakt dat bepaalde vragen nog onopgehelderd zijn gebleven. Zo is er niemand aangehouden die ervan verdacht wordt de schutter te zijn. Tegenover voormeld opsporingsbelang heeft de Orde als belang aangevoerd dat zij niet lichtvaardig mag worden blootgesteld aan ongefundeerde verdachtmakingen waardoor haar eer en goede naam wordt aangetast.

3.9. Uit het deels overgelegd strafrechtelijk dossier lijken vooralsnog voldoende aanwijzingen te bestaan die leiden in de richting van betrokkenheid van leden van de Orde bij de aanslag. Zo heeft het slachtoffer direct na de aanslag zijn vermoeden geuit dat de Orde, althans leden van de Orde, achter de aanslag zouden zitten. Daarnaast leiden diverse tijdens het onderzoek geconstateerde voertuigen, telefoons, telefoonnummers en overige telecommunicatiegegevens naar verscheidene leden van de Orde. Deze leden hebben bovendien ten tijde van de aanslag onderling telefonisch contact gehad. Ook is uit onderzoek gebleken dat eerder genoemde voertuigen en telefoons ten tijde van de aanslag in de omgeving van de plaats delict zijn gesignaleerd dan wel zijn gebruikt. Dat het strafrechtelijk onderzoek onder meer in deze richting plaatsvindt, is dan ook niet onbegrijpelijk. Voor zover de Orde heeft willen betogen dat de huidige opsporingsberichtgeving een eenzijdig opsporingsonderzoek oplevert, heeft ook hier te gelden dat een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter daarover in beginsel niet past. Dat uit het strafrechtelijk dossier ook andere aanwijzingen, niet in de richting wijzend van leden van de Orde, volgen die eveneens onderzocht dienen te worden, doet daaraan niet af. Het OM heeft, zoals onder 3.1 aangegeven, immers een ruime beleidsvrijheid hoe zijn onderzoek vorm te geven.

[eiser sub 1] en de Orde

3.10. Naar voorlopig oordeel weegt, het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, voorshands het opsporingsbelang van de Staat in dit geval zwaarder dan het belang van gedaagden op bescherming van hun eer en goede naam. Dit een en ander leidt tot de slotsom dat de Staat zijn eigen, bij voormelde Aanwijzing vastgelegde, toetsingsmaatstaf heeft nageleefd, hetgeen tot gevolg heeft dat de Staat niet onrechtmatig handelt, dan wel heeft gehandeld, jegens eisers. De grondslag voor de gevorderde schadevergoeding ontbreekt dan ook. De vorderingen van eisers zullen dan ook worden afgewezen.

3.11. Dit zo zijnde kan thans de beantwoording van de vraag of de AVRO zelfstandig verantwoordelijk is voor de inhoud van de uitzending, in het midden blijven.

3.12. Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.078,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 262,-- aan griffierecht en tot dusverre aan de zijde van de AVRO begroot op € 670,--, waarvan € 408,-- aan salaris gemachtigde en € 262,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling met betrekking tot de Staat uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Th. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2009.

nve