Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI3449

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
11-05-2009
Zaaknummer
AWB 08/26310 COA
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen centrumverbod / centrumverbod is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb, bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard / beroep ongegrond

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 72
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/26310 COA

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken d.d. 21 april 2009

inzake

[eiser], geboren op [1983], van Turkse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. M.H.R. Boer, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA),

verweerder,

Inleiding

1.1 Bij brief van 21 april 2008 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat hij vanaf die dag het terrein van de COA-locatie te Rotterdam voor onbepaalde tijd niet meer mag betreden.

1.2 Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 juni 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dat besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.3 Het geding is behandeld ter zitting van 5 februari 2009. Partijen zijn daar met kennisgeving niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

2.1 Bij besluit van 5 juni 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief van 21 april 2008 geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het bij die brief opgelegde centrumverbod een feitelijke mededeling behelst van de toepassing van zijn recht van eigendom om van het terrein gebruik te maken in de zin van artikel 5:1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. In het verweerschrift heeft verweerder benadrukt dat de verstrekkingen van eiser nooit zijn beëindigd dan wel beëindigd zijn geweest. Eiser is op 22 april 2008 naar de COA-locatie in Utrecht overgeplaatst, alwaar hij tot 1 september 2008 heeft verbleven, aldus verweerder.

2.2 De rechtbank stelt vast dat bij brief van 21 april 2008 geen sprake is van het onthouden dan wel het beëindigen van verstrekkingen bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, van die wet. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een maatregel die de beheerder van een gebouw kan treffen in het kader van het civiele recht. Tegen een dergelijke maatregel, niet zijnde een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb staat niet het in artikel 7:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb bedoelde rechtsmiddel open.

2.3 De rechtbank kan dan ook niet toekomen aan bespreking van het beroep dat eiser heeft gedaan op (paragraaf 5.1 van) het Reglement Onthoudingen Verstrekkingen en op artikel 72, derde lid, van de Vw en aan bespreking van de gestelde schendingen van de hoorplicht en de algemene beginselen van bestuur.

2.4 Uit het voorgaande volgt dat verweerder het bezwaar van eiser bij besluit van 5 juni 2008 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.P. Glerum en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2009.

De griffier: De rechter:

mr. K.S. Smits mr. M.P. Glerum

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.