Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI3380

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-05-2009
Datum publicatie
08-05-2009
Zaaknummer
332731 - KG ZA 09-334
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Is gedaagde gehouden om, ondanks de plaatsing van eiser op de VN-sanctielijst, het in beslag genomen geld en de in beslag genomen goederen terug te geven aan eiser, nu de strafzaken in het kader waarvan de beslagen hebben plaatsgevonden zijn geëindigd en de strafrechter de teruggave heeft bevolen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 6 mei 2009,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 332731 / KG ZA 09-334 van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. W.P. den Hertog te 's-Gravenhage,

tegen:

de Staat der Nederlanden,

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W. Heemskerk te 's-Gravenhage.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 22 april 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Op 17 maart 2006 is op grond van artikel 9 van de Opiumwet een strafrechtelijk onderzoek in de toenmalige woning van eiser te Amsterdam ingesteld. Bij dit onderzoek is een hoeveelheid contant geld, ten bedrage van € 2.974.300,-, aangetroffen, dat in beslag is genomen. Met instemming van de officier van justitie is een gedeelte van dit bedrag, groot € 1.486.514,10, aangewend ter voldoening aan een onherroepelijk geworden ontnemingsmaatregel die aan eiser was opgelegd bij vonnis van de rechtbank Zutphen van 31 mei 2005. Het resterende gedeelte, groot € 1.487.785,90, is onder het strafrechtelijke beslag blijven rusten.

1.2. Met een klaagschrift van 3 mei 2007 heeft eiser ingevolge artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan de rechtbank Rotterdam verzocht om teruggave van dit bedrag alsmede van geld en goederen (juwelen) waarop in een eerdere strafzaak tegen hem conservatoir beslag was gelegd. Op 29 mei 2007 heeft de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Rotterdam de behandeling van het klaagschrift voor onbepaalde tijd geschorst en de zaak verwezen naar de meervoudige raadkamer in strafzaken van diezelfde rechtbank.

1.3. Op grond van resolutie 1532 (2004) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (hierna: de VN) heeft het Sanctiecomité Liberia van de VN een zogeheten "Assets Freeze List" (hierna te noemen: de VN-sanctielijst) opgesteld met de namen van personen en organisaties wier tegoeden dienen te worden bevroren om te voorkomen dat deze worden gebruikt om het vredes- en stabiliseringproces in Liberia te verstoren. Op deze lijst komt de naam [X] voor, aanvankelijk met de vermelding: "Businessman, involved in arms delivery to Charles Taylor in 2003, still in relation with former Liberian President Charles Taylor." De VN-sanctielijst is in de Europese Unie (EU) geïmplementeerd door middel van de Verordening (EG) nr. 872/2004 van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake verdere restrictieve maatregelen ten aanzien van Liberia (Pb EG L 162). Ter uitvoering van deze verordening is in Nederland, op basis van de Sanctiewet, de Sanctieregeling Liberia 2004 (Stcrt. 13 juli 2004, nr. 131) uitgevaardigd. Op grond van deze ministeriële regeling is het verboden te handelen in strijd met de artikelen 2 en 8 van de Verordening (EG) nr. 872/2004.

1.4. Tijdens een politieverhoor op 15 januari 2008 heeft eiser verklaard dat hij dezelfde persoon is als de [X] die is vermeld op de VN-sanctielijst. Volgens zijn verklaring heeft een verhouding gehad met de dochter van Charles Taylor en is daaruit een kind geboren, maar heeft hij overigens geen idee waarom hij op de lijst is terechtgekomen.

1.5. Met een brief van 20 mei 2008 heeft de officier van justitie te Rotterdam aan eiser bericht dat de strafzaak tegen hem is geseponeerd ("onvoldoende wettig en overtuigend bewijs") en dat zij na de sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek formeel de beslissing tot teruggave van het resterende, onder het beslag rustende, geldbedrag zou nemen. Hierbij heeft de officier van justitie meegedeeld dat, gelet op de plaatsing van eiser op de VN-sanctielijst, niet kon worden overgegaan tot feitelijke teruggave van het in beslag genomen geld aan eiser.

1.6. Op 15 december 2008 heeft de meervoudige raadkamer van de rechtbank Rotterdam beslist op het onder 1.2 vermelde klaagschrift van eiser. Die rechtbank heeft eiser niet-ontvankelijk verklaard voor zover het beklag zich richt tegen het achterwege laten van de feitelijke teruggave van het geld en de juwelen. Voor het overige is eiser ontvankelijk verklaard en is zijn beklag gegrond verklaard. De rechtbank heeft de teruggave gelast van het bedrag van € 1.487.785,90 en van een tevens in beslag genomen kleiner geldbedrag en de juwelen.

1.7. Bij brief van 18 februari 2009 is namens de VN afwijzend gereageerd op het door de advocaat van eiser op 11 juni 2008 ingediende verzoek om de naam van eiser van de VN-sanctielijst te verwijderen. De brief van de VN vermeldt, voor zover van belang, het volgende:

"(...) I am hereby informing you that, by letter of 11 February 2009, the Acting Chairman of the Committee informed me that the process of consideration of the de-listing request within the Committee has been completed and that your client's name remains on the Committee's list."

1.8. Blijkens de laatste aanpassing van de VN-sanctielijst is achter de naam [X] thans nog het volgende vermeld: "Businessman, involved in arms delivery to Charles Taylor in 2003."

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiser vordert, zakelijk weergegeven, gedaagde op straffe van een dwangsom te gelasten om de beslissing van 15 december 2008 van de meervoudige raadkamer van de rechtbank Rotterdam ten uitvoer te leggen en om daartoe de in beslag genomen goederen en het in beslag genomen geld, inclusief de rente, terug te geven aan eiser.

2.2. Hiertoe voert eiser het volgende aan. Gedaagde handelt onrechtmatig jegens eiser door in weerwil van de beslissing van 15 december 2008 de teruggave van het geld en de goederen achterwege te laten. Plaatsing van eiser op de VN-sanctielijst kan geen belemmering vormen voor de teruggave van het geld en de goederen. Uit het Kadi-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG 3 september 2008, C-402/05 P en C-415/05 P) vloeit immers voort dat de EG-verordeningen waarmee de VN-resoluties - op basis waarvan VN-sancties, zoals die tegen eiser, zijn opgelegd - in de EU zijn geïmplementeerd, nietig zijn wegens strijd met de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, en dan in het bijzonder met het beginsel van effectieve rechtsbescherming en het recht op de eerbiediging van eigendom. Voor eiser zijn, evenals in het Kadi-arrest het geval was ten opzichte van degenen die het desbetreffende beroep hadden ingesteld, de gronden waarop hij op de VN-sanctielijst is geplaatst, niet duidelijk. Hij ontkent elke betrokkenheid bij wapenhandel. Hij heeft niet de mogelijkheid gehad zijn verweren tegen de plaatsing op de lijst kenbaar te maken bij de EU of de VN. De schending van zijn rechten blijkt ook uit het recente feit dat de VN zijn verzoek om schrapping van zijn naam van de lijst, zonder opgaaf van redenen heeft afgewezen.

Indien eiser een procedure aanhangig zou maken bij het Hof van Justitie van de EG (hierna: HvJ EG), is het zeer waarschijnlijk dat de Verordening (EG) Nr. 872/2004 vernietigd wordt, zodat de voorzieningenrechter nu reeds de teruggave van het geld en de goederen kan bevelen.

Indien en voor zover de voorzieningenrechter meent dat dit niet mogelijk is, zal hij dienaangaande een prejudiciële vraag aan het HvJ EG moeten stellen.

Eiser heeft een spoedeisend belang bij de toewijzing van zijn vordering, aangezien hij door het uitblijven van de teruggave van het geld in financiële nood dreigt te raken.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. De kern van het geschil wordt gevormd door de vraag of gedaagde gehouden is om, ondanks de plaatsing van eiser op de VN-sanctielijst, het in beslag genomen geld en de in beslag genomen goederen terug te geven aan eiser, nu de strafzaken in het kader waarvan de beslagen hebben plaatsgevonden zijn geëindigd en de strafrechter de teruggave heeft bevolen.

3.2. Deze beslissing van de strafrechter is niet doorslaggevend voor het antwoord op de onder 3.1 vermelde vraag. De weigering van gedaagde om het geld en de goederen aan eiser terug te geven is immers niet gerelateerd aan een strafzaak tegen hem, maar berust op de Sanctieregeling Liberia, in verbinding met de genoemde Verordening. Het geschil betreft dus in wezen de vraag naar de geldigheid van de Verordening (EG) nr. 872/2004.

3.3. Het door eiser aangehaalde Kadi-arrest heeft niet rechtstreeks betrekking op de Verordening (EG) nr. 872/2004. Bij dat arrest is een andere verordening gedeeltelijk nietig verklaard, namelijk Verordening (EG) nr. 881/2002, die onder meer strekte tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa'ida-netwerk en de Taliban. Het Hof van Justitie EG heeft de gevolgen van de Verordening nr. 881/2002, voor het vernietigde gedeelte, gehandhaafd gedurende een periode van drie maanden, gerekend vanaf de datum van de uitspraak van zijn arrest.

3.4. Uit de gronden van het Kadi-arrest volgt dat onzeker is of Verordening (EG) nr. 872/2004, voor zover daarop de thans aan de orde zijnde maatregelen tegen eiser zijn gebaseerd, stand zal houden. Weliswaar is eiser bekend met de reden van handhaving van zijn plaatsing op de VN-sanctielijst, maar uit de tot dusver bekende gegevens kan niet worden afgeleid welke concrete feiten ten grondslag liggen aan de verdenking dat hij betrokken is geweest bij wapenleveranties aan Charles Taylor en welke (effectieve) mogelijkheden hij heeft gehad om zich tegen deze verdenking te verweren. Zijn gemotiveerde verzoek van 11 juni 2008 is ongemotiveerd van de hand gewezen.

3.5. Dit rechtvaardigt echter niet dat het geld en de goederen thans aan eiser worden teruggegeven. Op basis van de nu bekende gegevens kan niet met een voldoende mate van nauwkeurigheid en waarschijnlijkheid worden geoordeeld tot welke beslissing de Europese rechter in de zaak van eiser zal komen. Ook is van belang dat als het HvJ EG ten aanzien van eiser de nietigheid van de hier toepasselijke verordening zal uitspreken, de teruggave aan eiser daarvan niet de dwingende en directe consequentie is. In het Kadi-arrest zijn de gevolgen van de nietig verklaarde verordening nog enige tijd gehandhaafd. Hierdoor heeft de Raad van de EU de mogelijkheid gekregen naar behoren rekening te houden met de belangrijke gevolgen die de betrokken beperkende maatregelen hebben voor de rechten en vrijheden van de rekwiranten in die zaak (§ 375 van het arrest). Nietigverklaring met onmiddellijke ingang zou naar het oordeel van het Hof op ernstige en onomkeerbare wijze afbreuk kunnen doen aan de doeltreffendheid van de beperkende maatregelen (§ 373).

3.6. Dit leidt tot afwijzing van eisers vordering. Weliswaar beklaagt hij zich terecht over de onduidelijkheid van de plaatsing en handhaving van zijn naam op de VN-sanctielijst, maar daarmee is niet gezegd dat de sancties tegen hem ten onrechte zijn uitgevaardigd. Binnen het beperkte kader van dit kort geding is op dit punt voor een nader onderzoek geen plaats. Tot het stellen van een prejudiciële vraag is de voorzieningenrechter niet verplicht, en hij ziet hiertoe ook niet voldoende reden.

3.7. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.078,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 262,- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2009.

WJ