Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2913

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
04-05-2009
Zaaknummer
AWB 07/9659 IB/PVV
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BL7315, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

X is in het onderhavige jaar eigenaar van een zeewaardig motorjacht. Dit schip is 55 meter lang en heeft 4 verdiepingen. Op het schip bevinden zich onder meer een disco, 3 bars, diverse zonnedekken met een jacuzzi, een keuken en een groot aantal slaapkamers. Het is mogelijk een feest voor 200 personen op dit schip te geven. Eiser woonde, tezamen met zijn echtgenote, in het onderhavige jaar op het schip. X is een aantal malen op zee uitgevaren, onder meer als Sinterklaasboot.

Rechtbank 's-Gravenhage oordeelt dat het schip niet als eigen woning in de zin van artikel 3:111 van de Wet IB 2001 kan worden aangemerkt. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/33.2.4
Vp-bulletin 2009, 41
FutD 2009-0983
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/9659 IB/PVV

Uitspraakdatum: 9 april 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

De erven van [X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 5 december 2007 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2003 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer]) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 123.820.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2009.

Namens eiser zijn verschenen mr. [A] en [B]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [C] en [D]

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1. Eiser was in het onderhavige jaar eigenaar van de woning aan de [adres]. Voorts was eiser in het onderhavige jaar eigenaar van het zeewaardige motorjacht '[motorjacht]'. Dit schip is 55 meter lang en heeft 4 verdiepingen. Op het schip bevinden zich onder meer een disco, 3 bars, diverse zonnedekken met een jacuzzi, een keuken en een groot aantal slaapkamers. Het is mogelijk een feest voor 200 personen op dit schip te geven. Het schip gebruikte een ligplaats van Rederij [G], gelegen tussen de vissersboten en grote bedrijfsboten aan de [plaats], en lag daar met trossen vast. Volgens artikel 24, eerste lid, van de Verordening Scheveningen Haven 1999 was het verboden in de haven een schip langer dan 30 dagen te doen verblijven, zonder dat het voor de vaart ter zee wordt gebruikt. Indien een schip over een vaste ligplaats beschikt, verlenen burgemeester en wethouders een ontheffing van dit verbod. Eiser beschikte niet over een zodanige ontheffing. De gemeente gedoogde de situatie. Van begin augustus 2003 tot en met het overlijden van eiser (op 9 december 2004) heeft hij op genoemd schip gewoond. Door Rederij [G] werd elektriciteit geleverd door middel van walstroom via een kabel. Deze kabel kon worden losgekoppeld. Eiser kon het schip met behulp van generators zelfstandig van stroom voorzien. Er was geen sprake van een water en/of rioolaansluiting aan de wal. Aan het schip is door het havenbedrijf van de gemeente Den Haag één keer een grote hoeveelheid water geleverd. Voor het schip is havengeld en zijn kosten voor water en elektriciteit betaald. De woning aan de [adres] heeft eiser gemeubileerd achtergelaten.

2.2. Op 14 augustus 2003 heeft eiser een overeenkomst met [E] B.V. ondertekend waarin een verkoopopdracht terzake van de [motorjacht] is vastgelegd. In de periode 12 augustus tot en met 31 december 2003 heeft eiser een aantal keren met het schip gevaren. Eiser heeft in oktober 2003 een proefvaart gemaakt voor [F]; dit bedrijf had het schip als cruise- en evenementenschip op haar website geplaatst. Voorts is eiser in november 2003 met zijn schip uitgevaren op zee om de intocht van sinterklaas te verzorgen; eiser haalde met zijn schip sinterklaas op. In juni 2003 zou eiser in verband met vlaggetjesdag met het schip de zee op varen. Dit laatste is echter niet doorgegaan. Van 25 maart tot en met 16 juli 2004 heeft eiser een reis gemaakt met het schip naar de Canarische eilanden in verband met vakantie.

2.3. In geschil is of het in 2.1 vermelde schip kon worden aangemerkt als eigen woning in de zin van artikel 3:111, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het schip duurzaam aan een plaats was gebonden.

2.4. Gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat de proefvaart in 2003 voor [F] is gemaakt, omdat het schip te koop stond. Het schip is voor de verkoop omgebouwd. Het was volgens gemachtigde niet de bedoeling het schip door [F] commercieel te laten exploiteren, omdat eiser en zijn echtgenote woonachtig waren op het schip. Voorts heeft hij ter zitting verklaard dat eiser en zijn echtgenote op het schip wilden blijven totdat het zou zijn verkocht.

2.5. Artikel 3:111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) luidt voor zover hier van belang:

"1. In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder eigen woning: een gebouw, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen in de zin van artikel 1 van de Woningwet, of een gedeelte van een gebouw, een schip of een woonwagen, met de daartoe behorende aanhorigheden, voorzover dat, anders dan ten behoeve van een onderneming, de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van:

a. eigendom, waaronder begrepen economische eigendom, of een recht van lidmaatschap van een coöperatie, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeverandering hen grotendeels aangaat;

b. (...)"

Uit de parlementaire geschiedenis volgt:

"Het eerste lid brengt tevens het woonschip onder het begrip eigen woning. Maatschappelijk wordt een duurzaam aan een plaats gebonden (woon)schip als een eigen woning ervaren. (...) Onder woonschepen worden in dit kader uitsluitend verstaan schepen die duurzaam aan een plaats gebonden zijn. Dat een dergelijk schip eens in de paar jaar voor survey en onderhoud wordt verplaatst, is geen belemmering om te voldoen aan de voorwaarde dat het schip duurzaam aan een plaats moet zijn gebonden. Daarentegen is een regelmatig varend schip, bijvoorbeeld een rijnaak of een pleziervaartuig, uitgesloten van de eigenwoningregeling. (...)"

MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 144-147.

"Onder de Wet IB 2001 wordt onder een eigen woning mede begrepen een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen, voorzover ze anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staan. Van een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen is sprake indien aan de hand van de feiten en omstandigheden vastgesteld kan worden dat het schip of de woonwagen gebonden is aan een plaats, die bedoeld is om als vaste basisplaats van het schip of de woonwagen te dienen. Relevante criteria daarbij zijn bijvoorbeeld de verplaatsbaarheid, een vaste electriciteitsaansluiting of een vaste rioolaansluiting."

NV, Kamerstukken II 2000/01, 27 466, nr. 6, blz. 73.

"(...). Eén van de criteria waar een woonschip aan moet voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor de eigen woningregeling is dat het duurzaam aan een plaats moet zijn gebonden. Wanneer aan deze voorwaarde niet wordt voldaan, kan er geen sprake zijn van een woonschip. Er bestaan geen alternatieve criteria waardoor het gebrek in een van de voorwaarden kan worden opgeheven."

NV, Kamerstukken II 1999/2000, 26 2727, nr. 7, blz. 477.

"De leden van de fractie van de PvdA vragen naar aanleiding van opmerkingen met betrekking tot woonschepen, die niet duurzaam aan een plaats zijn gebonden, op bladzijde 477 van de Nota naar aanleiding van het Verslag of het scheepsregister van het Kadaster en het scheepshypotheekregister in dezen geen uitkomst kunnen bieden. Voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een eigen woning is het niet van belang dat een bepaald schip is geregistreerd, hetgeen uit de genoemde registers kan blijken. De cruciale vraag bij een schip om als eigen woning te worden aangemerkt, is of het schip duurzaam aan een plaats is gebonden. Als dit niet het geval is, is er geen sprake van een vaste woon- of verblijfplaats. Een dergelijk schip vertoont dan meer overeenkomst met een vakantiewoning. Daarbij zou voorts de mogelijkheid ontstaan om pleziervaartuigen als eigen woning in box I aan te laten merken, inclusief hypotheekrenteaftrek."

NV, Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 17, blz. 251.

2.6. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3:111 van de Wet IB 2001 volgt dat de wetgever een schip als eigen woning heeft willen aanmerken, indien dit maatschappelijk zo wordt ervaren. Indien een schip duurzaam aan een plaats is gebonden, is dit het geval (MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 144-147). Het moet gaan om een vaste woon- of verblijfplaats. Schepen die meer overeenkomst met een vakantiewoning tonen, vallen niet onder het begrip eigen woning (NV, Kamerstukken II 1999/2000, 26.727, nr. 17, blz. 251). Het schip dient te zijn gebonden aan een plaats, die bedoeld is om als vaste basisplaats van het schip te dienen. Uit de wetsgeschiedenis volgt voorts dat de omstandigheid dat het schip zeer incidenteel uitvaart of moet uitvaren geen belemmering is om aan te nemen dat het schip duurzaam aan een plaats is gebonden (MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 144-147).

2.7. Naar het oordeel van de rechtbank kan [motorjacht]. niet als eigen woning in de zin van artikel 3:111 van de Wet IB 2001 worden aangemerkt, omdat het schip, gelet op de feiten en omstandigheden, naar het oordeel van de rechtbank niet duurzaam gebonden was aan de in 2.1 vermelde ligplaats, en omdat die plaats ook niet was bedoeld om als vaste basisplaats van het schip te dienen. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser reeds vanaf augustus 2003 de intentie had het schip te verkopen. Hij zou slechts tot het moment dat het schip verkocht was op het schip verblijven. De omstandigheid dat het schip op de in 2.1 vermelde ligplaats mocht liggen, was gelegen in de goede relatie die eiser met Rederij [G] had. Voorts acht de rechtbank van belang dat het schip eenvoudig weg kon varen, enkel de trossen dienden te worden losgegooid, voor langere reizen geheel zelf voorzienend was, en ook daadwerkelijk meerdere malen voor pleziervaarten is uitgevaren (een proefvaart, de intocht van sinterklaas en een vakantie van ruim 3,5 maand) en het de bedoeling was om voor vlaggetjesdag uit te varen. Daarmee staat vast dat eiser gerekend vanaf het moment dat hij op het schip ging wonen, binnen een jaar meer dan incidenteel is uitgevaren (zie ook Hoge Raad 11 oktober 2000, nr. 33.540, BNB 2000/381). Derhalve is het gelijk aan de zijde van verweerder, en kan het schip niet als eigen woning worden aangemerkt. Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat eiser niet over voormelde ontheffing beschikte, maar dat de gemeente kennelijk deze situatie tijdelijk gedoogde. Dat het schip niet als pleziervaartuig in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet pleziertuigen kan worden aangemerkt, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

2.8. Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

2.9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus vastgesteld door mr. mr. R.C.H.M. Lips, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.R.M. Dekker. Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2009.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.