Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2897

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-04-2009
Datum publicatie
04-05-2009
Zaaknummer
AWB 08/3790 OB en AWB 08/3794 OB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting 2002-2006. Detachering van personeel in jeugdhulpverlening is niet vrijgesteld van omzetbelasting. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/37.19 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0986
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, meervoudige kamer

Procedurenummers: AWB 08/3790 OB en AWB 08/3794 OB

Uitspraakdatum: 22 april 2009

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen

Stichting [X], gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de tijdvakken 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 en 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 opgelegd van respectievelijk € 83.844 en € 6.789 alsmede - tezamen met eerstbedoelde naheffingsaanslag - een boete van € 4.537.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 11 april 2008 de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 verminderd tot € 38.488, de boete verminderd tot € 3.848 en de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brieven van 22 mei 2008, door de rechtbank ontvangen op 23 mei 2008, twee afzonderlijke beroepen ingesteld. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2009 te 's-Gravenhage.

Namens eiseres zijn daar verschenen [A] en drs. [B]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [C] en [D]. Voorafgaand aan de zitting heeft verweerder een pleitnota met bijlagen toegezonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiseres is werkzaam op het gebied van de jeugdzorg. Haar activiteiten zijn te onderscheiden in drie hoofdgroepen, te weten dagbehandeling, residentiële hulpverlening en ambulante jeugdzorg. Daarnaast wordt in samenwerking met derden pleegzorg aangeboden en deelgenomen in projecten.

2.2. Gedurende de naheffingstijdvakken was op de onder 2.1 omschreven werkzaamheden, afgezien van de na te noemen terbeschikkingstelling, de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) van toepassing.

2.3.1. Eiseres heeft in de naheffingstijdvakken twee personeelsleden (hierna: de werknemers), sociaal-pedagogen die tijdelijk boventallig waren, tegen vergoeding ter beschikking gesteld aan andere instellingen.

2.3.2. Het betreft in de eerste plaats de heer [E]. Hij heeft zich bij eiseres gedurende drie jaar gespecialiseerd in ISO-certificering van de jeugdhulpverlening en is vervolgens ter beschikking gesteld aan de stichting MEE, zodat deze gebruik kon maken van zijn expertise op het gebied van ISO-certificering van de jeugdhulpverlening.

2.3.3. Daarnaast betreft de terbeschikkingstelling de heer [F]. Hij was teamleider en sectormanager en is tijdelijk ter beschikking gesteld aan de stichting STEK om leiding te geven aan een team van sociaal-pedagogen bij het opzetten c.q. uitbreiden van een school. Na afronding van dat project is de heer [F] weer teruggekeerd naar eiseres. De stichting STEK is een jeugdzorginstelling en heeft een vergelijkbare doelstelling als eiseres.

2.3.4. In artikel 8, vierde lid, van de ter zake van de voormelde terbeschikkingstellingen opgemaakte detacheringsovereenkomsten is vermeld: "Eventueel verschuldigde BTW wordt gedeeld door [MEE c.q. STEK] en [eiseres]."

2.4. De naheffingsaanslagen en de boete zijn opgelegd naar aanleiding van een door verweerder bij eiseres ingesteld boekenonderzoek. Naar aanleiding van de bevindingen uit het onderzoek heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het ter beschikking stellen van de werknemers aan de stichting MEE en de stichting STEK kwalificeert als het, anders dan bijkomstig en incidenteel, detacheren van personeel en heeft hij over de voor die terbeschikkingstelling ontvangen vergoedingen € 24.701 (na de vermindering in bezwaar) aan omzetbelasting nageheven.

2.5. In onderdeel 4.2 van het van het boekenonderzoek opgemaakte rapport is onder meer het volgende vermeld:

"Op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 wordt een boete opgelegd van 10% met een maximum van € 4.537. De boete bedraagt dus € 4.537."

Op het aanslagbiljet waarop de boetebeschikking is opgenomen is vermeld:

"U bent reeds geïnformeerd over de gronden waarop deze boete berust.

(...)

De boete is gebaseerd op artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en op het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998."

3 Geschil

3.1. Tussen partijen is in geschil of de ontvangen vergoedingen voor het ter beschikking stellen van de werknemers zijn onderworpen aan de heffing van omzetbelasting, welke vraag eiseres ontkennend, en verweerder bevestigend beantwoordt. Daarnaast is de boete in geschil.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

3.3. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de naheffingsaanslagen tot € 13.787 (voor het tijdvak 2002-2005) onderscheidenlijk nihil (voor het tijdvak 2006) en vermindering van de boete tot nihil. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

4.1. Eiseres heeft primair het standpunt ingenomen dat de prestaties die zij jegens de stichting MEE en de stichting STEK heeft verricht prestaties van sociale of culturele aard in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet zijn.

4.2. De vaststaande feiten en de inhoud van de overeenkomsten die aan de onder 2.3.4 genoemde terbeschikkingstelling van de werknemers ten grondslag liggen, laten evenwel geen andere conclusie toe dan dat de door eiseres jegens de stichting MEE en de stichting STEK verrichte prestaties bestaan uit het ter beschikking stellen van personeel door eiseres aan beide stichtingen. Anders dan eiseres heeft betoogd, is het feit dat de ISO-certificering ziet op de jeugdhulpverlening en er destijds nog geen sprake was van certificering door daarin gespecialiseerde bureaus in deze branche, geen reden om de activiteiten van de heer [E] aan te merken als prestaties van sociale of culturele aard in vorenbedoelde zin. Ook de activiteiten van de heer [F] worden weliswaar verricht in de context van de jeugdhulpverlening, doch dat is op zichzelf onvoldoende om deze activiteiten, die primair het management betroffen, te kwalificeren als prestaties van sociale of culturele aard in vorenbedoelde zin.

4.3. Voor dat geval is eiseres subsidiair van mening dat de terbeschikkingstelling is vrijgesteld door toepassing naar analogie van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 2007, zaak C-434/05, BNB 2008/100, en van de Hoge Raad van 6 juni 2008, nr. 40 324, BNB 2008/210 (Horizon College) op de in artikel 13.A., eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Zesde richtlijn opgenomen vrijstelling. In dit verband voert eiseres tevens aan dat 13.A. van de Zesde Richtlijn niet toestaat dat in artikel 7, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: Uitv.besl. OB) het ter beschikking stellen van personeel op voorhand, zonder inhoudelijke toetsing of er sprake is van concurrentievervalsing, wordt uitgesloten van de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet. Volgens eiseres is er geen sprake van concurrentievervalsing.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat eiseres jegens de stichting MEE en de stichting STEK prestaties heeft verricht die nauw samenhangen met de bescherming van kinderen en jongeren (13.A., eerste lid, aanhef en onderdeel h, Zesde Richtlijn) en evenmin prestaties die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en sociale zekerheid (13.A., eerste lid, aanhef en onderdeel g, Zesde Richtlijn). De door eiseres verrichte prestaties bestaan uit het ter beschikking stellen aan de stichting MEE en de stichting STEK van personeel dat zich bezighoudt met taken op het gebied van kwaliteitsborging onderscheidenlijk management. Deze terbeschikkingstelling vormt geen bescherming van kinderen en jongeren, maatschappelijk werk of sociale zekerheid in de hiervoor bedoelde zin en staat naar het oordeel van de rechtbank ook in te ver verwijderd verband daarmee.

4.5. De uitzondering in artikel 7, tweede lid, aanhef en onderdeel c, Uitv.besl. OB, is opgenomen om concurrentieverstoringen ten opzichte van diensten van commerciële uitzendbureaus te voorkomen. Met deze bepaling is invulling gegeven aan het bepaalde in artikel 13.A., tweede lid, vierde gedachtestreepje, Zesde Richtlijn en is gewaarborgd dat de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet niet leidt tot concurrentievervalsing ten nadele van commerciële ondernemingen die aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen. Van strijd met artikel 13.A van de Zesde Richtlijn is derhalve, anders dan eiseres stelt, geen sprake.

4.6. Eiseres doet meer subsidiair een beroep op de vrijstelling in artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet. Het beroep faalt. De door eiseres jegens de stichting MEE en de stichting STEK verrichte prestaties bestaan uit het ter beschikking stellen van personeel dat zich bezighoudt met taken op het gebied van kwaliteitsborging onderscheidenlijk management. Deze terbeschikkingstelling kan niet worden aangemerkt als diensten aan de jeugd en de jeugdleiders als bedoeld in voormeld onderdeel d.

4.7. Eiseres heeft aangevoerd dat niet-winstbeogende instellingen die zich hebben toegelegd op kwaliteitstoetsing, -ondersteuning en -onderzoek door de Belastingdienst [plaats] doorgaans worden erkend als instellingen van sociale of culturele aard op grond van onderdeel c van Bijlage B behorend bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Eiseres beroept zich in dit verband op het gelijkheidsbeginsel. Eiseres heeft geen namen genoemd van belastingplichtigen en heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de andere belastingplichtigen feitelijk en rechtens gelijk zijn aan eiseres. Hieruit volgt reeds dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

4.8.1. Gelet op de hoogte van de boete, de motivering daarvan in het controlerapport en de verwijzing op het aanslagbiljet naar de reeds meegedeelde gronden voor de boete - waarmee naar de rechtbank begrijpt wordt gedoeld op de motivering in het controlerapport - kan er redelijkerwijs geen misverstand over bestaan dat de opgelegde boete een verzuimboete als bedoeld in artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 is en dat verweerder ook heeft beoogd een dergelijke verzuimboete op te leggen. De andersluidende vermelding op het aanslagbiljet betreft klaarblijkelijk een administratieve vergissing.

4.8.2. Met het vorenstaande ontvalt de grond aan het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel, nu dat beroep ervan uitgaat dat een vergrijpboete is opgelegd.

4.8.3. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een pleitbaar standpunt. De omstandigheid dat verweerder in de bezwaarfase heeft overwogen de kwestie voor te leggen aan een interne kennisgroep is daartoe onvoldoende.

4.9. De boete is aangekondigd op 13 maart 2007 door middel van toezending van het controlerapport. Het tijdsverloop sinds dat tijdstip tot de datum van deze uitspraak bedraagt meer dan twee jaar. Mede gelet op het uit het dossier met nummer 08/3794 blijkende procesverloop is hiermee de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM overschreden. De rechtbank zal daarom de boete matigen met vijf percent.

4.10. De rechtbank komt tot de slotsom dat de beroep in de zaak met nummer 08/3790 ongegrond is en dat het beroep in de zaak met nummer 08/3794 gegrond is.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep in de zaak met nummer 08/3794 redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Voor vergoeding van griffierecht bestaat geen grond, nu in de zaak met nummer 08/37934 geen griffierecht is geheven.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep in de zaak met nummer 08/3790 ongegrond;

- verklaart het beroep in de zaak met nummer 08/3794 gegrond doch uitsluitend voor zover het de boetebeschikking betreft;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking;

- vermindert de boete tot € 4.310 en bepaalt dat deze uitspraak in zo verre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 805 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan eiseres moet voldoen.

Aldus vastgesteld door mr. K.M. Braun, mr. L. de Loor-Alwin en mr. A.E. Spiessens, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. Holdert.

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2009.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.