Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2870

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
AWB 07/2023 IB/PVV en AWB 07/2025 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omkering bewijslast omdat niet is voldaan aan inlichtingenverplichting ex artikel 47 Awr. Alsnog verstrekken van een deel van de gevraagde gegevens in beroep doet aan de omkering van de bewijslast niet af. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/35.6 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0995
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 07/2023 IB/PVV en AWB 07/2025 IB/PVV

Uitspraakdatum: 19 maart 2009

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2001 en 2002 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 18.374 (2001) en € 23.770 (2002).

1.2. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 31 januari 2007 de navorderingsaanslagen gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brieven van 14 maart 2007, ontvangen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en twee verweerschriften ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2008 te 's-Gravenhage.

Namens eiser is verschenen mr. [A]. Namens verweerder zijn verschenen [B] en [C].

1.6. Tevens zijn ter zitting de beroepen van de echtgenote van eiser, [Y], inzake de aan haar opgelegde navorderingsaanslagen voor de jaren 2001 en 2002 behandeld. Voormelde beroepen zijn bij de rechtbank onder de nummers AWB 07/2021 IB/PVV en AWB 07/2022 IB/PVV geregistreerd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser heeft in 2001 en 2002 een bijstandsuitkering van respectievelijk € 7.436 en € 8.770 genoten. Eiser was voor deze jaren niet beschreven voor de inkomstenbelasting.

2.2. Op 6 november 1998 is de Stichting [D] (hierna: de stichting) opgericht. De stichting houdt zich volgens haar statuten bezig met "de sociale en juridische ondersteuning dienstverlening voor mensen die afkomstig zijn uit Brazilië, zowel degenen die zich in Nederland vestigen als degenen die al in Nederland gevestigd zijn".

2.3. Eiser stond samen met zijn echtgenote, [E] en [F] vanaf 6 november 1998 in het handelsregister van de kamer van koophandel als bestuurder van de stichting ingeschreven.

2.4. Bij brief van 8 april 2006 heeft verweerder bij de stichting een boekenonderzoek aangekondigd. Het boekenonderzoek had tot doel de aanvaardbaarheid vast te stellen van de aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting over de jaren 2001 tot en met 2004 alsmede van de administratieve vastleggingen van de stichting. Op 25 april 2006 zou het boekenonderzoek aanvangen. De controlerend ambtenaar trof op die datum niemand aan op het adres van de stichting. Het boekenonderzoek heeft geen doorgang gevonden.

2.5. Verweerder heeft op 31 mei 2006 een anonieme klikbrief over eiser en de stichting ontvangen. In deze brief staat onder meer - voor zover van belang - het volgende vermeld:

"Hierbij wil ik u erop wijzen, dat er in [plaats] een stichting zit genaamd * [D]*, die zich als stichting voordoet maar dit in werkelijkheid, in het geheel niet is.

Deze meneer weet het belastingrecht, zeer goed te manipuleren, hij verdient hier uitzonderlijk flinke bedragen mee.

Deze bedragen o.a., heeft hij geïnvesteerd in onroerend goed in Brazilië.

Hij doet zich voor als zijnde een hulporganisatie voor "hulp aan de arme slachtoffers van vrouwenhandel;

Maar in werkelijkheid is zijn z.g. stichting een bedrijf om Zuid Amerikaanse en Oostblok dames, en prostituees te helpen aan verblijfsvergunningen, maar dit wel, tegen flinke vergoedingen, (...).

De stichting staat z.g. op naam van zijn vrouw (...).

(...)

Adres

[Stichting]

[adres]

Deze man en zijn advocate lichten de belasting flink op.

Zijn naam is [eiser].".

2.6. Bij brief van 21 juni 2006, gericht aan de stichting, ter attentie van eiser en diens echtgenote, heeft verweerder onder meer - voor zover van belang - het volgende meegedeeld:

"Na diverse telefoongesprekken en de brief van 08 april 2006 waarin ik aangegeven heb om bij u een boekenonderzoek in te stellen heb ik tot op heden nog niet over enige administratie van de [stichting] kunnen beschikken.

Uit bovenstaande dient geconcludeerd te worden dat er geen deugdelijke administratie is gevoerd. Er is derhalve sprake van omkering van de bewijslast.

Gezien het hiervoor vermelde, het controlerapport uit 2000 betreffende de controle van de [stichting] over de jaren 1998 t/m 1999 en het feit dat u heeft aangegeven dat er in ieder geval na 2003 geen activiteiten meer door u en uw echtgenote zijn ontplooid voor [stichting] ben ik voornemens om over de jaren 2001 en 2002 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting\premie volksverzekeringen op te leggen (...)

De correcties zullen voor u en voor uw echtgenote elk € 15.000 bedragen.

(...)

tabel 1

(...)

Daarnaast zal ik de [stichting] laten ontbinden.

Ik stel u in de gelegenheid om binnen 2 weken na dagtekening van deze kennisgeving de gronden waarop mijn voornemen tot het opleggen van de navorderingsaanslagen berust, gemotiveerd te betwisten.".

2.7. Bij brief van 4 juli 2006 heeft eiser op vorenbedoelde brief van verweerder gereageerd en aangegeven dat hij als bestuurder van de stichting is afgetreden. Eiser heeft voorts voor het verstrekken van gegevens om uitstel verzocht.

2.8. Bij brief van 10 juli 2006, gericht aan de stichting, ter attentie van eiser en diens echtgenote, heeft verweerder eiser uitstel voor het betwisten van het voornemen tot navordering verleend tot 1 september 2006. Tevens heeft verweerder in deze brief om inzage van de administratie van de stichting alsmede van de volgende bankrekeningen tot en met 2003 (of eventueel het moment van opheffing) verzocht:

- [bankrekening 1] en [bankrekening 2] ten name van eisers echtgenote;

- [bankrekening 3] ten name van de stichting.

2.9. Eiser en diens echtgenote hebben niet gereageerd op de onder 2.8 genoemde brief. Daarop heeft verweerder met dagtekening 6 september 2006 de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd.

2.10. Eiser heeft in zijn bezwaarschriften van 17 oktober 2006 onder meer aangegeven dat hij zijn bestuursfunctie bij de stichting wegens interne conflicten eind 2001 heeft beëindigd.

2.11. Bij brief van 20 oktober 2006 heeft verweerder eiser verzocht om de eerder in de brieven van 8 april 2006 en 10 juli 2006 gevraagde gegevens te overleggen. Bij brief van 1 november 2006 heeft eiser hierop gereageerd en heeft hij kopieën van een deel van de bankrekeningafschriften van zijn echtgenote verstrekt. Op deze kopieën zijn onder meer de bedragen van de betalingen en de ontvangsten onleesbaar gemaakt. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 10 november 2006 eiser verzocht om toezending van alle, volledig leesbare, bankrekeningafschriften, ook die van de bankrekening van de stichting.

2.12. Bij brief van 1 december 2006 hebben eiser en diens echtgenote met betrekking tot de stichting aangegeven dat zij niet door de stichting bezoldigd zijn geweest, dat de stichting sinds 2000 een slapend bestaan heeft geleid zonder dat zij daaruit op enigerlei wijze financieel voordeel hebben genoten, dat zij geen bestuurders van de stichting meer zijn, dat zij hebben verzuimd om zich als bestuurder in het handelsregister bij de kamer van koophandel te laten doorhalen, dat de administratie van de stichting door de andere bestuurders is meegenomen en dat zij niet over de bankrekeningafschriften van rekeningnummer [bankrekening 3] (de stichting) beschikken. Eiser en diens echtgenote hebben daarbij voorts voor het overleggen van de andere bankrekeningafschriften om uitstel verzocht. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 12 januari 2007 uitstel verleend en heeft daarbij eiser en diens echtgenote gewezen dat, indien zij de gevraagde informatie niet zouden verstrekken, de bewijslast zou worden omgekeerd.

2.13. Bij brief van 17 januari 2007 hebben eiser en diens echtgenote kopieën van een deel van de bankrekeningafschriften van zijn echtgenote verstrekt, waarbij wederom een deel van de gegevens onleesbaar was gemaakt.

2.14. Bij brief van 31 januari 2007 heeft verweerder aan eiser en diens echtgenote meegedeeld dat hij de bezwaren afwijst, aangezien zij niet aan verweerders eerdere verzoek van 10 november 2006 hebben voldaan.

2.15. Bij uitspraken op bezwaar van 31 januari 2007 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. In de uitspraken staat onder meer - voor zover van belang - het volgende vermeld:

"Beoordeling bezwaar

Ook na herhaald verzoek heeft u de vragen die over het bezwaar zijn gesteld niet naar behoren beantwoord. Daarom kan ik niet beoordelen of en tot welk bedrag de aanslag te hoog is vastgesteld.".

2.16. In beroep heeft eiser alle, volledig leesbare, kopieën van de bankrekeningafschriften van het rekeningnummer [bankrekening 2] van zijn echtgenote over de jaren 2001 en 2002 ingebracht.

3 Geschil

3.1. In geschil is of verweerder terecht de onderhavige navorderingsaanslagen heeft opgelegd.

3.2. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

3.3. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4 Beoordeling van het geschil

Uitspraken op bezwaar

4.1. Eiser heeft aangevoerd dat de uitspraken op bezwaar vernietigd dienen te worden, aangezien verweerder in zijn uitspraken niet op zijn stellingen betreffende de stichting is ingegaan.

4.2. Op grond van artikel 7:12 van de Awb moet de uitspraak op bezwaar op een deugdelijke motivering berusten. Hoewel aan eiser kan worden toegegeven dat de motivering van verweerders uitspraken, alsook de wijze waarop verweerder in het onderhavige geval te werk is gegaan, geen schoonheidsprijs verdienen, verbindt de rechtbank daaraan geen gevolgen. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. De gronden van bezwaar houden in dat verweerder in strijd met artikel 3:2, 3:4 en 3:46 van de Awb heeft gehandeld, alsmede met de regels van barmhartigheid, menselijkheid en redelijkheid. Eiser heeft deze gronden van bezwaar in het bezwaarschrift niet met feiten gestaafd. Verweerder heeft pas in de beroepsfase aan de hand van de toen door eiser ingebrachte stukken de beslissing op bezwaar nader kunnen onderbouwen. Eiser is ter zitting alsnog in de gelegenheid gesteld om op het standpunt van verweerder te reageren. Gelet op het vorenstaande alsmede op artikel 6:22 van de Awb acht de rechtbank de tekortkomingen in de motivering van de uitspraak op bezwaar onvoldoende om deze uitspraak op grond daarvan te vernietigen.

Bewijslastverdeling

4.3. Verweerder heeft zich uiteindelijk in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat eiser voor de onderhavige jaren niet heeft voldaan aan de verplichting om de door verweerder gevorderde gegevens en inlichtingen, welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn aan verweerder te verstrekken. Dit heeft volgens verweerder tot gevolg dat eiser overtuigend moet aantonen dat de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

4.4. Op grond van artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is een ieder verplicht desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.

4.5. Uit de tussen partijen gevoerde correspondentie, zoals hiervoor onder de feiten is weergegeven, blijkt dat verweerder eiser en diens echtgenote bij herhaling om alle, volledig leesbare, bankrekeningafschriften van de bankrekeningen van eisers echtgenote heeft gevraagd en dat eiser en diens echtgenote, in de bezwaarfase zijn gewezen op de sanctie die aan de omkering en verzwaring van de bewijslast, welke de wet verbindt aan het niet voldoen aan de onder 4.4 genoemde verplichtingen (artikel 27e, aanhef, onderdeel b, en slot, van de AWR). De rechtbank acht de door verweerder gevorderde informatie van een zodanig gewicht dat het niet volledig verstrekken daarvan aan verweerder in de bezwaarfase toepassing van de sanctie van de omkering en verzwaring van de bewijslast rechtvaardigt.

4.6. Hieruit volgt dat de beroepen van eiser ongegrond moeten worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Het ligt dan op de weg van eiser om overtuigend aan te tonen dat de uitspraken op bezwaar niet in stand kunnen blijven. De omstandigheid dat eiser in beroep alsnog kopiëen van alle, volledig leesbare, bankrekeningafschriften van één van de bankrekeningen van zijn echtgenote heeft ingebracht, doet, nog daargelaten de vraag of eiser daarmee aan het in de brief van 10 juli 2006 neergelegde verzoek van verweerder heeft voldaan, aan voormeld oordeel niet af. Het bepaalde in artikel 47, eerste lid, in samenhang met artikel 27e, van de AWR kan immers niet aan zijn doel beantwoorden, indien het de belastingplichtige vrijstaat zich aan de sanctie van omkering van de bewijslast te onttrekken door pas in beroep tegen de uitspraak van verweerder alsnog de gevraagde gegevens te verschaffen (vgl. onder meer Hoge Raad,

14 juni 1989, nr. 25 349, BNB 1989/246 en Hoge Raad, 7 juni 1995, nr. 29 246,

BNB 1995/231).

4.7. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet overtuigend aangetoond dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser, gelet op hetgeen verweerder heeft gesteld met betrekking tot de herkomst van de stortingen op de bankrekening van eisers echtgenote, niet, althans onvoldoende, met onderbouwingen of stukken heeft kunnen bewijzen dat hij en zijn echtgenote in de onderhavige jaren alleen een bijstandsuitkering hebben genoten, terwijl dat, nu de bewijslast is omgekeerd en verzwaard, wel op zijn weg ligt. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, in het bijzonder dat hij werkzaamheden voor de stichting onbezoldigd heeft verricht, dat de handhaving van de inschrijving als bestuurder na mislukte activiteiten niet inhield dat geld werd ontvangen, dat de inschrijving voor eventuele hernieuwde activiteiten in de toekomst was bedoeld en dat hij niet bij "duistere praktijken" betrokken is geweest, is - wat daar overigens van zij - onvoldoende om de onjuistheid van de uitspraken op bezwaar aan te nemen.

4.8. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder, gelet op het totaal van de stortingen op de bankrekening van eisers echtgenote (2001: € 52.005,01 en 2002: € 38.005,59) en rekening houdende met de in die jaren op deze bankrekening gedane reguliere, onbelaste, stortingen, zoals kinderbijslag en prijzengelden uit de staatsloterij, aannemelijk heeft gemaakt dat de inkomenscorrecties op een redelijke schatting berusten. Eiser heeft niets aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat verweerder bij de berekening van de inkomenscorrecties van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan.

4.9. Gelet op het vorenoverwogene zijn de onderhavige navorderingsaanslagen terecht en naar een juist bedrag opgelegd. De beroepen zijn ongegrond.

4.10. Nu de beroepen ongegrond zijn, heeft verweerder voor de onderhavige jaren geen belang meer bij zijn verzoek aan de rechtbank om bij eiser, dan wel de stichting, een boekenonderzoek in te stellen. Het verzoek van verweerder daartoe, wat daar overigens ook van zij, behoeft dan ook geen behandeling meer.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 19 maart 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. L. de Loor-Alwin en mr. S.K.A. Efstratiades in tegenwoordigheid van mr. U.A. Salomons, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.