Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2697

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2009
Datum publicatie
04-05-2009
Zaaknummer
09-755103-03
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ7959, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft jaren lang op slinkse wijze misbruik gemaakt van het systeem van ZZP-ers. Hij heeft daardoor niet alleen het vertrouwen dat stratenmakers op grond van een gezamenlijk arbeidsverleden in hem stelden, zwaar beschaamd, ook heeft hij op grove wijze misbruik gemaakt van hun goedgelovigheid en hun beperkte vermogen om door fiscale en financiële structuren heen te kijken.

Daarnaast heeft verdachte willekeurige andere bedrijven en personen bij zijn handelingen betrokken door op naam van andere bedrijven facturen in zijn administratie op te nemen, terwijl die bedrijven geen enkele zakelijke relatie met hem hadden.

Hij heeft ook niet geschroomd misbruik te maken van de sociaal/economisch zwakke positie van mensen met een uitkering. Hij heeft ze laten werken en betaalde ze zwart uit.

Dit alles heeft geresulteerd in forse financiële benadeling van de Nederlandse samenleving, waarbij het benadeelde bedrag eerder twee miljoen euro dan minder bedraagt. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Een dergelijke wijze van benadelen rechtvaardigt in principe de oplegging van een lange onvoorwaardelijke, vrijheid benemende straf conform de eis van de officier van justitie.

De rechtbank zal echter wat de duur van de op te leggen straf betreft in het voordeel van verdachte rekening houden met de door de rechtbank vastgestelde (forse) schending van de redelijke termijn en de schending van de beginselen van behoorlijke procesorde. De ernst van de feiten en de negatieve maatschappelijke impact daarvan rechtvaardigen echter wel de oplegging van een gevangenisstraf (achttien maanden waarvan zes voorwaardelijk).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1003
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/755103-03

Datum uitspraak: 17 februari 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[A.R. S.], hierna [verdachte en/of S.]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

[adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 21 oktober 2005, 8 december 2008 en 3 februari 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Egberts en van hetgeen door de raadslieden van verdachte, mrs. Hoogendam en Sytema, advocaten te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 3 februari 2009 - ten laste gelegd dat:

1.

[S.] Bestratingen BV en/of [S.] Holding BV in of omstreeks de periode van

1 januari 2000 tot en met 31 januari 2004, (telkens) te Leiderdorp en/of

(elders) in Nederland (telkens) als werkgever(s) in de zin van de

Coördinatiewet Sociale Verzekering (telkens) opzettelijk niet heeft/hebben

voldaan aan zijn/hun verplichting om (telkens) met in achtneming van de door

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daaromtrent gestelde regels

(Loonadministratiebesluit van 28 december 1987) opgave te doen van (al) het

door de werknemers van [S.] Bestratingen BV en/of [S.] Holding BV genoten loon aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen

en/of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

immers heeft/hebben [S.] Bestratingen BV en/of [S.]

Holding BV over het jaar/de jaren 2000 en/of 2001 en/of 2002 en/of 2003 het

loon van de werknemers van die besloten vennootschappen,

(telkens) (opzettelijk onjuist en/of onvolledig, immers te laag opgegeven en/of

doen opgeven en/of (telkens) opzettelijk in het geheel niet opgegeven en/of

doen opgeven

tot het plegen van welk(e) feit(en), hij verdachte, (telkens) opdracht heeft

gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte (telkens)

feitelijk leiding heeft gegeven;

(art 18 lid 2 Coördinatiewet sociale verzekeringen is vanaf

1 januari 2001 vernummerd tot art 17a lid 2)

art 18 lid 2 Coördinatiewet sociale verzekeringen

art 13 lid 1 ahf/ond a Loonadministratiebesluit

art 10 lid 2 Coördinatiewet sociale verzekeringen

2.

hij,in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 januari 2004,

(telkens) te Leiderdorp en/of (elders) in Nederland (telkens) als

werkgever(s) in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, handelend

onder de naam [S.] Bestratingen en/of [S.] Grond- &

Straatwerk en Wegenbouw (telkens) opzettelijk niet heeft voldaan

aan zijn verplichting om (telkens) met in achtneming van de door de Minister

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daaromtrent gestelde regels

(Loonadministratiebesluit van 28 december 1987) opgave te doen van (al) het

door de werknemers van [S.] Bestratingen en/of [S.]

Grond- & Straatwerk en Wegenbouw genoten loon aan het Landelijk instituut

sociale verzekeringen en/of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

immers heeft [S.] Bestratingen en/of [S.] Grond- &

Straatwerk en Wegenbouw over het jaar/de jaren 2000 en/of 2001 en/of 2002

en/of 2003 het loon van de werknemers van die onderneming(en),

(telkens) opzettelijk onjuist en/of onvolledig, immers te laag opgegeven en/of

doen opgeven en/of (telkens) opzettelijk in het geheel niet opgegeven en/of

doen opgeven;

(art 18 lid 2 Coördinatiewet sociale verzekeringen is vanaf

1 januari 2001 vernummerd tot art 17a lid 2)

art 18 lid 2 Coördinatiewet sociale verzekeringen

art 13 lid 1 ahf/ond a Loonadministratiebesluit

art 10 lid 2 Coördinatiewet sociale verzekeringen

3.

(In navolgende wordt op enige plaatsen verwezen naar Documenten (D/005 t/m

D/008), uit het

proces-verbaal van de Fiod-ECD, opgemaakt onder nummer 09/755103/03.)

hij (al dan niet handelend onder de naam [S.] Bestratingen)

op of omstreeks 11 juni 2003 (D/005 t/m D/008) te Hazerswoude Rijndijk

(gemeente Rijnwoude) en/of Zoeterwoude en/of elders in Nederland (telkens)

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de

loonbelasting en premie volksverzekeringen ten name van [verdachte],

over respectievelijk het/de ja(a)r(en): 2000 (D/005) en/of 2001 (D/006)

en/of 2002 (D/007) en/of 2003 (D/008), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan

en/of laten doen, hebbende die [verdachte] en/of zijn

mededader(s) (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of

de Belastingdienst te Gouda ingeleverde aangiftebiljet(ten)

loonbelasting en premie volksverzekeringen over genoemd(e) ja(a)r(en)

(telkens) een onjuist, immers een te laag bedrag aan af te dragen

loonbelasting/premie volksverzekeringen bij de in dit biljet opgenomen

post(en) "totaal loon" (post 1c) en/of "totaal loonbelasting/premie

volksverzekeringen" (post 4a) opgegeven,

immers heeft hij, verdachte, -zakelijk weergegeven- werknemers in dienst van

[verdachte] niet of niet volledig in de (loon)administratie

opgenomen en daardoor ook niet (volledig) in de post "totaal loon" en/of de

aangifte(n) (telkens) voor een te laag bedrag aan af te dragen loonbelasting

geschat is/zijn), terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te

weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

4.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van

1 januari 2000 t/m 31 mei 2004, (telkens) te Leiderdorp en/of elders in

Nederland (telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen, (telkens) de

bedrijfsadministratie(s) van [S.] Bestratingen en/of [S.] Bestratingen BV en/of [S.] Holding BV en/of [S.]

Grond- & Straatwerk en Wegenbouw - zijnde die bedrijfsadministratie(s) (telkens

geschriften, bestemd om tot het bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, althans valselijk heeft

laten opmaken en/of heeft laten vervalsen, (telkens) met het oogmerk om

die/dat (samenstel van) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of

door (een) ander(en) te doen gebruiken,

bestaande dat valselijk opmaken van die (bedrijfs)administratie uit het door

hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens) opzettelijk (doen)

verwerken en/of opnemen van valselijk opgemaakte en/of vervalste geschrift(en)

in de (bedrijfs)administratie, te weten (een) vals(e) of vervalst(e)

a. kopie Var-verklaringen (7361 t/m 7669, 7690 t/m 7788, D/017 t/m D/076,)

en/of

b. kopie identiteitsbewijzen (6262 t/m 6390, 6391 t/m 6540, 9073 t/m 9323)

en/of

c. (inkoop) factu(u)r(en) op naam van [verdachte de W.] en/of [verdachte de K.] en/of

[verdachte V.] en/of [verdachte O.] en/of Grondwerken Hazerswoude v.o.f. en/of de

daarbij behorende mandagenstaten/urenverantwoordingen betreffende

werkzaamheden door ingeleend personeel

bestaande die valsheid van die

a. kopie Var-verklaringen hierin dat daarop (telkens) opzettelijk in strijd

met de waarheid is vermeld dat - zakelijk weergegeven - (ondermeer)

- door betreffende belastingplichtige een VAR-verklaring is aangevraagd

terwijl die belastingplichtige nimmer een VAR-verklaring is afgegeven

en/of

- er aan betreffende belastingplichtige een bepaald sofinummer zou zijn

gegeven, terwijl het een niet bestaand en/of onjuist sofinummer is

(voor een volledig overzicht van de valsheid van de VAR-verklaringen wordt

verwezen naar het procesverbaal FIOD/ECD, dossier nr. 28032, AH-02, bijlagen

D/001, D/017 t/m 076 (UWVnrs. 7670 t/m 7788) en bijlagen D/002 (UWVnrs. 7361

t/m 7652)

en/of

b. kopie identiteitsbewijzen hierin -zakelijk weergegeven- (ondermeer) dat daarop (telkens) opzettelijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat:

- aan die betreffende persoon een identiteitskaart is afgegeven

en/of

- de personalia van de identiteitskaart de gegevens zouden zijn van de op de

foto afgebeelde persoon

(voor een volledig overzicht van de valsheid van de kopie identiteitsbewijzen

wordt verwezen naar bijlagen D/322 t/m 413, D/ 462 t/m 469, D 472 t/m 483

(UWVnrs. 6262 t/m 6390, 6391 t/m 6540, 7113 t/m 7114, 9073 t/m 9323)

en/of

c. (inkoop) factu(u)r(en) en/of de daarbij behorende mandagenstaten/

urenverantwoordingen

hierin dat daarop (telkens) opzettelijk in strijd met de waarheid is vermeld

dat - zakelijk weergegeven -

genoemde werkzaamheden door het genoemde personeel zou zijn verricht, zulks terwijl in werkelijkheid de op die factu(u)r(en) en/of mandagstaten/urenverantwoordingen vermelde werkzaamheden nimmer door die op de factu(u)r(en) en/of bijbehorende mandagstaten/urenverwantwoordingen genoemde (ingeleende) personen zou zijn verricht, althans op die facturen en/of mandagstaten/urenverantwoordingen personen staan vermeld die in werkelijkjheid de werkzaamheden niet hebben verricht.

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van

1 januari 2000 t/m 31 mei 2004, (telkens) te Leiderdorp en/of elders in

Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

opzettelijk (een) vals(e) of vervalst(e)

a. kopie Var-verklaringen en/of

b. kopie identiteitsbewijzen en/of

c. (inkoop) factu(u)r(en) op naam van [verdachte de W.] en/of [verdachte de K.] en/of

[verdachte V.] en/of de daarbij behorende mandagenstaten/urenverantwoordingen

betreffende werkzaamheden door ingeleend personeel (1190 t/m 1436 + 3321 t/m

3439 + 4679 t/m 4834 +5608 t/m 6261 + 6541 t/m 6841 + 6936 t/m 6947 + 7089 t/m

7112)

betreffende werkzaamheden door ingeleend van personeel - elk zijnde een

geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

voorhanden heeft/hebben gehad als ware dat/die geschrift(en) (telkens) echt en

onvervalst,

terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die geschrift(en)

bestemd zijn voor zodanig gebruik,

bestaande dat voorhanden hebben hierin dat hij, verdachte, en/of zijn

mededader(s) toen en daar (telkens) opzettelijk voornoemde

a. kopie Var-verklaringen en/of

b. kopie identiteitsbewijzen en/of

d. (inkoop) factu(u)r(en) op naam van [verdachte de W.] en/of [verdachte de K.] en/of

[verdachte V.] en/of de daarbij behorende mandagenstaten/urenverantwoordingen

betreffende werkzaamheden door ingeleend personeel

in de (bedrijfs)administratie van zijn, verdachtes, bedrijf/bedrijven, genaamd

[S.] Bestratingen en/of [S.] Bestratingen BV en/of

[S.] Holding BV en/of [S.] Grond- & Straatwerk en

Wegenbouw heeft/hebben verwerkt/opgenomen en/of doen verwerken/opnemen,

en bestaande die valsheid hierin dat -zakelijk weergegeven -

a. kopie Var-verklaringen hierin dat daarop (telkens) opzettelijk in strijd

met de waarheid is vermeld dat - zakelijk weergegeven - (ondermeer)

- door betreffende belastingplichtige een VAR-verklaring is aangevraagd

terwijl die belastingplichtige nimmer een VAR-verklaring is afgegeven

en/of

- er aan betreffende belastingplichtige een bepaald sofinummer zou zijn

gegeven, terwijl het een niet bestaand en/of onjuist sofinummer is

(voor een volledig overzicht van de valsheid van de VAR-verklaringen wordt

verwezen naar het procesverbaal FIOD/ECD, dossier nr. 28032, AH-02, bijlagen

D/001, D/017 t/m 076 (UWVnrs. 7670 t/m 7788) en bijlagen D/002 (UWVnrs. 7361

t/m 7652)

en/of

b. kopie identiteitsbewijzen hierin -zakelijk weergegeven- (ondermeer) dat daarop (telkens) opzettelijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat

- aan die betreffende persoon een identiteitskaart is afgegeven

en/of

- de personalia van de identiteitskaart de gegevens zouden zijn van de op de

foto afgebeelde persoon

(voor een volledig overzicht van de valsheid van de kopie identiteitsbewijzen

wordt verwezen naar bijlagen D/322 t/m 413, D/ 462 t/m 469, D 472 t/m 483

(UWVnrs. 6262 t/m 6390, 6391 t/m 6540, 7113 t/m 7114, 9073 t/m 9323)

en/of

c. (inkoop) factu(u)r(en) en/of de daarbij behorende mandagenstaten/

urenverantwoordingen

hierin dat daarop (telkens) opzettelijk in strijd met de waarheid is vermeld

dat - zakelijk weergegeven -

genoemde werkzaamheden door het genoemde personeel zou zijn verricht, zulks terwijl in werkelijkheid de op die factu(u)r(en) en/of mandagstaten/urenverantwoordingen vermelde werkzaamheden nimmer door die op de factu(u)r(en) en/of bijbehorende mandagstaten/urenverwantwoordingen genoemde (ingeleende) personen zou zijn verricht, althans op die facturen en/of mandagstaten/urenverantwoordingen personen staan vermeld die in werkelijkjheid de werkzaamheden niet hebben verricht.

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

1 januari 2000 tot en 31 mei 2004 te Leiderdorp en/of Zoeterwoude en/of

Hazerswoude Rijndijk (gemeente Rijnwoude) en/of Leiden en/of elders in

Nederland (telkens), heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een min

of meer gestructureerd en/of duurzaam samenwerkingsverband

bestaande uit (onder meer) [verdachte P.] en/of [verdachte de W.] en/of [verdachte de K.] en/of [O.] en/of (nog onbekend gebleven) anderen, welke

organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het opzettelijk doen van onjuiste jaarloonopgave(n) bij het Landelijk

instituut sociale verzekeringen en/of het Uitvoeringsinstituut

werknemersverzekeringen, van personeel van [S.] Bestratingen

(eveneens handelend onder de naam [S.] Grond- & Straatwerk en

Wegenbouw) en/of [S.] Bestratingen BV en/of [S.]

Holding BV, meermalen gepleegd (art 10/17a/18oud) Coörd.W.);

- het opzettelijk doen van onjuiste aangifte(n) Loonbelasting en/of

Omzetbelasting, meermalen gepleegd (art 69 lid 2 Awr) en/of

- het opmaken van valse stukken, te weten:werklijsten en/of factu(u)r(en)

het opmaken van valse stukken, te weten:werklijsten en/of factu(u)r(en)

en/of mandagenstaten en/of identiteitsbewijzen en/of Verklaringen

Arbeidsrelatie (var-verklaringen) en/of het voorhanden hebben van deze

vervalste stukken, meermalen gepleegd (art 225 lid 1 en/of 2)

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Nietigheid van de dagvaarding.

De verdediging heeft de nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde, de deelneming aan een criminele organisatie, bepleit. Het begrip 'organisatie' zou onvoldoende feitelijk zijn omdat, volgens de raadslieden, onder verwijzing naar de dissertatie van De Vries-Leemans, de organisatie nader aangeduid dient te worden door bijvoorbeeld het vermelden van de naam van die organisatie dan wel de benaming of beschrijvingen van personen die de organisatie vormen (1)

De rechtbank verwerpt dit verweer. Het begrip 'organisatie' als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht wordt immers door de Hoge Raad (2) voldoende feitelijk geacht. Daarnaast worden in de dagvaarding naast verdachte als deelnemers aan de bedoelde organisatie vier personen bij naam genoemd. Voorts is bij de behandeling ter terechtzitting niet gebleken dat verdachte niet heeft begrepen waar de dagvaarding op dit punt betrekking op had. Van nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde is daarom geen sprake.

De ontvankelijkheid van de Openbaar Ministerie.

De raadslieden hebben de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit op drie gronden die niet alleen ieder op zich, maar zeker in onderlinge samenhang bezien, zouden moeten leiden tot de ontzegging van het vervolgingsrecht aan het Openbaar Ministerie in de onderhavige zaak. De aangevoerde gronden betreffen:

1. Overschrijding van de redelijke termijn (3);

2. Schending van de beginselen van behoorlijke procesorde door de opstelling van de toenmalige zaaksofficier (4);

3. Het onderzoek is gevoerd vanuit een tunnelvisie, als gevolg waarvan de nadruk te eenzijdig op verdachte kwam te liggen, mede leidend tot een schending van artikel 6 EVRM (5).

Ad 1: Redelijke termijn in het onderzoek [S.].

Het onderzoek in deze zaak is aangevangen met een vordering gerechtelijk vooronderzoek van 27 oktober 2003, welke vordering op 3 juni 2004, bij gelegenheid van het eerste verhoor van verdachte door de rechter-commissaris aan hem ter hand is gesteld. Op 30 oktober 2003 hebben in dit kader huiszoekingen plaatsgevonden bij verdachte, [verdachte de K.], [verdachte de W.], [De G.] accountancy- en Belastingzaken, [P.] administratie belastingconsulent en [verdachte P.]. Verdachte is op 1 juni 2004 aangehouden en in verzekering gesteld, op 3 juli 2004 voorgeleid aan de rechter-commissaris en op 10 juni 2004 is de gevangenhouding bevolen. Op 1 juli 2004 is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst.

Het gerechtelijk vooronderzoek is op 12 oktober 2005 door de rechter-commissaris gesloten. In het dossier heeft de rechtbank geen stukken aangetroffen waaruit blijkt dat deze beschikking aan verdachte bekend is geworden. Gelet echter op de datum, 7 oktober 2005, op de akte van uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting van 21 oktober 2005, moet het ervoor gehouden worden dat het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten door dagvaarding. Op 21 oktober 2005 heeft een pro-forma-zitting plaatsgevonden en is het dossier in handen van de rechter-commissaris gesteld voor het horen van getuigen.

Op 3 september 2008 was de inhoudelijke behandeling van deze zaak gepland, maar door capaciteitsgebrek bij de rechtbank kon deze zitting niet doorgaan. Op 8 december 2008 vond een tweede pro-forma-zitting plaats en op 3 februari 2009 is de zaak van verdachte inhoudelijk behandeld, ruim vijf jaar en drie maanden na het met de huiszoekingen aangevangen onderzoek.

De periode 30 oktober 2003 - 21 oktober 2005 wordt gekenmerkt door een grondig verschil van mening tussen de advocaten van verdachte en de officier van justitie over de samenstelling van het dossier en over naar het oordeel van de verdediging uit te voeren onderzoekshandelingen, zoals blijkt uit de zich in het dossier bevindende correspondentie en de medio juni 2004 gevoerde procedure in verband met de onthouding van stukken. Indien de toenmalige zaaksofficier adequater op de verzoeken van de verdediging had gereageerd, had deze periode naar het oordeel van de rechtbank niet langer dan een jaar hoeven duren.

Door wisselingen van rechter-commissaris en capaciteitsgebrek bij de rechtbank heeft de aanloop naar de inhoudelijke behandeling van deze zaak nà 21 oktober 2005 naar het oordeel van de rechtbank ruim twee jaar langer geduurd dan noodzakelijk.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de schending van de redelijke termijn tweeënhalf jaar beloopt welke schending, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 17 juni 20086, gecompenseerd dient te worden in de strafoplegging.

Ad 2. Schending van de beginselen van behoorlijke procesorde door de opstelling van de toenmalige zaaksofficier

Naar het oordeel van de verdediging heeft de toenmalige zaaksofficier niet, althans in onvoldoende mate gereageerd op brieven en verzoeken van de verdediging, uiteindelijk resulterend in een klacht aan de hoofdofficier van justitie op 17 januari 2005. Het negeren van verzoeken van de verdediging en het niet beantwoorden van brieven heeft naar het oordeel van de verdediging zodanig stelselmatige vormen aangenomen dat sprake is van grove verwaarlozing van de belangen van de verdediging. De verdediging neemt het de toenmalige zaaksofficier in hoge mate kwalijk dat het zogenoemde overvaldossier wel werd verstrekt aan het UWV, maar aan de verdediging werd onthouden.

De rechtbank verstaat dit verweer als een beroep op het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat door de opstelling van de toenmalige zaaksofficier de belangen van de verdediging én van de verdachte zijn geschaad, maar niet in die mate dat als gevolg daarvan het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Compensatie dient dan ook te worden gezocht in de strafoplegging.

Ad 3. Tunnelvisie.

Door de raadslieden is aangevoerd dat dit onderzoek gekenmerkt zou zijn door tunnelvisie als gevolg waarvan het onderzoek zich ten onrechte uitsluitend op verdachte heeft geconcentreerd. De oorzaak van deze tunnelvisie vindt zijn oorzaak in het feit dat het UWV als beweerdelijk gedupeerde partij ook als onderzoekende instantie in deze is opgetreden. Het onderzoek heeft vanuit deze visie geleid tot een onvolledig en gebrekkig dossier op grond waarvan verdachte niet vervolgd had mogen worden. Onder verwijzing naar de uitspraak van het EHRM in de zaak Edwards (7) concluderen de raadslieden (8) dat hoewel in de onderhavige zaak niet gebleken is van het achterhouden of onthouden van ontlastende gegevens, de strekking van dit arrest ook van toepassing is te achten op het onderzoek zelf en niet alleen op de onderzoeksresultaten. Het opsporingsonderzoek dient zodanig te zijn opgezet dat een volledig beeld van de gebeurtenissen wordt verkregen. In het onderhavige onderzoek is dat niet gebeurd omdat de opsporende instantie zelf belanghebbende partij was, aldus de verdediging.

Naar het oordeel van de rechtbank kan van het opsporingsonderzoek in deze zaak niet gezegd worden dat het heeft plaatsgevonden vanuit een tunnelvisie. Uit het dossier blijkt op de eerste plaats niet dat de opsporende instanties, het UWV en de FIOD-ECD, als ook de controlerende instantie, de Belastingdienst, eenzijdig op verdachte als enige verdachte hebben gefocust. Het zegt genoeg dat de rechtbank de afgelopen weken naast de zaak tegen deze verdachte ook de zaken van vijf andere verdachten op basis van inhoudelijk praktisch gelijkluidende, maar naar omvang verschillende dagvaardingen heeft behandeld. Op de tweede plaats vindt naar het oordeel van de rechtbank de verklaring van de getuige [nr 1] (9) dat naast verdachte ([S.]) geen andere verdachten waren aangehouden omdat daar tocht niets te halen viel, niet alleen geen enkele steun in het dossier, maar wordt zij bovendien ontkracht door de aanhouding van de andere verdachten in deze zaak. Op de derde plaats kan de rechtbank de raadslieden niet volgen in de opvatting dat de strekking van voornoemde uitspraak van het EHRM van toepassing zou kunnen worden verklaard op omstandigheden die in de betreffende uitspraak niet waren betrokken.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank de verweren strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in deze zaak verwerpt. Noch ieder op zich, noch in onderlinge samenhang bezien kunnen deze verweren leiden tot het door de raadslieden gewenste resultaat. Wel zal de rechtbank de schending van de redelijke termijn én de schending van de beginselen van behoorlijke procesorde van invloed laten zijn op de straftoemeting.

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt, kort en feitelijk weergegeven, erop neer dat verdachte in onderaanneming door hem aangenomen werk liet uitvoeren door zelfstandigen zonder personeel (ZZP-ers), terwijl in feite sprake was van arbeidsovereenkomsten. Als werkgever zou verdachte niet hebben voldaan aan de op hem in die hoedanigheid rustende verplichting aan het UWV opgave te doen van hetgeen door hem verloond werd (feiten 1 en 2) en aan de belastingdienst opgave te doen van hetgeen door hem aan loonbelasting werd ingehouden (feit 3). Om aannemelijk te maken dat verdachte werkte met ZZP-ers moest de administratie van zijn bedrijf en die van anderen worden 'aangepast' hetgeen leidt tot het onder 4 ten laste gelegde feit, valsheid in geschrift. Tevens strekten de aanpassingen in de bedrijfsadministraties ertoe te verhullen dat degenen die in feite het uitvoerende werk deden geen ZZP-ers waren, maar zwartwerkers en illegalen. Gelet op de duur en de intensiteit van het hierboven beschreven handelen van verdachte verwijt het OM hem dat hij jaren lang met anderen zodanig heeft samengewerkt dat sprake is van een criminele organisatie (feit 5).

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de feiten 2, 3, 4 en 5 heeft begaan en verdachte zal vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Naar het oordeel van de verdediging ontbreekt het in het dossier aan het overtuigende bewijs dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hem tenlastegelegde.10 Het bewijs berust alleen op de belastende verklaringen van [de K.] en [de W. senior], terwijl op grond van door [de W.] junior en [P.] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen een geheel ander beeld ontstaat. Verdachte was aannemer die werkte met onderaannemers en alleen zij waren verantwoordelijk voor het inhuren en betalen van stratenmakers.11 De verdediging acht de eerdergenoemde, bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen betrouwbaarder dan alle andere bij het UWV en ook bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen.

De hoofdvraag in deze zaak is of verdachte personeel in dienst had en aldus optrad als werkgever met alle daarbij behorende verplichtingen.12 De verhouding tussen verdachte, [de W.], [de K.], [V.] en [O.], getoetst aan de drie standaardcriteria van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, is, volgens de raadslieden niet als zodanig te duiden.13 Evenmin is er sprake van een fictief dienstverband als bedoeld in het Loonadministratiebesluit, artikel 4 sub e.14 Voorts heeft verdachte geen enkel belang gehad bij het vervalsen van de in de dagvaarding onder 4 opgenomen documenten, identiteitsbewijzen en VAR-verklaringen.15 In tegendeel, deze vervalste documenten leveren alleen voor de onderaannemers/ZZP-ers voordeel op. Op grond hiervan bepleit de verdediging integrale vrijspraak.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank zal de officier volgen in zijn vordering tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde.

Bij de beoordeling van de tenlastelegging is de rechtbank uitgegaan van (overzichts)proces-verbaal met nummer 09/755103-03, pagina 1- 444. In het notenapparaat zal dit document worden aangeduid als PV en zal worden verwezen naar de doorgenummerde pagina's van dit proces-verbaal. Voor zover gebruik wordt gemaakt van andere processen-verbaal zullen deze bronnen met een eigen vindplaats worden aangeduid.

De wijze van frauderen

In het overzichtsproces-verbaal is een samenvatting opgenomen van de wijze van frauderen door verdachte en anderen.16 De rechtbank neemt deze samenvatting over, zijnde een correcte weergave van hetgeen de rechtbank in het dossier en naar aanleiding van het behandelde ter terechtzitting heeft bevonden. Waar in dit overzicht in het orgineel wordt gesproken over de vermoedelijke wijze van frauderen, leest en geeft de rechtbank weer dat naar haar oordeel deze wijze van frauderen wettig en overtuigend bewezen is. Deze samenvatting luidt als volgt:

1. Personen werkzaam voor de ondernemingen van [verdachte] (V01) werden met gebruikmaking van de identiteitsgegevens van ZZP'ers verantwoord op zogenoemde werklijsten, terwijl deze ZZP'ers feitelijk niet werkzaam waren;

2. Deze zogenoemde werklijsten werden onder regie en gecontroleerd door [verdachte] opgemaakt door achtereenvolgens [verdachte de W.] (V03), [verdachte de K.] (V04), [stiefzoon verdachte S.] (V10) en [O.] (V12);

3. Deze zogenoemde werklijsten vormden de basis voor de facturatie en mandagenstaten van de ondernemingen van [verdachte], welke werden opgemaakt door [verdachte de G.] (V05) en de getuige [nr 22]

4. De verdachten [verdachte de W.], [verdachte de K.], [verdachte V.] en [O.] ,zijn op verzoek van [verdachte], als ondernemer ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

5. De verdachten [verdachte de W.], [verdachte de K.], [verdachte V.] en [O.] zijn door [verdachte] voorgesteld aan [verdachte P.] (V02) in verband met het voeren van van administratieve werkzaamheden ten behoeve van op hun naam gestelde ondernemingen;

6. Facturen en mandagenstaten werden opgemaakt door [verdachte P.], eveneens op basis van de zogenoemde werklijsten, op naam van de ondernemingen van [verdachte de W.], [verdachte de K.], [verdachte V.] (V06) en [O.], welke facturen en mandagenregisters waren gericht aan de ondernemingen van [verdachte] met het doel een zodanige voorstelling van zaken te geven dat er sprake was van onderaanneming;

7. Ten behoeve van de ondernemingen van [verdachte de W.] en [verdachte de K.], is in overleg met en met behulp van [verdachte], door [verdachte P.] een fictieve crediteurenadministratie opgezet, wederom met gebruikmaking van dezelfde gegevens van ZZP' ers, om een zodanige voorstelling van zaken te geven dat er sprake was van een reguliere bedrijfsvoering door deze ondernemingen. Wij, verbalisanten, merken hierbij op dat inzake de ondernemingen van [verdachte V.] en [O.] geen crediteurenadministratie werd aangetroffen;

8. Door [verdachte] werden geldbedragen gestort op bankrekeningen van [verdachte de W.] en [verdachte de K.] om het te laten lijken of er betalingen op facturen plaatsvonden;

9. Door [verdachte P.], als gemachtigde van de rekeningen van [verdachte de W.] en [verdachte de K.], werden kasopnames gedaan, kort na de hiervoor genoemde stortingen die direct weer terug werden betaald aan [verdachte];

10. Door [verdachte P.], met medewerking van [verdachte de W.] en [verdachte de K.], werden kwitanties opgemaakt om het te laten voorkomen alsof zij de opgenomen bedragen contant hadden ontvangen.

11. Door [verdachte de K.] werden zelf kasopnames gedaan van zijn eigen bankrekening na een eerdere storting door [verdachte] , welk geld eveneens direct werd terugbetaald aan [verdachte];

12. [verdachte] met het geld dat hij zodoende verkreeg lonen uitbetaalde dan wel deed uitbetalen;

13. Door [verdachte P.], werd, op aangeven van [verdachte], een kwitantie opgemaakt op naam van [O.] om het te laten lijken alsof de op naam van [O.] Bestratingen opgemaakte facturen richting [verdachte] in een keer contant werden betaald door [verdachte];

14. Op verzoek van [verdachte], werden op naam van ZZP'ers, kopie VAR-verklaringen en kopie identiteitsbewijzen valselijk opgemaakt door [verdachte P.];

15. Deze valse kopie VAR-verklaringen en kopie identiteitsbewijzen tezamen met facturen en valse mandagenstaten werden gestuurd naar de opdrachtgevers van [verdachte] om zodoende de indruk te wekken dat die ZZP'ers daadwerkelijk de gefactureerde werkzaamheden hadden verricht.

Op de hiervoor beschreven wijze werd er door [verdachte] met behulp van [verdachte P.], [verdachte de W.], [verdachte de K.], [verdachte V.] en [O.] een constructie opgezet om het te laten lijken dat de direct voor de ondernemingen van [verdachte] werkzame personen via onderaanneming werkzaam waren..

Ten behoeve van deze constructie werd op grote schaal gebruik gemaakt van de gegevens van bestaande ondernemingen (ZZP'ers) die deels uit uittreksels van de Kamer van Koophandel via het internet werden verkregen. De gebruikmaking van de gegevens van deze ondernemers (ZZP'ers) vond buiten hun medeweten plaats. Op de in de administratie van [verdachte] aangetroffen uittreksels werden handgeschreven briefjes aangetroffen met daarop vermeld het sofi-nummer van de in het uittreksel genoemde persoon (ZZP'er). Het onderzoek heeft niet uitgewezen op welke wijze de sofi-nummers werden verkregen.

Gelet op alle bevindingen zoals weergegeven onder de punten 3.1.1 tot en met 3.1.12 17 alsmede de zojuist beschreven wijze van frauderen werd door verdachte [S.] valsheid in geschrifte gepleegd ten aanzien van:

A. Werklijsten opgemaakt door respectievelijk

- [verdachte P.] (V02)

- [verdachte de W.] (V03)

- [verdachte de K.] (V04)

- [O.]

B. facturen (met bijbehorende mandagstaten) gericht aan [S.]

Bestratingen, ten name van de ondernemingen

- [verdachte de W.] Grond- en Straatwerken

- [de K.] Grond-, Straat- en Groenwerken

- [V.] Bestratingen en

- [O.] Bestratingen

C. Kopie VAR-verklaringen ten name van een groot aantal ondernemingen (opgenomen in de bijlagen FIOD D/001 en D/002)

D. Kopie identiteitsbewijzen ten name van een groot aantal personen.

E. Mandagenstaten (behorende bij facturen) ten name van [S.] Bestratingen (dan wel [S.] Bestratingen BV, dan wel [S.] Holding BV dan wel [S.] Grond- & Straatwerk en Wegenbouw.

Met betrekking tot de feiten 2 en 3 is van cruciaal belang of verdachte dient worden aangemerkt als werkgever of als aannemer die in een relatie van onderaannemerschap werkte met ZZP-ers. Voorafgaand aan de verdere inhoudelijke beoordeling van de dagvaarding onder 2 en 3 overweegt de rechtbank ten aanzien van de criteria aan de hand waarvan beoordeeld dient te worden of er sprake is en een werkgevers- werknemersrelatie het volgende.

Het begrip werkgever

In het onder 2 en 3 ten laste gelegde wordt aan verdachte verweten dat respectievelijk [S.] Bestratingen BV en verdachte handelend onder de naam [S.] Bestratingen als werkgever in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering is opgetreden. Alvorens over te gaan tot de inhoudelijke beoordeling van de dagvaarding dient vast komen te staan of het bestanddeel "als werkgever" aan genoemde rechtspersoon en aan genoemde natuurlijke persoon kan worden toegerekend.

Voorop gesteld zij dat de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet een eigen definitiebepaling van het begrip werkgever kent, maar dat in die wet aansluiting wordt gezocht bij de definitiebepalingen in de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de Ziekenfondswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering18. Werkgever in de zin van deze wettelijke regelingen is:

"de overheidswerkgever onderscheidenlijk de natuurlijke persoon tot wie of het lichaam tot welk een of meer natuurlijke personen in dienstbetrekking staan".

In bijlage III bij de beleidsbeoordeling dienstbetrekking19 is het juridisch kader bepaald waarbinnen de privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt vastgesteld.

De beantwoording van de vraag of er in een bepaald geval sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking vindt plaats aan de hand van de feiten en omstandigheden van de te beoordelen concrete situatie. Indien er meer partijen bij een arbeidsverhouding zijn betrokken (tussenkomst, bemiddeling, inlenen, doorlenen enz.) dient de verhouding van de opdrachtnemer tot elk van die partijen beoordeeld te worden; er kan in principe met elk van die partijen sprake zijn van een dienstbetrekking.

In eerder genoemde wettelijke regelingen wordt als 'privaatrechtelijke dienstbetrekking' verstaan de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek20.

In de jurisprudentie zijn drie criteria ontwikkeld aan de hand waarvan kan worden getoetst of er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Deze criteria luiden als volgt:

1. De opdrachtnemer is verplicht de arbeid persoonlijk te verrichten;

2. De opdrachtgever is verplicht tot betaling van loon;

3. De opdrachtnemer staat in een gezagsverhouding tot de opdrachtgever.

De eerste verplichting bestaat als de opdrachtnemer zich bij de uitvoering van de overeengekomen arbeid niet of alleen met toestemming van de opdrachtgever mag laten vervangen. Als de opdrachtnemer feitelijk steeds zelf de arbeid verricht, dan wordt in principe aangenomen dat hij daartoe verplicht is.

Aan het tweede criterium is voldaan indien de opdrachtgever verplicht is om aan de opdrachtnemer een reële contraprestatie te geven voor de verrichte arbeid. Deze vergoeding moet betrekking hebben op de verrichte arbeid en moet dus meer zijn dan een onkostenvergoeding. Noch de vorm waarin het loon wordt voldaan, noch de wijze van betalen (contant, giraal, bancair, rechtstreeks van de opdrachtgever of door middel van derden) zijn hierbij van belang.

Aan het derde criterium is voldaan als de opdrachtgever met betrekking tot de werkzaamheden in principe opdrachten en aanwijzingen kan geven die de opdrachtnemer dient op te volgen. In hoeverre daadwerkelijk opdrachten en aanwijzingen worden gegeven is niet doorslaggevend. Het bestaan van een gezagsverhouding wordt ook aangenomen in onder andere de volgende gevallen:

- indien opdrachten en/of aanwijzingen worden gegeven anders dan ten aanzien van de feitelijke werkzaamheden zoals werktijden, productie-eisen, representativiteit, omgang met klanten, kenbaarheid middels bedrijfskleding en logo's op vervoermiddelen en visitekaartjes;

- het door de opdrachtgever houden van toezicht en controle;

- het door de opdrachtgever in behandeling nemen van klachten over (het werk van) de opdrachtnemer;

- het door de opdrachtgever vragen van verantwoording anders dan over de inhoud van het werk middels bijvoorbeeld urenstaatjes, voortgangsrapportages et cetera.

Aan de hand van bovengenoemde criteria zal de rechtbank onderzoeken of er sprake was van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen tussen en verdachte handelend onder de naam [S.] Bestratingen en de verdachten [de W.], [de K.], [V.] en [O.] en/of verdachte handelend onder de naam [S.] Bestratingen en de koppels stratenmakers die door tussenkomst van respectievelijk [de W.], [de K.], [V.] en [O.] de bestratingwerkzaamheden verrichtten.

Op dit punt verdient het opmerking dat het voldoen aan het criterium de opgedragen arbeid persoonlijk te verrichten in zoverre moeilijk is omdat verdachte personen met een uitkering of illegalen zwart liet werken en dat de namen van deze personen in het dossier vrijwel niet voorkomen. [O.] (V 12) verklaart daar het volgende over:21

"In werkelijkheid had ik de namen gehad van personen van [verdachte] die ik moest benaderen als er straatmakers of oppermannen nodig waren op een bepaald werkobject. Ik had ook de opdracht van [verdachte] om nog meer mensen te zoeken die straatmakerswerk wilden gaan verrichten. Ik wist wel dat de mensen die ik benaderde om te gaan werken niet de mensen waren die ik invulde op de werklijsten. Het waren voor een groot deel mensen met een uitkering die in een soortgelijke situatie verkeerden als ikzelf. Ik ken wel een aantal namen, maar die wil ik u niet noemen. Op vrijdag ging ik dan naar het kantoor van [verdachte] aan de [adres 1] en hij gaf mij een bedrag in contanten. Ik bracht dan het geld naar de jongens op de werken, of zij kwamen bij mij thuis om hun geld te halen."

Ook [de K.] (V 04) verklaart hierover.22

Verdachte [de W. junior] (V.11) heeft over de werkverhouding met verdachte het volgende verklaard:23

- Ik werkte eerst als opperman in loondienst van [verdachte]. [verdachte] zei op een gegeven moment dat ik meer kon verdienen als ik voor mij zelf zou beginnen.

- [verdachte] zorgde er altijd voor dat ik werk had. [verdachte] regelde altijd alle papieren.

- Ik moest op zondag altijd naar [verdachte] bellen. Hij vertelde me dan waar ik moest werken. Ik kon mij niet door iemand anders laten vervangen.

- Naast [verdachte] heeft ook [de K.] een enkele keer gezegd waar ik moest werken.

- Ik kreeg mijn geld altijd uitbetaald in een loonzakje. Ik kreeg dan dat loonzakje uitgereikt door [verdachte] of door een straatmaker waarmee ik werkte. Ook werd mijn loonzakje wel uitgereikt door ene Wim. Die Wim heeft de achternaam [P.] of zo24.

- Ik heb gezien dat gelijktijdig met mij, bijvoorbeeld bij het Esso pompstation, door [verdachte] of door Wim [P.], ook loonzakjes aan anderen werden gegeven.

- De oppermannen die ik meekreeg werden door [verdachte] geregeld.

- Op de werken waar ik kwam had ik contact met de uitvoerder. Ik ging naar de uitvoerder van de opdrachtgever toe en meldde ons aan als straatmakers van [S.]

- Op vrijdag werd ons loon uitbetaald. Eerst betaalde [verdachte] het loon uit in het AC restaurant in Leiderdorp.

- Omdat [verdachte] op een gegeven moment niet naar het koffiehuis wilde gaan, kregen mijn vader en ik de opdracht om de loonzakjes op het kantoor van [verdachte] in de [adres 3] in Leiderdorp op te halen en aan de straatmakers te geven.

- Ik heb samen met mijn vader het loon uitbetaald tot het moment dat [de K.] als een soort uitvoerder voor [verdachte] ging werken.

- Ook had ik een auto van [verdachte] met de naam erop `[S.] Bestratingen.`Ik moet daarvoor 225 gulden per week aan [verdachte] betalen.

- Ik zeg u dat ik van [verdachte] gewoon mijn loon kreeg. Ik kreeg alleen iets meer uitbetaald dan als ik op papier voor een andere baas zou werken. Eigenlijk was het zo dat [verdachte] mijn werkgever was.

De in deze verklaring weergegeven gang van zaken wordt bevestigd door de verklaringen van [verdachte de W.] (V 03)25, [de K.] (V 04)26, [V.] (V 06)27 en [verdachte O.] (V 12)28.

[O.] verklaart29 dat verdachte 29 koppels straatmakers aan het werk had of daarover kon beschikken Hij moest de personen controleren die namens [S.] aan het werk waren. [O.] zou een soort uitvoerder worden.

[de K.] verklaart30 dat hij verschillende personen onder éénzelfde naam, [werknaam], verantwoordde. Hij verklaart ook dat hij van verdachte namen kreeg waaronder hij nieuwe werknemers moest verantwoorden. [de K.] droeg deze personen op desgevraagd niet hun eigen naam, maar de werknaam te gebruiken indien daar op het werk naar gevraagd zou worden.31

[P.] (V 02) verklaart over werkverhoudingen binnen het bedrijf van verdachte als volgt:32

"Op papier werd door [verdachte] hoofdzakelijk bestratingwerk aangenomen van opdrachtgevers en vervolgens weer uitbesteed aan bedrijven op naar van [de W. senior], [de K.], [V.] en [O.]. Ik zeg u op papier omdat in werkelijkheid de personen die het werk verrichtten, eigenlijk rechtstreeks voor [verdachte] werkzaam waren. [de W. senior], [de K.], [V.] en [O.] waren eigenlijk te beschouwen als een uitvoerder of voorman van [verdachte] en niet als onderaannemer van [verdachte]."

[P.] verklaart ook33 dat hij in opdracht van verdachte de bedrijven van [de W.] en [de K.] onderling facturen liet sturen om onder de indruk uit te komen dat zij alleen [S.] als opdrachtgever hadden en zo de fiscale voordelen van het ZZP-erschap zouden mislopen.

Verdachte werkte met overeenkomsten van onderaanneming van werk.34 Artikel 6a van die overeenkomst luidt dat de opdrachtgever (verdachte) de onderaannemer per opdracht een vergoeding zal verstrekken, waarnaast afspraken kunnen worden gemaakt over apart te verstrekken onkostenvergoedingen. Voorts is in de overeenkomst een concurrentiebeding opgenomen (artikel 7). Het opnemen van een dergelijk beding is naar het oordeel van de rechtbank ten gronde in strijd met het karakter van het ZZP-erschap.

Bij de rechter-commissaris is een groot aantal getuigen gehoord die mede verklaard hebben over de arbeidsverhouding. [De G.] verklaart over dit stuk35 dat het eigenlijk een andere aanhef moet hebben, namelijk arbeidscontract.

[verdachte O.]36 verklaart dat de koppels in feite in loondienst waren bij verdachte (punt 22) en dat hij de koppels op vrijdag cash uitbetaalde met geld dat hij van verdachte had gekregen (punt 23). De door hem betaalde koppels werkten zwart (punt 24).

[getuige 21]37 verklaart dat hij voor [verdachte] [S.] werkte (punt 4).Hij had dat ook gehoord van [de K.] (punt 16). [getuige 19]38 verklaart eveneens dat hij kon gaan werken voor [S.] (punt 5) en dat hij een werknaam moest aannemen (punt 7) Hij kreeg zijn loon van [de K.], [de W. senior] maar ook wel eens van [verdachte] (punt 8).

[de W. junior] verklaart39 dat hij zich bij de uitvoerders meldde als een straatmaker van [S.]. Hij reed ook in een auto met het opschrift [S.] (punt 23). [De G.]40 verklaart dat [de K.] meer een uitvoerder was dan een onderaannemer en dat indien zich problemen voordeden, de opdrachtgevers naar [S.] gingen (punt 36).

[getuige 20]41 verklaart dat [S.] tegen hem verklaarde dat [de K.] de uitvoerder was (punt 10). "Ik ging er gewoon vanuit dat [de K.] de uitvoerder was en dat [S.] de baas was" (punt 12) Ook getuige [nr 3]42 verklaart dat verdachte wel eens loon uitbetaalde (punt 5).

Getuige [nr 2]43 verklaart dat het loon op vrijdag werd uitbetaald in het café. [verdachte] kwam dan meestal aanrijden. [de K.] kreeg van hem de envelopjes en [de K.] gaf die dan weer aan de mensen (punt 13). Hij verklaart ook dat het klopt dat [verdachte] de baas was van [de K.] de uitvoerder. [de K.] regelde het werk en [S.] was degene die aan [de K.] de loonzakjes gaf (punt 20).

Verdachte bemoeide zich ook met ziekmeldingen.44 In bedoeld gesprek deelt verdachte aan [de K.] mee dat hij, verdachte, twee voor [de K.] werkende straatmakers heeft

ziek gemeld. Verdachte houdt zich op alle niveaus met de uitvoering van het werk bezig. Het kan gaan om de maatregelen die genomen moeten worden tegen iemand die niet wil overwerken45 of het korter werken op Leidens Ontzet46, maar ook om het door verdachte zelf regelen van een koppel straatmakers als [de K.] daar geen kans toe ziet.47 Een straatmaker die buiten werkuren in een bedrijfsauto van verdachte een bekeuring krijgt moet die volgens verdachte zelf betalen.48

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen staat het voor de rechtbank vast dat verdachte op papier werkte met onderaannemers in de vorm van ZZP-ers, maar in feite werkte met uitvoerders, te weten [de W.], [de K.], [V.] en [O.]. Deze vier zorgden voor de koppels straatmakers die werden geworven onder mensen met een uitkering of illegalen. Op papier hoefde verdachte geen loonadministratie te voeren, loonbelasting en premies af te dragen, terwijl dat feitelijk wel had gemoeten.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde bevindt zich in het dossier niet een expliciete aangifte door of namens het UWV. Gelet echter op de zich in het dossier bevindende nadeelsberekening49, de ambtshalve inschrijving en het door de verbalisanten [verbalisant A] en [verbalisant B] ingestelde opsporingsonderzoek, neemt de rechtbank aan dat het UWV wenste dat tegen verdachte en anderen vervolging zou worden ingesteld.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde gebruikt de rechtbank verder als bewijsmiddelen het FIOD-ECD-dossier, te weten D/001, een ambtsedige verklaring van de belastingdienst Winterswijk, en de documenten D/003, 4, 5, 6, 7, inhoudende de aangiften loonbelasting over respectievelijk 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002 in 'nihil'-vorm.

Met betrekking tot de kopie VAR-verklaringen bezigt de rechtbank als bewijs:

- de kopie VAR-verklaringen;

- bijlagen 7175 t/m 7292, aangetroffen in een ordner met bescheiden mbt de onderneming [V.] Bestratingen en inbeslaggenomen op het adres [adres 4] Leiderdorp (in kopie 7670 tot en met 7788);

- bijlagen 7361 t/m 7669 aangetroffen en inbeslaggenomen op het adres [adres 3] te 2352 SM Leiderdorp;

- bijlagen 9073 t/m 9323 aangetroffen in een ordner met bescheiden mbt de onderneming [O.] Bestratingen; de ordner werd ontvangen van verdachte [verdachte P.] (V02);

- de verklaringen van verdachte [P.] en wel met name V02/04 blz. 2 ,V02/10 blz 2 en V02/11 blz.2 waarbij hij verklaart VAR verklaringen te hebben opgemaakt in opdracht van verdachte [S.];

- de verklaring van verdachte [de W.] en wel met name V03/03 blz. 5 waarbij hij verklaart niets te weten van verklaringen arbeidsrelaties;

- de verklaringen van verdachte [de K.] en wel met name V04/04 blz. 2 waarbij hij verklaart te hebben gezien dat verdachte [P.] een VAR verklaring "op zijn computer" had staan, alsmede V04/05 blz. 2 waarbij hij verklaart dat verdachte [P.] aan de hand van opgevraagde uittreksels KvK nieuwe VAR verklaringen maakte;

- de verklaring van verdachte [verdachte de G.] en wel met name V05/01, blz. 4, waar hij verklaart telefonisch contact te hebben gehad met de belastingdienst Winterswijk waarna hij de nodige twijfels kreeg omtrent de aanwezige VAR verklaringen;

- de verklaring van [verdachte V.] en wel met name V06/01, blz. 3, waarbij deze verklaart dat hij nimmer werkzaamheden heeft uitgevoerd dan wel laten uitvoeren ten behoeve van [S.] Bestratingen, en hij niets weet van VAR-verklaringen.;

- diverse bevindingen ten aanzien van de kopie VAR-verklaringen zoals vastgelegd in de ambtshandeling, FIOD AH/01, met bijbehorend onder meer de ambtsedige verklaring van de Belastingdienst Oost/kantoor Winterswijk (bijlage FIOD D/001) waaruit naar voren komt dat de betreffende VAR verklaringen nimmer zijn afgegeven en derhalve vermoedelijk valselijk werden opgemaakt;

- de verklaringen van diverse getuigen ([getuige 4], [getuige 5], [nr 6], [getuige 7],[getuige 8] en anderen) waarvan kopie VAR verklaringen werden aangetroffen; zij hebben allen verklaard nimmer voor [S.], [de W.], [de K.], [V.] en of [O.] werkzaamheden te hebben verricht. Ook verklaarden zij dat de betreffende VAR-verklaringen niet van hen afkomstig zijn;

- de verklaringen van getuigen [nr 9] (G/065 ev.) en [nr 10] (G/163 e.v.) die beiden verklaarden dat het bedrijf [X] BV kopie VAR-verklaringen heeft ontvangen van [S.] Bestratingen; ook werden in de vrijwillig overhandigde kopie bescheiden diverse VAR-verklaringen aangetroffen (o.a. G/070 en G/125);

- de verklaring van getuige [nr 11] (G/159 e.v.) die verklaarde dat het bedrijf Aannemingsbedrijf [naam getuige 11] kopie VAR-verklaringen heeft ontvangen van [S.] Bestratingen; ook werden in de vrijwillig overhandigde kopie bescheiden diverse VAR-verklaringen aangetroffen (oa. G/162a en G/162h);

- de verklaringen van getuigen [12] (G/337 ev.) en [nr 13] (G/352 e.v.) die beiden verklaarden dat het bedrijf Aannemersbedrijf [naam getuige 12] BV kopie VAR-verklaringen heeft ontvangen van [S.] Bestratingen; ook werden in de vrijwillig overhandigde kopie bescheiden VAR-verklaringen aangetroffen (o.a. G/341 en G/345);

- de bevindingen ten aanzien van een "digitale" VAR-verklaring (op een bij verdachte [P.] aangetroffen CD-rom) D/823 ev.

Met betrekking tot de kopie identiteitsbewijzen bezigt de rechtbank als bewijs:

- de kopie identiteitsbewijzen;

- bijlagen 6391 t/m 6540, aangetroffen in een ordner met bescheiden met betrekking tot [V.] Bestratingen en inbeslaggenomen op het adres [adres 4] Leiderdorp;

- bijlagen 9073 t/m 9323 aangetroffen in een ordner met bescheiden mbt de onderneming [O.] Bestratingen; de ordner werd ontvangen van verdachte [verdachte P.] (V02);

- bijlagen 6262 t/m 6390 aangetroffen en inbeslaggenomen op het adres [adres 3] te 2352 SM Leiderdorp;

- bijlagen D/332 t/m D/413, waarbij dmv onderzoek door Koninklijke Marechaussee werd vastgesteld dat de kopie ID bewijzen met bijlage nrs 6391 t/m 6540 afbeeldingen betroffen van vervalste exemplaren;

- bijlagen D/472 t/m D/483, waarbij dmv onderzoek door Koninklijke Marechaussee werd vastgesteld dat de kopie ID bewijzen met bijlage nummers 9073 t/m 9323 afbeeldingen betroffen van vervalste exemplaren;

- de verklaringen van [verdachte P.] en wel met V02/04 blz 2 en 3, V02/10 blz. 2 en V02/11 blz. 2 waarbij hij verklaart over de door hem vervaardigde kopie ID bewijzen;

- de verklaring van [verdachte de G.] en wel met name V05/01 blz 4 en 5 waarbij hij zijn twijfels uit omtrent de echtheid van de kopie identiteits bewijzen;

- de verklaring van [verdachte V.] en wel met name V06/01 blz. 3 waarbij verdachte [V.] verklaart dat hij nimmer werkzaamheden heeft uitgevoerd danwel laten uitvoeren ten behoeve van [S.] Bestratingen, en hij van identiteitsbewijzen niets weet;

- de verklaringen van diverse getuigen ([getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7],[getuige 8] en anderen) van wie kopie identiteitsbewijzen werden aangetroffen; zij hebben allen verklaard nimmer voor [S.], [de W.], [de K.], [V.] en of [O.] werkzaamheden te hebben verricht. De kopie identiteitsbewijzen kwamen niet overeen met de daadwerkelijk aan getuigen verstrekte (originele) identiteitsbewijzen;

- de bevindingen ten aanzien van een "digitale" identiteitskaart (op een bij verdachte [P.] aangetroffen CD rom) D/ 823 ev.

Met betrekking tot de facturen gericht aan [S.] Bestratingen bezigt de rechtbank als bewijs:

- de betreffende facturen en bijbehorende mandagenstaten, ten name van de ondernemingen;

- [verdachte de W.] en [verdachte de W.] Grond- Straat- en Hovenierswerken

bijlagen F/041 t/m F/342, afkomstig van [verdachte de W.];

en bijlagen 1206 t/m 1417, 1424 t/m 1430, 3342 en 6163 opgenomen in de

administratie van [S.] Bestratingen)

- [de K.] Grond-, Straat- en Groenwerken

bijlagen E/301 t/m E/702, afkomstig van [verdachte de K.];

en bijlagen 1431 t/m 1434, 3321 t/m 3325, 4815, 5608 t/m 5732, 6132,

6133 en 6160 opgenomen in de administratie van [S.]

Bestratingen

- [V.] Bestratingen

bijlagen 5746 t/m 5862(facturen) 5863 t/m 6029 (mandagstaten) opgenomen

in de administratie van [S.] Bestratingen en bijlagen 9331 t/m 9443, aangetroffen bij verdachte [P.] en

- [O.] Bestratingen

bijlagen 8870 t/m 8956, ontvangen van verdachte [P.]

- de verklaringen van verdachte [S.] en wel met name V01/01 blz.4 en V01/02 blz.1 en 2. Verdachte verklaart de hem getoonde administratie waarin de facturen werden verwerkt te herkennen als zijn administratie;

- de verklaring van verdachte [P.] en wel met name V02/03 blz 2 waarbij hij verklaart de facturen ten name van [verdachte de W.] en gericht aan [S.] Bestratingen, na overleg met verdachte [S.] te hebben opgemaakt.

- de verklaring van verdachte [P.] (V02) en wel met name V02/10 blz. 2 waarbij hij verklaart mandagenstaten en bijbehorende facturen te hebben opgemaakt ten behoeve van de bedrijven van [verdachte de W.], [verdachte de K.], [verdachte V.] en [O.]. Verdachte [P.] verklaart eveneens dat deze bescheiden werden opgemaakt ter verbloeming van de werkelijke gang van zaken.

- de verklaring van verdachte [P.] (V02) en wel met name V02/11 waarbij hij specifiek over de diverse bescheiden (VAR-verklaringen, ID bewijzen, facturen en correspondentie) verklaart.

- verklaringen van verdachte [verdachte de W.] (V03) die onder meer verklaart dat zijn vrouw facturen ten name van [verdachte de W.] had opgemaakt op aanwijzing van verdachte [S.], hij of zijn echtgenote nimmer facturen ten name van [de W. senior], Grond- Straat- en Hovenierswerken hebben gemaakt. (V03/02 blz. 4) en hij nimmer contante betalingen heeft ontvangen naar aanleiding van de facturen. Op een groot aantal bescheiden herkent hij niet zijn handtekening.

- verklaringen van [verdachte de K.] (V04) die onder meer verklaart dat verdachte [P.] (V02) de facturatie ten behoeve van zijn bedrijf verzorgde, en dat hij wist dat de facturen van zijn bedrijf en gericht aan het bedrijf van verdachte [S.] vals waren. (V04/01 blz. 2)

- verklaring van [verdachte V.] en wel met name V06/01 blz. 3 waarbij verdachte [V.] verklaart dat hij nimmer werkzaamheden heeft uitgevoerd danwel heeft laten uitvoeren ten behoeve van [S.] Bestratingen, en dat hij nimmer facturen en/of mandagenstaten/werklijsten heeft opgemaakt.

- de verklaring van [O.] dat door verdachte [P.], aan de hand van de door [O.] opgemaakte werklijsten, facturen voor het bedrijf [O.] Bestratingen en gericht aan [S.] Bestratingen werden opgemaakt. (V12/01 blz. 3), en dat de facturen ten name van [O.] Bestratingen niet naar waarheid werden opgemaakt.

- de bevindingen inzake de verwerking van de facturen in de diverse administraties (zie onder andere Hoofdstuk 3.1.9.3). Verdachte [S.] heeft verklaard dat deze bescheiden in zijn administratie zijn verwerkt (V01/02 blz. 6).

- De bevindingen ten aanzien van de geldstromen, hoofdstuk 3.1.10. In een groot aantal gevallen heeft betaling van de facturen plaatsgevonden op de bankrekening van [de W. senior] dan wel [verdachte de K.]. Zeer kort daarop werd het gestorte bedrag (vrijwel) geheel weer per kas opgenomen door de gemachtigde, verdachte [verdachte P.]. Door alle drie de verdachten ([de W.]. [de K.] en [P.]) is verklaard dat het geld vervolgens is teruggegeven aan verdachte [S.].

Op de facturen van [de W.], [de K.], [V.] en [O.] staan personen genoemd die naar [S.] bestratingen werden gefactureerd als door hen geleverde arbeid. Betrokken personen zijn als getuige gehoord. Het betreft [getuige 4]50, [getuige 5]51, [getuige 6]52, E.J. [getuige 7]53, [getuige 8]54, [getuige 14]55, [getuige 15]56, [getuige 16]57, [getuige 17]58 en [getuige 18].59. De verklaringen van al deze getuigen houden in dat zij het bedrijf [S.] Bestratingen niet kennen en dat zij nooit voor dit bedrijf hebben gewerkt.

Gelet op de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft opgetreden als werkgever en niet als aannemer die werkte met onderaannemers. Op verdachte rustten dan ook alle verplichtingen die hij als werkgever ten opzichte van het UWV en de belastingdienst had na te komen, maar die hij op z'n beloop heeft gelaten.

Met betrekking tot het bestaan van een criminele organisatie en verdachtes rol daarin overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de met betrekking tot de feiten 2 en 3 opgesomde bewijsmiddelen blijkt dat er een samenwerkingsverband heeft bestaan tussen verdachte, [P.] ( V02), [de W.] ( V03), [de K.] (V04), [V.] (V06) en [O.] (V12).

Kort en zakelijk samengevat verklaart [verdachte de W.] in dit verband dat:

- Hij vanaf zijn 12e levensjaar altijd heeft gewerkt, geen verdere opleiding heeft genoten en om die reden wel kan lezen, maar dat hij niet altijd goed begrijpt wat er staat geschreven;

- In eerste instantie zijn vrouw op verzoek van [verdachte] fakturen opmaakte waarvan het faktuurbedrag door [verdachte] werd bepaald en dat niet de feitelijke gang van zaken op de faktuur werd vermeld;

- Hij naderhand door [verdachte] aan [verdachte P.] werd voorgesteld die

vervolgens bescheiden t.b.v. de onderneming van [verdachte de W.] opmaakte;

- Hij niet of nauwelijk kennis nam van de inhoud en de betekenis van de namens zijn

onderneming opgemaakte bescheiden en deze vervolgens ondertekende;

- Door hem, op voorstel van [verdachte], samen met [verdachte P.] een

bankrekening werd geopend en dat [verdachte P.] gemachtigde was van deze rekening;

- Hij wist dat er aanzienlijke bedragen op de door hem geopende bankrekening werden gestort, maar dat hij hier geen zicht op had omdat de bankafschriften naderhand niet meer bij hem thuis werden bezorgd maar op het huisadres van

[verdachte P.];

- Hij wist dat [verdachte P.] geld van zijn bankrekening opnam en dat geld

vervolgens aan [verdachte] terug gaf;

- Hij er van uit ging dat het geld dat via zijn bankrekening terugvloeide naar [verdachte] deels werd gebruikt voor het uitbetalen van lonen aan het personeel van [verdachte] en dat het restant door [verdachte] in zijn eigen zak werd gestoken;

- Hem door [verdachte] beloofd was dat er geld in een BV zou worden gestort die hij naderhand met zijn zoon [de W. junior], [verdachte de K.] en [verdachte] zou delen;

- Hij erop vertrouwde dat zijn zaken op papier goed geregeld zouden zijn omdat [verdachte] hem dat verzekerd had;

- Hij, nadat hem zogenoemde werklijsten, fakturen, mandagenstaten, correspondentie en ontvangstbewijzen waren getoond die door [verdachte P.] namens zijn onderneming werden opgemaakt, ontkent dat hij kennis had genomen van de inhoud van de getoonde bescheiden;

- De voornoemde door [verdachte P.] opgemaakte bescheiden niet naar waarheid werden opgemaakt en hij ook nooit de bedragen had ontvangen zoals vermeld op de getoonde ontvangstbewijzen;

- Dat werknemers van [verdachte] een werknaam moesten noemen als daar op een werkobject naar gevraagd werd en niet hun eigen naam;

- De boekhouding van het op zijn naam gestelde bedrijf in opdracht van [verdachte] vals is opgemaakt door [verdachte P.] om te verbloemen dat [verdachte] met personeel had gewerkt.

Kort en zakelijk samengevat verklaart [verdachte de K.] in dit verband dat:

- Hij in eerste instantie een lijst met opdrachtgevers kreeg van [verdachte] die hij moest benaderen voor het verkrijgen van werk voor de bedrijven van [verdachte] en dat hij toen nog niet was ingeschreven bij de KvK;

- Hij door [verdachte] werd voorgesteld aan [verdachte P.] die hem begeleidde bij de inschrijving bij de KvK en [verdachte] tegen hem had gezegd dat [verdachte P.] hem verder zou helpen met de nodige formaliteiten;

- [verdachte P.] ook met hem naar de bank ging voor het openen van een zakelijke rekening;

- Hij vervolgens van [verdachte] de namen door kreeg van stratenmakers die beschikbaar waren voor opdrachten die hij verkreeg voor het bedrijf van [verdachte] en dat hij na verloop van tijd zelfstandig, in opdracht van [verdachte], personen benaderde om te gaan werken voor de bedrijven van [verdachte];

- Hij van de personen die feitelijk het straatwerk uitvoerden, op een blocnote de voornamen noteerde;

- Hij van [verdachte] te horen kreeg onder welke naam hij een persoon moest verantwoorden op werklijsten als hij een persoon bereid had gevonden om voor [verdachte] te gaan werken en dat hij wist dat dat niet de werkelijke naam was;

- Hij, aan de hand van de aantekeningen die hij eerder in het klad op zijn blocnote had gemaakt, naderhand op zijn computer werklijsten opmaakte;

- Hij wist dat de werklijsten die hij opmaakte vals waren, maar dat hij aan de verzoeken van [verdachte] meewerkte omdat hem door [verdachte] in het vooruitzicht was gesteld dat hij samen met [de W. senior en junior] een BV op zijn naam zou krijgen;

- Hij de werklijsten die hij opmaakte afgaf op het kantoor van [verdachte] aan de [adres 3] en dat aan de hand daarvan vervolgens fakturen werden opgemaakt die gericht waren aan de opdrachtgevers van [verdachte];

- Hij wist dat op grond van de werklijsten die hij opmaakte, door [verdachte P.] facturen en mandagenstaten werden opgemaakt op naam van bedrijven op naam van hemzelf en die van [de W. senior] die uiteindelijk gericht waren aan de bedrijven van [verdachte];

- Hij op de werklijsten ook personen tussen haakjes vermeldde zodat [verdachte P.] wist dat deze personen niet op de fakturen hoefden te worden vermeld omdat dit personen waren die zelfstandig aan [verdachte] faktureerden;

- Hij er in het begin op vertrouwde dat [P.] de zaken op papier wel zou regelen omdat [de W. senior] hem dat had verteld;

- Hij de plaats in had genomen van [de W. senior] bij de verdeling van de loonzakjes en dat [de W. senior] in het begin aanwezig was bij de verdeling van het geld;

- Hij op donderdagavond het gehele loonbedrag in contanten kreeg overhandigd van [verdachte] nadat deze het geld voor hem had uitgeteld;

- Hij vervolgens het geld verdeelde naar de koppels toe in loonzakjes waarop het bedrag geschreven werd waar dat koppel recht op had;

- Hij in opdracht van [verdachte] per week in totaal een bedrag van 40.000 tot 50.000 gulden uitbetaalde aan de koppels;

- Er door [verdachte] stortingen op zijn rekening werden gedaan van bedragen tussen de 50.000 en 200.000 gulden en dat hij enkele dagen van te voren door [verdachte] op de hoogte werd gesteld van een storting;

- Hij in opdracht van [verdachte] vervolgens het gehele bedrag contant opnam en afgaf aan [verdachte] op zijn kantooradres zonder dat hij daarvoor een kwitantie kreeg;

- Ook [verdachte P.] gelden van zijn rekening contant heeft opgenomen en weer heeft afgegeven aan [verdachte], nadat er een storting door [verdachte] had plaatsgevonden;

- De verhouding van de contante geldopnames die werden teruggegeven aan [verdachte] tussen hemzelf en [verdachte P.] 20% tot 80% was;

- Hij ontvangstbewijzen had ondertekend voor ontvangst van de bedragen die eerder door [verdachte P.] en hemzelf waren afgedragen aan [verdachte] omdat [verdachte P.] en [verdachte] hem hadden verteld dat dit moest;

- Hij ondanks protesten bij [verdachte] daartoe, samen met [de W. senior], uit ontzag voor [verdachte] zich gedwongen voelde de

ontvangstbewijzen te ondertekenen;

- Hij had gezien dat [de W. senior] tegelijkertijd met hemzelf werkstaten en facturen moest ondertekenen bij [verdachte P.] thuis;

- Hij wist dat [verdachte P.] de opdracht had gekregen van [verdachte], de boekhouding van hemzelf en [de W. senior] te verzorgen;

- [verdachte P.] in opdracht van [verdachte] uittreksels van de Kvk aanvroeg via het bedrijf wat op zijn naam stond;

- [verdachte P.] hem had laten zien op de computer bij [verdachte P.] thuis dat hij in staat was VAR-Verklaringen na te maken;

- [verdachte P.] hem had verteld dat hij op basis van de uittreksels KvK die eerder waren opgevraagd daadwerkelijk VAR-Verklaringen had opgemaakt;

- Deze vervalste VAR-Verklaringen via [verdachte P.] bij [verdachte] terecht kwamen, maar dat hij niet wist hoe;

- [verdachte P.] hem had verteld dat hij id-bewijzen kon namaken, onder andere rijbewijzen en identiteitskaarten, op naam van de personen die werden opgevoerd onder de valse "werknaam";

- [verdachte P.] alle brieven of stukken opmaakte die namens het bedrijf dat op zijn naam stond werden verstuurd;

- Hij vaak hele stapels papieren moest ondertekenen en dat gekscherend de "tekenshow" noemde;

- Hij zich dan niet bewust was van hetgeen hij ondertekende;

- Hij nooit zelf VAR-verklaringen aan [verdachte P.] had gegeven of had opgestuurd;

- Hij lijsten had vervaardigd waarop de voornamen of bijnamen van de feitelijke "zwartwerkers" vermeld stonden alsmede namen waaronder de "zwartwerkers" op werklijsten en mandagenstaten werden verantwoord;

- Het zou kunnen dat hij een dergelijke lijst ook aan [verdachte] en [de W. senior] had gegeven.

Kort en zakelijk samengevat verklaart [verdachte V.] in dit verband dat:

- Hij van beroep tandarts was tot ongeveer september 2001 en in verband met een

schorsing dit beroep niet meer mag uitoefenen;

- Hij [verdachte] kende als patient van hem;

- Op enig moment door [verdachte] gevraagd werd of hij met een bus,

voorzien van reclame van het berijf van [verdachte], wilde rijden zonder

een tegenprestatie te hoeven leveren;

- [verdachte] hem in januari 2003 voorstelde samen een bestratingsbedrijf

te beginnen;

- Hij zich op verzoek van [verdachte] liet inschrijven bij de KvK met

de eenmanszaak [V.] Bestratingen;

- Hij op verzoek van [verdachte] een rekening bij de ABN AMRO bank

opende;

- Hij buiten de inschrijving KvK, de opening van de rekening en het benaderen van

relaties voor werk geen feitelijke bemoeienis had met de onderneming

[V.] Bestratingen;

- Hij ervan uitging dat [verdachte] niet buiten hem om werk zou uitvoeren

met het bedrijf [V.] Bestratingen;

- Hij dacht dat er geen activiteiten waren binnen [V.] Bestratingen omdat het

hem niet lukte [verdachte] met mogelijke klanten in contact te brengen;

- Hij op een bepaald moment wel 80 rekeningen ontving van de KvK voor

opgevraagde uittreksels en hiermee naar [verdachte] ging voor betaling van

deze rekeningen en deze uiteindelijk ook betaald kreeg;

- Hij nooit facturen of briefpapier ten name van [V.] Bestratingen had laten

maken;

- Hij in december 2003 [V.] Bestratingen bij de KvK met

terugwerkende kracht had laten uitschrijven omdat er geen activiteit binnen

Verlinde Bestratingen had plaatsgevonden;

- Nadat hem kopie facturen en mandagenregisters ten name van

[V.] Bestratingen werden getoond, dat deze niet door hem of in opdracht van

hem waren gemaakt;

- Hij [verdachte P.] herkende nadat hem een foto was getoond waarvan de

identiteitsgegevens waren afgedekt, hij wist dat [verdachte P.] in de [adres 4] te

Leiderdorp woonde;

- Hij [verdachte P.] had leren kennen bij [verdachte] op kantoor;

- [verdachte] op dat moment vertelde dat [verdachte P.] zijn administratieve

zaken regelde en dat [verdachte P.] dat voor [V.] Bestratingen ook zou gaan

doen;

- Hij [verdachte P.] in totaal 2 keer had gezien en dat hij [verdachte P.] had

gemachtigd voor de bankrekening bij de ABN/AMRO om geld op te nemen na advies

van [verdachte] daartoe;

- Hij op op kantoor bij [verdachte], op verzoek van [verdachte] een

"Verlening Volmacht cq Procuratie" had ondertekend namens [V.] Bestratingen

ten gunste van [verdachte P.];

- Hij de voornoemde "Verlening Volmacht cq Procuratie" had ondertekend omdat [verdachte] hem had verteld dat een dergelijke volmacht gunstig voor hem zou

zijn als er iets mis zou gaan met de onderneming omdat [verdachte P.] dan

verantwoordelijk zou worden gehouden omdat hij geen bemoeienis met het bedrijf

had;

- Hij brieven had ondertekend namens [V.] Bestratingen op verzoek van

R. [S.] zonder kennis te nemen van de inhoud. Naar hij nu zag dat deze brieven betroffen onder andere inzake de levering van kopie Var-verklaringen en kopie identiteitsbewijzen aan het bedrijf van [verdachte].

Kort en zakelijk samengevat verklaart [O.] (V12) in dit verband dat:

- Hij in contact gekomen was met [verdachte] toen deze nog heel jong was;

- Hij nog als opperman had samengewerkt met de vader van [verdachte];

- Hij in januari 2004 door [verdachte] werd opgebeld en deze hem het

voorstel deed om voor [verdachte] te komen werken als ZZP'er;

- [verdachte] hem het voorstel deed de werken af te rijden die [S.] Bestratingen onder handen had, daar werkbonnen op te halen dan wel

materialen te brengen;

- Hij tevens de personen moest gaan controleren die [verdachte] aan het

werk had en een soort uitvoerder zou worden;

- [verdachte] later zijn voorstel wijzigde;

- Hijzelf voor de koppels moest gaan zorgen omdat [verdachte] hem vertelde

dat hij hier geen tijd voor had en dat hij op die manier meer kon gaan verdienen,

een bedrag van € 100 per koppel, per week;

- De persoon [verdachte P.] zijn administratie zou gaan verzorgen; hij wist dat

[verdachte P.] een goede bekende was van [verdachte];

- Hij zich zelfstandig had laten inschrijven bij de KvK en hij met [verdachte P.] een

aantal malen had gepraat over de werkzaamheden die [verdachte P.]

zou gaan verrichten;

- [verdachte] uiteindelijk voorstelde dat hij een bedrag van € 150, per

koppel, per week, zou ontvangen voor de koppels die hij zou gaan leveren aan

[verdachte] en daar een bedrag van € 50 per week aan [verdachte P.] zou

geven;

- Hij feitelijk nooit geld had uitbetaald aan [verdachte P.] en deze daar ook niet om

gevraagd had;

- Als [verdachte] een opdracht had aangenomen, [verdachte] hem

vertelde hoeveel koppels straatmakers hij nodig had op een bepaald object;

- Hij vervolgens [verdachte P.] opbelde met de medeling dat er straatmakers

geleverd moesten worden aan [verdachte] door [O.] Bestratingen;

- Hij vervolgens van [verdachte P.] de namen te horen kreeg van de personen die hij

moest invullen op werklijsten;

- Hij eerder van [verdachte P.] deze werklijsten had gekregen en er zelf nadien een

aantal had gekopieerd;

- Hij de namen die hij eerder te horen kreeg van [verdachte P.] noteerde op de

werklijsten en deze vervolgens terug gaf aan [verdachte P.];

- [verdachte P.] vervolgens op zijn computer thuis mandagenstaten en facturen

opmaakte op naam van [O.] Bestratingen;

- Hij wist dat [verdachte P.] een witte map thuis had staan met daarin opgenomen

VAR-Verklaringen, een inschrijving KvK en een kopie id-bewijs van de personen die

hij eerder had ingevuld op de werklijsten;

- Er vervolgens een faktuur werd gestuurd naar [S.] Bestratingen waarbij

een VAR-Verklaring, een inschrijving KvK en een kopie id-bewijs werd gevoegd;

- [verdachte P.] vanaf het begin af aan beschikte over een map met de gegevens van

de ZZP'ers en dat [verdachte P.] had verteld de map van [verdachte] te

hebben gekregen;

- Hij de gang van zaken wel vreemd vond;

- Hij een groot aantal mandagenstaten en facturen had ondertekend die [P.] had opgemaakt;

- Hij nooit prijsafspraken had gemaakt met [verdachte] en dat [verdachte P.]

de facturen opmaakte op aanwijzing van [verdachte];

- Er nooit facturen werden ontvangen van de ZZP'ers die hij moest invullen op de

werklijsten en dat nooit betalingen gedaan zijn aan de ZZP'ers die op papier

gewerkt hadden;

- Het voorgaande de papieren situatie was omdat hij in werkelijkheid de namen van

personen had gekregen van [verdachte] die hij moest gaan benaderen als

er straatmakers of oppermannen nodig waren op een werkobject;

- Hij de opdracht had gekregen van [verdachte] om nog meer mensen te

zoeken die straatmakerswerk wilden verrichten;

- Hij wel wist dat de namen die hij invulde op de werklijsten niet de personen waren

die hij benaderde voor het verrichten van de werkzaamheden;

- De mensen die hij benaderde om te gaan werken voor een groot deel mensen

Waren die een uitkering genoten en in een gelijksoortige situatie verkeerden als

hijzelf en hij daarom geen namen van deze mensen wilde noemen;

- Hij op vrijdag naar [verdachte] op de [adres 3] in Leiderdorp ging die

hem dan een bedrag in contanten gaf en hij dit bedrag vervolgens wisselde in kleine

coupures bij de Essopomp bij de [adres 2];

- Hij vervolgens de straatmakers en oppermannen hun loon uitbetaalde op de

werkobjecten of bij hemzelf thuis;

- Hij in opdracht van [verdachte] een bedrag van € 1000 per koppel, per

week had afgesproken met de mensen die feitelijk het werk verrichten en dat hij

dacht dat het in totaal een man of 10 was;

- Hij door had dat de facturen die werden opgemaakt op naam van [O.]

Bestratingen niet de werkelijke situatie weergaven en daarom niet naar waarheid

werden opgemaakt;

- Hij wel had getracht om feitelijke ZZP'ers te vinden omdat hij daar opdracht toe had

gekregen van [verdachte], dat dit niet lukte en [verdachte P.] natuurlijk al een map had met ZZP'ers;

- Toen hij uiteindelijk wel een aantal ZZP'ers had gevonden om te gaan werken hij de

opdracht kreeg van [verdachte] om de ZZP'ers aan het lijntje te houden;

- Er nooit werk was uitbesteed aan de feitelijke ZZP'ers;

- Als hij [verdachte] confronteerde met de gang van zaken hem verteld werd

dat het wel goed zou komen, dat hij wilde groeien tot een stuk of 40 koppels en dat

hij binnen 5 jaar de zaak zou kunnen overnemen;

- Nadat hem een witte map was getoond met daarin opgenomen onder andere

inschrijvingen KvK dat de handtekening die geplaatst was op de kopie

uittreksels KvK die van hem was;

- Hem door [verdachte P.] werd verteld dat het nodig was dat hij deze ondertekende en

hij hier aan had voldaan;

- [verdachte P.] op zijn naam een abonnement had aangevraagd voor een

internetverbinding met de KvK, hij daar een rekening voor had gekregen en dat

bedrag vervolgens contant op zijn rekening gestort kreeg;

- Hij naar de Belastingdienst was gegaan om een VAR-Verklaring aan te vragen en

deze hem werd geweigerd per brief d.d. 20 april 2004 omdat hij niet bij de

Belastingdienst als ondernemer bekend was;

- Hij van [verdachte P.] vervolgens wel een VAR-verklaring kreeg die op zijn naam

gesteld was gedateerd 22 maart 2004 en dit ook wel vreemd vond nadat hij daar

door verbalisanten op was gewezen;

- Nadat hem diverse schriftelijke bescheiden waren getoond op naam

van [O.] Bestratingen, deze alle door [verdachte P.] werden opgemaakt en hij

de bescheiden die op een stapeltje waren gelegd door [verdachte P.] blindelings

ondertekende;

- Hij nu begrijpt dat de getoonde bescheiden werden opgemaakt om [verdachte] in te dekken en dat [verdachte P.] hier ook aan had meegewerkt;

- Nadat hem een ontvangstbewijs ad € 28.596,- werd getoond, hij

het ontvangstbewijs niet herkende, maar [verdachte P.] hem wel een

ontvangstbewijs had laten ondertekenen;

- [verdachte P.] hier blijkbaar ook aan had meegewerkt en hem zonder zijn

Medeweten had laten tekenen;

- Hij in werkelijkheid een bedrag van € 100 tot € 300 per week betaald had gekregen

van [verdachte] en dat hem door [verdachte] was toegezegd dat

hij ook de beschikking zou krijgen over een leaseauto;

Kort en zakelijk samengevat verklaart [verdachte P.] (V02) in dit verband dat:

- Hij door [verdachte] werd verzocht lichte administratieve werkzaamheden te gaan verrichten voor [de W. senior] en vervolgens ergens in het jaar 1999 door [verdachte] werd voorgesteld aan [de W. senior];

- Hij met [de W. senior] afsprak dat hij facturen en mandagenstaten zou gaan opmaken voor het bedrijf van [de W. senior] gericht aan het bedrijf van [verdachte], aan de hand van werklijsten die [de W. senior] hem zou aanleveren;

- Toen hij begon met zijn werkzaamheden er een grote achterstand was en dat [verdachte] hem werklijsten aanleverde met daarop vermeld de mensen die arbeid hadden geleverd aan het bedrijf van [verdachte], op grond waarvan hij op aanwijzing van [verdachte] facturen opmaakte op naam van het bedrijf van [de W. senior], gericht aan het bedrijf van [verdachte];

- [de W. senior] zich niet heeft bemoeid met de eerste facturen die [verdachte P.] opmaakte op naam van het bedrijf van [de W. senior] aan de hand van door [verdachte] aangeleverde werklijsten;

- Nadat de achterstand was weggewerkt hij werklijsten kreeg aangeleverd van [de W. senior], op basis waarvan hij mandagenstaten en facturen opmaakte op naam van het bedrijf van [de W. senior], gericht aan het bedrijf van [verdachte];

- Hij zelf de lay-out van de facturen die hij maakte voor het bedrijf van [de W. senior] heeft ontworpen en vervolgens afstemde met [verdachte] wat er op de facturen vermeld moest worden;

- Er van uitgegaan kan worden dat de facturen en mandagenstaten die aanwezig zijn in de administratie van [verdachte] op naam van het bedrijf van [de W. senior] opgemaakt zijn door [verdachte P.];

- Hij gemachtigde was voor de bankrekening van het bedrijf van [de W. senior] bij de Rabobank te Voorschoten en dat hij met [de W. senior] en [verdachte] gezamenlijk had doorgesproken dat de stortingen door [verdachte] op de bankrekening van [de W. senior], op basis van de door [verdachte P.] opgemaakte facturen, door [verdachte P.] werden opgenomen.

- De aankondiging van de stortingen op de bankrekening van [de W. senior] hem werden gedaan door afwisselend [de W. senior] en [verdachte] waarna de bedragen die contant werden opgenomen niet werden afgegeven aan [de W. senior] maar in zijn geheel aan [verdachte];

- Hij op basis van werklijsten die hij kreeg van [de W. senior] en later van [de K.] facturen opmaakte voor [verdachte] op naam gesteld van het bedrijf van [de W. senior] en dat er vanaf het begin 20 tot 30 personen werkzaam waren;

- Hij van te voren van [verdachte] te horen kreeg dat er een uittreksel van de kvk opgevraagd moest worden van een nieuw bedrijf wanneer er een nieuwe werknemer bij kwam;

- Hij telefonisch van [verdachte] de sofinummers van de betreffende personen kreeg doorgebeld;

- In een aantal gevallen hij van [verdachte] en/of [de W. senior] en/of [de K.] handgeschreven briefjes kreeg met daarop vermeld de namen van personen en het bijbehorende sofinummer wat hij op de mandagenstaten moest gaan vermelden;

- Hij in de jaren 2000, 2001 en 2002 dezelfde soort werkzaamheden deed voor een bedrijf op naam gesteld van [de K.];

- Hij facturen en mandagenstaten opmaakte die aan de bedrijven van [de W. senior] en [de K.] onderling waren gericht omdat [de K.] hem had verteld dat [verdachte] opdracht gaf onderling te wisselen;

- Hem verteld was door [verdachte] dat er moest worden gewisseld om aan de status van zelfstandig bedrijf te kunnen blijven voldoen;

- Er door het wisselend onderling factureren tussen [de W. senior] en [de K.] eigenlijk alleen een nieuwe facturatiestroom werd gemaakt zonder dat de feitelijke situatie veranderde;

- Hij het contant opgenomen geld van de bankrekeningen van [de K.] en [de W. senior] aan [verdachte] overhandigde, door [de K.] en [de W. senior] een ontvangstbewijs liet ondertekenen zodat hij niet door [de W. senior] of [de K.] aansprakelijk gesteld kon worden;

- Hij er van uit ging dat [verdachte], [de W. senior] en [de K.] de gang van zaken m.b.t. de contante geldopnames en de afgifte daarvan onderling zo hadden afgesproken omdat [de W. senior] en [de K.] zonder mankeren bereid waren de ontvangstbewijzen of kwitanties te tekenen terwijl zij deze gelden niet in ontvangst hadden genomen;

- De gelden die via de bankrekeningen van [de W. senior] en [de K.] terug werden gegeven aan [verdachte] gebruikt werden om via [de W. senior] en [de K.] lonen uit te laten betalen;

- Hij aannam dat het bedrag wat [verdachte] gebruikte om de lonen uit te betalen via [de W. senior] en [de K.] lager was dan het bedrag dat hij contant kreeg overgedragen;

- Hij in het jaar 2000 opdracht kreeg van [verdachte] om zogenaamde VAR-Verklaringen op te maken aan de hand van een eerder door [verdachte] aan hem overhandigde diskette;

- De daartoe benodigde sofinummers aan hem waren verstrekt door [verdachte] en dat hij in totaal 70 tot 80 van dergelijke VAR-verklaringen had opgemaakt en dat het VAR-Verklaringen betroffen van personen die hij ook op mandagenstaten verwerkte;

- [de K.] hem vertelde dat [verdachte] identiteitsbewijzen nodig had en hij vervolgens op aandringen van [verdachte] het identiteitsbewijs van [de K.] had ingescand nadat deze door [de K.] aan hem was afgegeven;

- Hij de ingescande voor en achterzijde van een Europese Identiteitskaart van [de K.] had opgeslagen op twee diskettes en deze aan [verdachte] had afgegeven, waarna hij een cd-rom retour ontving van [verdachte] met daarop een model van een Europese Identiteitskaart die hij kon bewerken, compleet met een groot aantal foto's;

- Hij nadien van alle personen die hij verwerkte op de mandagenstaten een identiteitsbewijs aanmaakte en daar een zwartwit kopie van maakte;

- Hij een rijbewijs op naam van de persoon [getuige nr 2] had ingescand nadat hij dit van [de K.] kreeg overhandigd;

- Hij op dezelfde wijze als met de identiteitskaarten een model verkreeg van [verdachte] wat hij kon bewerken en hier minder dan 10 rijbewijzen mee had aangemaakt;

- Zijn conclusie was dat de personen die opgevoerd werden als ZZP'ers via de werklijsten van [de W. senior] en [de K.] in werkelijkheid zwartwerkers waren;

- Hij wist dat er zwartwerkers waren omdat [de K.] hem dat had verteld;

- In werkelijkheid de arbeid direct geleverd werd aan het bedrijf van [verdachte] en dat de facturatiestroom en de bijbehorende bankbetalingen aan de bedrijven van [de W. senior] en [de K.] dienden om de betalingen van [verdachte] aan de personen die in werkelijkheid de arbeid hadden geleverd af te dekken;

- Hij op naam van de bedrijven [de W. senior] en [de K.] brieven opmaakte waarvan de strekking hem van te voren was medegedeeld door [verdachte] en dat [verdachte] hem soms de brieven dicteerde;

- Er van de brieven, nadat deze hem waren getoond, letterlijk: "geen fuck van klopte";

- Hij [de W. senior] en [de K.] wel mededeelde wat hij in de brieven schreef die hij opmaakte op naam van de op hun naam gestelde ondernemingen, maar dat het vooral [de W. senior] weinig kon schelen wat hij schreef;

- Hij op verzoek van [verdachte] fakturen op naam gesteld van [getuige 4] of [getuige 5] [.] opnam in de administratie van [de K.] en dat hij deze fakturen van [verdachte] had verkregen;

- Hij van [verdachte] kwitanties en/of ontvangstbewijzen had

verkregen waardoor het moest lijken dat deze bedrijven de daarop genoemde

bedragen contant zouden hebben ontvangen;

- De kwitanties en/of ontvangstbewijzen vervolgens opnam in de administratie van het

bedrijf op naam van [de K.] nadat deze door [de K.] waren

ondertekend;

- De fakturen op naam van [getuige 4] die gericht waren aan het bedrijf van [de W. senior] bedoeld waren om de omzet van het bedrijf van [de W. senior] te drukken omdat [verdachte] aan [de W. senior] had beloofd dat zijn belastingzaken in orde zouden komen;

- Hij de hem getoonde de loonzakjes herkende en dat [de K.] en [de W. senior] stapels van dergelijke loonzakjes bij zich hadden;

- Hij, nadat hem een loonzakje met het opschrift "Wim P" was getoond, verklaarde dat deze omschrijving erop duidde dat er bij het loonzakje van [de W. senior] een inhouding zou zijn gepleegd voor hemzelf:

- Hij met [verdachte] de afspraak had gemaakt dat hij een bedrag van 50 gulden netto per week zou krijgen, per gewerkt koppel, voor zijn werkzaamheden;

- Hij meestal contant werd uitbetaald door [verdachte] nadat hij geld had geïncasseerd van de bankrekeningen van [de W. senior] of [de K.] en het geld aan [verdachte] had afgedragen;

- Hij ook weleens een loonzakje uit handen van [de W. senior] had ontvangen, voorzien van het opschrift: "Wim";

- Hij [verdachte] wekelijks een aantal malen sprak, zowel telefonisch of op

het moment dat hij de opgenomen gelden aan [verdachte] overdroeg;

- Hij geen idee had hoe de geldstroom liep van het bedrijf [V.] Bestratingen;

- Hij geen contact had met de ZZP'ers die het werk hadden gedaan voor [V.]

Bestratingen;

- Het hem wel opviel dat de ZZP'ers die werden opgevoerd bij [V.] Bestratingen

Dezelfde waren als de ZZP'ers die eerder werden opgevoerd bij de bedrijven van [de W. senior] en [de K.];

- Hem door [verdachte] verteld was dat [verdachte V.] zijn vroegere tandarts

was en dat [verdachte V.] voor [verdachte] in onderaanneming zou gaan

werken;

- Hij op verzoek van [verdachte] mandagenstaten en facturen had gemaakt

ten name van [V.] Bestratingen en de gegevens voor de mandagenstaten

overnam van werklijsten die hij ontving van [stiefzoon verdachte S.], de stiefzoon van

[verdachte];

- Hij de facturen ten name van [V.] Bestratingen opmaakte op aanwijzing van

[verdachte];

- Hij de facturen en mandagenstaten na opmaak naar het kantoor van [verdachte] bracht en in een postbakje legde;

- Hij in totaal hooguit 4 keer contact had met [verdachte V.];

- Hij gezamenlijk met [verdachte] een ontmoeting had met [verdachte V.] en

en zij daar bespraken of [verdachte V.] tevreden was over de wijze waarop

[verdachte P.] de facturering verzorgde;

- Hij op aanwijzing van [verdachte] een brief had opgemaakt ten name van

[V.] Bestratingen waaruit moest blijken dat [V.] Bestratingen kopie

Var-Verklaringen en kopie identiteitsbewijzen had gestuurd naar het bedrijf van [verdachte].

- Deze kopie Var-verklaringen en kopie identiteitsbewijzen eerder door [verdachte] zelf aan hem waren overhandigd;

- Nadat hem de verklaring van [verdachte] was voorgehouden,

hijzelf en [verdachte V.] niet in staat waren om ZZP'ers te leveren.

- Dat de indruk werd gewekt dat [V.] Bestratingen een actief bedrijf was terwijl

dat in werkelijkheid niet zo was;

- Hij alle facturen en mandagenstaten ten name van [V.] Bestratingen

had opgemaakt;

- [O.] het laatste slachtoffer van [verdachte] was;

- Sinds ongeveer halverwege de maand maart 2004 [verdachte] werkt met een persoon met de naam [O.];

- Op verzoek van [verdachte] in januari 2004 [O.] zich heeft laten inschrijven bij de KvK met het bedrijf [O.] Bestratingen ;

- [verdachte] aan [O.] een heleboel beloften heeft gedaan en dat [O.] hiervoor zelfs zijn Bijstandsuitkering heeft opgezegd;

- Hij op verzoek van [verdachte] facturen opmaakte voor [O.] Bestratingen;

- Hij van [O.] een werklijst kreeg zoals hij die eerder ook van [de W. senior] en [de K.] kreeg;

- De ZZP'ers dezelfde zijn als die eerder bij [de W. senior], [de K.] en [V.] Bestratingen werden opgevoerd;

- [O.] Bestratingen nu daadwerkelijk 2 1/2 maand aan het werk is;

(het moment van verhoor was 2 juni 2004);

- Hij nog steeds werkzaamheden deed voor [verdachte] ten behoeve van een onderneming op naam gesteld van de persoon [O.] en dat hij thuis nog een aantal bescheiden had die van waarde konden zijn voor het opsporingsonderzoek; (het moment van verhoor was 2 juni 2004)

- Hij bereid was deze bescheiden vrijwillig voor onderzoek ter beschikking te stellen;

- Hij weet dat [verdachte] de afgelopen periode werkte voor opdrachtgevers met de namen "[X.]" en "[Y.]" en deze werkzaamheden op papier laat uitvoeren door het bestratingsbedrijf van [O.];

- Het met het bedrijf van [O.] op delfde manier ging als eerder met de bedrijven op naam van [de W. senior] en [de K.];

- De betaling van de werkzaamheden die het bedrijf van [O.] op papier had verricht, niet had plaatsgevonden;

- Hij een kwitantie opmaakte op naam van het bedrijf van [O.] waarop stond vermeld dat [O.] de betaling zou hebben ontvangen voor de werkzaamheden die hij op papier had verricht;

- [O.] hiervoor 1 kwitantie had ondertekend voor een bedrag dat lag tussen de € 10.000,- en € 50.000,- en dat er op verzoek van [verdachte] een regel was opgenomen met de strekking dat de betaling plaatsvond in aanwezigheid van [verdachte P.] en niet was terugbetaald aan [verdachte];

- Hij de kwitantie heeft mede-ondertekend en dat laatstgenoemde zin bedoeld was als een steek onder water van [verdachte] naar de verbalisanten toe;

- Door [verdachte] bestratingswerk werd aangenomen van opdrachtgevers en vervolgens op papier werd uitbesteed aan de bedrijven op naam van [de W. senior], [de K.], [V.] en [O.];

- Hij met op papier bedoelde dat de werkzame personen eigenlijk rechtstreeks voor [verdachte] werkzaam waren en dat [de W. senior], [de K.], [V.] en [O.] eigenlijk te beschouwen waren als een uitvoerder of voorman van [verdachte] en niet als onderaannemer;

- Het door de jaren heen steeds dezelfde namen waren die hij moest verwerken op de mandagenstaten die hij achtereenvolgens opmaakte op naam van [de W. senior], [de K.], [V.] en [O.];

- Hij gaandeweg in de gaten kreeg dat het niet klopte en dat de bedrijven die op naam stonden van [de W. senior], [de K.], [V.] en [O.] bedoeld waren om "zwartwerkers" die voor [verdachte] werkten te verdoezelen;

- [verdachte] het op deze wijze kon laten voorkomen dat hij geen werkgever was terwijl hij in werkelijkheid "zwart" loon uitbetaalde;

- Hij na zijn schorsing uit voorlopige hechtenis bescheiden, die hij thuis nog in bezit had inzake [O.], vrijwillig ter beschikking voor onderzoek wilde stellen;

- De gang van zaken m.b.t. de mensen die aan het werk gingen voor [O.], het zo was dat [verdachte] feitelijk al de personen had geregeld die aan het werk moesten gaan;

- Als [O.] op kantoor was bij [verdachte] hem door [verdachte] werd verteld, dat hij de namen van de personen die zouden gaan werken van [verdachte P.] zou horen;

- Terwijl voordat [O.] hiertoe de gelegenheid had, de namen van de ZZP'ers die moesten worden opgevoerd op de werklijsten door [O.], al door [verdachte] waren doorgebeld aan [verdachte P.];

Uit de hierboven weergegeven verklaringen van vijf andere verdachten in deze zaak laat zich naar het oordeel van de rechtbank het volgende samenwerkingsverband destilleren.

Verdachte dient te worden gezien als degene die het geheel heeft georganiseerd, met verdachte [P.] als administratieve technische rechterhand. Verdachte had wel een accountant, maar die heeft lange tijd niet geweten wat er speelde. Deze accountant werd eerder aangehouden voor de schone schijn dan voor het inrichten en bijhouden van een PV , pag 55 tot en met 243 deugdelijke bedrijfsadministratie. Verdachte heeft misbruik gemaakt van het systeem van ZZP-ers en [P.] heeft dat misbruik administratief in alle mogelijke vormen gefaciliteerd. Verdachte werkte niet met onderaannemers, maar met uitvoerders. Ze werden bij het samenwerkingsverband betrokken door beloften van verdachte: meer loon en/of een eigen bedrijf. De uitvoerders, [de W.], [de K.], [V.] en [O.], wisten goed dat de mandagenstaten en facturen die zij maakten of lieten maken, niet een weergave van de werkelijkheid inhielden, maar om hen moverende redenen hebben zij dat erbij laten zitten. Ook het gemanipuleer met de door hen geopende bankrekeningen hebben zij gelaten voor wat het was. Op die wijze hebben zij een substantiële bijdrage geleverd aan dit criminele samenwerkingsverband. Op het moment dat dit speelde, hadden zij wellicht niet precies in de gaten waartoe hun handelingen uiteindelijk strekten, maar ieder voor zich, behalve [P.], heeft ter terechtzitting verklaard in te zien wat uiteindelijk het effect van dit handelen is geweest. De manier van werken binnen het samenwerkingsverband wordt naar het oordeel van de rechtbank treffend geïllustreerd door navolgend telefoongesprek tussen verdachte en [P.].60 Verdachte zegt tegen [P.] dat [de K.] onderweg is met een stapeltje papieren waarvan er één in de computer moet worden gezet. Dat document moet precies hetzelfde kunnen worden opgeroepen als het nodig is. [de K.] moet dan even weg gestuurd worden. [P.] moet zijn werk doen en tegen [de K.] zeggen dat hij hem morgen kan komen ophalen. [de K.] verklaart daarover61 dat [P.] een kopie wilde maken van zijn Europese identiteitskaart ten behoeve van de administratie van [verdachte] (verdachte). [P.] had toen problemen met zijn computer en [de K.] heeft het id-bewijs pas een paar dagen later teruggekregen.

Het financieel/economisch effect van het optreden van dit criminele samenwerkingsverband is neergelegd in hoofdstuk 11.62

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht met betrekking tot verdachte bewezen dat

2.

hij de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 januari 2004, te Leiderdorp en (elders) in Nederland als werkgever in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, handelend

onder de naam [S.] Bestratingen en/of [S.] Grond- &

Straatwerk en Wegenbouw opzettelijk niet heeft voldaan

aan zijn verplichting om met in achtneming van de door de Minister

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daaromtrent gestelde regels

(Loonadministratiebesluit van 28 december 1987) opgave te doen van al het

door de werknemers van [S.] Bestratingen en/of [S.]

Grond- & Straatwerk en Wegenbouw genoten loon aan het Landelijk instituut

sociale verzekeringen en/of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

immers heeft [S.] Bestratingen en/of [S.] Grond- &

Straatwerk en Wegenbouw over de jaren 2000 en 2001 en 2002 en 2003 het loon van de werknemers van die onderneming(en) opzettelijk onjuist en onvolledig, immers opzettelijk in het geheel niet opgegeven of doen opgeven;

3.

hij op 11 juni 2003 te Hazerswoude Rijndijk (gemeente Rijnwoude) en/of Zoeterwoude en/of elders in Nederland opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen ten name van [verdachte], over respectievelijk de jaren: 2000 (D/005) en 2001 (D/006) en 2002 (D/007) en 2003 (D/008), onjuist en onvolledig heeft gedaan hebbende die [verdachte] opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Gouda ingeleverde aangiftebiljetten loonbelasting en premie volksverzekeringen over genoemde jaren een onjuist, immers een te laag bedrag aan af te dragen loonbelasting/premie volksverzekeringen bij de in dit biljet opgenomen

posten "totaal loon" (post 1c) en/of "totaal loonbelasting/premie volksverzekeringen" (post 4a) opgegeven, immers heeft hij, verdachte, -zakelijk weergegeven- werknemers in dienst van [verdachte] niet in de loonadministratie opgenomen en daardoor ook niet in de post "totaal loon terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te

weinig belasting werd geheven;

4.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2000 t/m 31 mei 2004, te Leiderdorp en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, de bedrijfsadministratie van [S.] Bestratingen - zijnde die bedrijfsadministratie geschriften, bestemd om tot het bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken - bestaande dat valselijk opmaken van die (bedrijfs)administratie uit het door hem, verdachte, en zijn mededaders, opzettelijk (doen) verwerken opnemen van valselijk opgemaakte en vervalste geschriften in de (bedrijfs)administratie, te weten valse of vervalste

a. kopie Var-verklaringen (7361 t/m 7669, 7690 t/m 7788, D/017 t/m D/076,)

en

b. kopie identiteitsbewijzen (6262 t/m 6390, 6391 t/m 6540, 9073 t/m 9323)

en

c. facturen op naam van [verdachte de W.] en [verdachte de K.] en [verdachte V.] en [verdachte O.] en de daarbij behorende mandagenstaten/urenverantwoordingen betreffende werkzaamheden door ingeleend personeel

bestaande die valsheid van die

a. kopie Var-verklaringen hierin dat daarop opzettelijk in strijd

met de waarheid is vermeld dat - zakelijk weergegeven - (ondermeer)

- door betreffende belastingplichtige een VAR-verklaring is aangevraagd

Terwijl aan die belastingplichtige nimmer een VAR-verklaring is afgegeven

en

- er aan betreffende belastingplichtige een bepaald sofinummer zou zijn

gegeven, terwijl het een niet bestaand en/of onjuist sofinummer is

en

b. kopie identiteitsbewijzen hierin -zakelijk weergegeven- (ondermeer) dat daarop opzettelijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat:

- aan die betreffende persoon een identiteitskaart is afgegeven

en

- de personalia van de identiteitskaart de gegevens zouden zijn van de op de

foto afgebeelde persoon

en

c. facture) en/of de daarbij behorende mandagenstaten/urenverantwoordingen

hierin dat daarop opzettelijk in strijd met de waarheid is vermeld

dat - zakelijk weergegeven -

genoemde werkzaamheden door het genoemde personeel zou zijn verricht, zulks terwijl in werkelijkheid de op die facturen en mandagstaten/urenverantwoordingen vermelde werkzaamheden nimmer door die op de facturen en/of bijbehorende mandagstaten/urenverwantwoordingen genoemde personen zou zijn verricht.

5.

hij in de periode van 1 januari 2000 tot en 31 mei 2004 te Leiderdorp en Zoeterwoude en

Hazerswoude Rijndijk (gemeente Rijnwoude) en Leiden en elders in Nederland , heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een min of meer gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband bestaande uit (onder meer) [verdachte P.] en [verdachte de W.] en [verdachte de K.] en [O.] enanderen, welkeorganisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het opzettelijk doen van onjuiste jaarloonopgaven bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, van personeel van [S.] Bestratingen

- het opzettelijk doen van onjuiste aangiften Loonbelasting en Omzetbelasting, en

- het opmaken van valse stukken, te weten:werklijsten en facturen en/ mandagenstaten en identiteitsbewijzen en Verklaringen Arbeidsrelatie (var-verklaringen) en/of het voorhanden hebben van deze

vervalste stukken

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

Voorts heeft de officier van justitie opheffing van de schorsing van de gevangenhouding gevorderd.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadslieden van verdachte hebben in een uitgebreide pleitnota betoogd dat het dossier geen overtuigend bewijs bevat voor hetgeen aan verdachte wordt verweten. Zij hebben integrale vrijspraak bepleit.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de redelijke termijn

Het onderzoek in deze zaak is aangevangen met een vordering gerechtelijk vooronderzoek van 27 oktober 2003, welke vordering op 3 juni 2004, bij gelegenheid van het eerste verhoor van verdachte door de rechter commissaris. aan hem ter hand is gesteld. Op 30 oktober 2003 hebben in dit kader huiszoekingen plaatsgevonden bij [verdachte], [verdachte de K.], [verdachte de W.], [De G.] accountancy- en Belastingzaken, [verdachte P.], administratie belastingconsulent en [verdachte P.]. Verdachte is op 1 juni 2004 aangehouden en in verzekering gesteld; op 3 juli 2004 voorgeleid aan de rechter-commissaris en op 10 juni 2004 is de gevangenhouding bevolen. Op 1 juli 2004 is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst.

Het gerechtelijk vooronderzoek is op 12 oktober 2005 door de rechter-commissaris gesloten. In het dossier heft de rechtbank geen stukken aangetroffen waaruit blijkt dat deze beschikking aan verdachte bekend is geworden. Gelet echter op de datum, 7 oktober 2005, op de akte van uitreiking van de dagvaarding voor de zitting van 21 oktober 2005, moet het ervoor gehouden worden dat het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten door dagvaarding. Op 21 oktober 2005 heeft een pro-forma-zitting plaatsgevonden en is het dossier in handen van de rechter-commissaris gesteld voor het horen van getuigen.

Op 3 september 2008 was de inhoudelijke behandeling van deze zaak gepland, maar door capaciteitsgebrek bij de rechtbank kon deze zitting niet doorgaan. Op 8 december 2008 vond een tweede pro-forma-zitting plaats en op 3 februari 2009 is de zaak van verdachte inhoudelijk behandeld, ruim vijf jaar en drie maanden na het met de huiszoekingen aangevangen onderzoek.

De periode 30 oktober 2003-21 oktober 2005 wordt gekenmerkt door een grondig verschil van mening tussen de advocaten van medeverdachte [S.] en de officier van justitie over de samenstelling van het dossier en naar het oordeel van de verdediging uit te voeren onderzoekshandelingen blijkens de zich in het dossier bevindende correspondentie en de medio juni 2004 gevoerde procedure in verband in verband met de onthouding van stukken. Indien de toenmalige zaaksofficier adequater op de verzoeken van de verdediging had gereageerd, had deze periode naar het oordeel van de rechtbank niet langer dan een jaar hoeven te duren.

Door wisselingen van rechter-commissaris én capaciteitsgebrek bij de rechtbank heeft de aanloop naar de inhoudelijke behandeling van deze zaak nà 21 oktober 2005 naar het oordeel van de rechtbank ruim twee jaar langer geduurd dan noodzakelijk.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de schending van de redelijke termijn twee en een half jaar beloopt welke schending, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 17 juni 2008, gecompenseerd dient te worden in de strafoplegging.]

Ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten

Verdachte heeft jaren lang op slinkse wijze misbruik gemaakt van het systeem van ZZP-ers. Hij heeft daardoor niet alleen het vertrouwen dat stratenmakers op grond van een gezamenlijk arbeidsverleden in hem stelden, zwaar beschaamd, ook heeft hij op grove wijze misbruik gemaakt van hun goedgelovigheid en hun beperkte vermogen om door fiscale en financiële structuren heen te kijken.

Daarnaast heeft verdachte willekeurige andere bedrijven en personen bij zijn handelingen betrokken door op naam van andere bedrijven facturen in zijn administratie op te nemen, terwijl die bedrijven geen enkele zakelijke relatie met hem hadden.

Hij heeft ook niet geschroomd misbruik te maken van de sociaal/economisch zwakke positie van mensen met een uitkering. Hij heeft ze laten werken en betaalde ze zwart uit.

Dit alles heeft geresulteerd in forse financiële benadeling van de Nederlandse samenleving, waarbij het benadeelde bedrag eerder twee miljoen euro dan minder bedraagt. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Een dergelijke wijze van benadelen rechtvaardigt in principe de oplegging van een lange onvoorwaardelijke, vrijheid benemende straf conform de eis van de officier van justitie. De rechtbank zal echter wat de duur van de op te leggen straf betreft in het voordeel van verdachte rekening houden met de door de rechtbank vastgestelde (forse) schending van de redelijke termijn en de schending van de beginselen van behoorlijke procesorde. De ernst van de feiten en de negatieve maatschappelijke impact daarvan rechtvaardigen echter wel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 47, 57, 140, 225 van het Wetboek van Strafrecht;

- 68, 69 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen;

- 10, 17 van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen;

- 13 van het Loonadministratiebesluit van 28 december 1987.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk niet aan zijn verplichting voldoen om opgave te doen van het door de werknemer genoten loon aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverkeringen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 5:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 1 juni 2004,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 3 juni 2004,

welke voorlopige hechtenis werd geschorst met ingang van: 1 juli 2004,

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. De Graaff, voorzitter,

Dragtsma en Van Kooten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Lohuis, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2009.

1 Pleitnota, punt 1 t/m 4.

2 Hoge Raad 31 mei 1994, nr. 94.375, Hoge Raad 20 januari 2008, NJ 2008, 72 en Hoge Raad 15 mei 2007, NJ 2008, 559.

3 Pleitnota, punt 5 t/m 55.

4 Pleitnota punt 5 t/m 90.

5 Pleitnota, punt 55 t/m 90

6 NJ 2008, 358 m.nt. P.A.M. Mevis.

7 EHRM, 16 december 1992, A247-B, NJCM-Bulletin 1999, pagina 449-553.

8 Pleitnota, punt 89.

9 Proces-verbaal verhoor getuige door de rechter-commissaris, 14 januari 2009, punt 11-12.

10 Pleitnota, p. 32.

11 Pleitnota, punt 92, p. 32.

12 Pleitnota, punt 123, p. 40.

13 Pleitnota, punt 122-125, p. 39, 40.

14 Pleitnota, punt 126, p. 40.

15 Pleitnota punt 203, p. 57.

16 PV, p. 243, 244.

17 PV , pag 55 tot en met 243

18 Coördinatiewet Sociale Verzekering, artikel 3.

19 http://www.minfin.nl/Actueel/Besluiten_beleidsregels/2006/07/Loonheffingen_beleids...

20 "De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten".

21 PV, p. 150.

22 PV, p. 131.

23 PV, p. 100 -106.

25 PV, p. 106-121.

26 PV, p. 121-143.

27 PV, p. 143-148.

28 PV, p. 148-153.

29 PV, p.148, 149.

30 PV, p. 130.

31 PV, p. 137.

32 PV, p. 158.

33 PV, p. 161.

34 Bijlage H/065.

35 PV, p. 210.

36 R-C, 27-09-2007.

37 R-C, 27-09-2007.

38 R-C, 27-09-2007.

39 R-C, 27-09-2007.

40 R-C, 26-09-2007.

41 R-C, 26-09-2007.

42 R-C, 25-09-2007.

43 R-C, 25-09-2007.

44 D/093, gesprek 251.

45 D/080, gesprek 38.

46 D/083, gesprek 80.

47 D/084, gesprek 107.

48 D/096, gesprek 331.

49 PV, p. 436-442.

50 G/043 - G/049

51 G/001 - G/007.

52 G/016 - G/021.

53 G/022 - G/025..

54 G/026 - G/037.

55 G/038 - G/042.

56 G/050 - G/053.

57 G/054 - G/058.

58 G/059 - G/061.

59 G/062 - G/064

60 D/094, gesprek 285.

61 PV, p. 138.

62 PV, hoofstuk 11, p. 436-444.