Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2419

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-04-2009
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/25336
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BK3848, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / Iran / bekering tot christendom / wetsvoorstel dat doodstraf op afvalligheid stelt

Eiser, afkomstig uit Iran, heeft een herhaalde – derde – asielaanvraag ingediend. Daarom dient de rechter eerst te beoordelen of eiser nieuwe feiten aan die aanvraag ten grondslag heeft gelegd, die een hernieuwde rechterlijke beoordeling van de afwijzing van de asielvergunning door de Staatssecretaris rechtvaardigen. Dat eiser is bekeerd tot het christendom en dat de positie van christenen in Iran is verslechterd, is al aangevoerd in een vorige asielprocedure. Het Iraanse wetsontwerp dat de doodstraf stelt op afvalligheid is ook niet een nieuw feit dat een hernieuwde rechterlijke beoordeling mogelijk maakt, omdat het nog geen wet is in Iran en de inwerktreding ervan niet vaststaat. De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Zutphen

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/25336 BEPTDN

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

geboren op [1976],

van Iraanse nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

eiser,

gemachtigde: mr. A.H. Hekman, advocaat te Utrecht,

en

de Staatssecretaris van Justitie

verweerder,

gemachtigde: mr. A.R. de Vos, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Eiser heeft op 16 mei 2006 een aanvraag om het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 9 juli 2008 heeft verweerder die aanvraag afgewezen.

Eiser heeft tegen dat besluit bij brief van 14 juli 2008 beroep ingesteld. Het beroep is behandeld ter zitting van 13 maart 2009, waar eiser en de gemachtigden van partijen zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank stelt allereerst vast dat de aanvraag van eiser een herhaalde asielaanvraag betreft. Eiser heeft immers ook op 6 april 2004 en op 19 september 2005 een asielaanvraag ingediend, welke aanvragen zijn afgewezen bij besluit van 3 september 2004 respectievelijk 23 september 2005. Het beroep tegen het besluit van 3 september 2004 is door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard bij uitspraak van 7 april 2005 (Awb 04/43716), welke uitspraak in hoger beroep is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij uitspraak van 15 juli 2005. Voorts heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, bij uitspraak van 13 oktober 2005 (Awb 05/43161) het beroep tegen het besluit van 23 september 2005 ongegrond verklaard. Beide afwijzende besluiten zijn derhalve in rechte onaantastbaar geworden.

2.2 Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008, LJN: BC7124) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing.

Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijzing van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit.

2.3 Eiser heeft in beroep - kort gezegd - aangevoerd dat hij als refugié sur place een gegronde vrees voor vervolging heeft in verband met zijn bekering tot het christendom en de verslechterde positie van bekeerlingen in Iran. Eiser verwijst in dat kader naar het algemeen ambtsbericht van juli 2008, Country Reports van het US Department of State en het UK Home Office, rapportage van Amnesty International van 11 juni 2008 en 17 september 2008, en naar een Iraans wetsontwerp dat de doodstraf mogelijk maakt voor geloofsafvalligen, alsmede uitspraken van diverse zittingsplaatsen. Daarnaast stelt eiser dat zijn bekering en afvalligheid voldoende specifieke kenmerken zijn om een reëel risico aannemelijk te achten op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens eiser is het bestreden besluit dan ook genomen in strijd met het motiverings- dan wel zorgvuldigheidsbeginsel. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat artikel 4:6 van de Awb toepassing mist, omdat het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2007/15 (WBV 2007/15) een wijziging van recht is en de geloofwaardig geachte bekering tot het christendom, het aanhangige wetsontwerp en de verslechterde situatie voor bekeerlingen in Iran nieuwe feiten betreffen.

2.4 De rechtbank zal nu eerst beoordelen of WBV 2007/15 voor eiser een relevante wijziging van recht behelst. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

In WBV 2007/15 is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Ten aanzien van Iraanse vreemdelingen die in Nederland zijn bekeerd tot het christendom is hoofdstuk C2/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 van toepassing. Voor hen geldt voorts dat zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking kunnen komen voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wanneer zij aannemelijk maken dat zij bekeerd zijn en dat zij al problemen hebben ondervonden om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging, die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel te verlenen.”

In paragraaf C2/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals die paragraaf ten tijde hier van belang luidde, is - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

“Indien de politieke overtuiging pas wordt verkondigd na vertrek uit het land van herkomst, dient de asielzoeker aannemelijk te maken dat de overtuiging reeds bestond in het land van herkomst, dat de autoriteiten in het land van herkomst van deze overtuiging op de hoogte zijn of kunnen geraken en dat het bekend zijn van deze overtuiging een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag oplevert.”

Bij eerdergenoemde uitspraak van de rechtbank van 13 oktober 2005 is geoordeeld dat eiser door zijn bekering tot het christendom in Nederland niet kan worden aangemerkt als vluchteling (refugié sur place), omdat hij niet heeft voldaan aan het continuïteitsvereiste. Dit is in rechte komen vast te staan. Ook WBV 2007/15 stelt, anders dan eiser meent, dit zogenaamde continuïteitsvereiste en is daarom in zoverre voor eiser geen relevante wijziging van recht.

Bij eerdergenoemde uitspraak van de rechtbank van 7 april 2005 is geoordeeld dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat eisers verklaringen omtrent hetgeen hem in Iran is overkomen ongeloofwaardig zijn. Dit is in rechte komen vast te staan. Gelet hierop is niet aannemelijk dat eiser in Iran al problemen heeft ondervonden om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging. Daarom is WBV 2007/15 voor eiser ook in zoverre geen relevante wijziging van recht.

2.5 De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling, als ware het een eerste afwijzing, rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en neemt daarbij het volgende in aanmerking.

In de vorige asielprocedure is eisers bekering tot het christendom en de positie van christenen in Iran al beoordeeld. Ook toen was in Iran al sprake van een afgenomen tolerantie jegens actieve christenen en liepen actieve bekeerders (christenen die zelf moslims bekeren) meer risico op repressie, intimidatie en arrestatie. Uit de door eiser ingebrachte krantenartikelen en rapportages blijkt niet van een wezenlijk veranderde situatie ten aanzien van christenen in Iran. Daarbij is van belang dat eiser een bekeerling maar geen verkondiger van het christendom is.

Voorts is het Iraanse wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, waarbij terdoodveroordeling voor afvalligheid en godslastering mogelijk wordt, geen ‘novum’. Weliswaar dateert dit wetsontwerp van na het eerdere besluit, maar aangezien gesteld noch gebleken is dat het wetsontwerp inmiddels tot wet is verheven en de inwerkingtreding ervan niet vaststaat, is op voorhand uitgesloten dat dit wetsontwerp aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.6 Nu van nieuwe feiten of omstandigheden in voormelde zin geen sprake is, is voor een verdere rechterlijke toetsing van verweerders besluit van 9 juli 2008 geen plaats, ook al heeft verweerder eisers aanvraag inhoudelijk beoordeeld en vervolgens afgewezen. De rechtbank betrekt daarbij nog dat evenmin is gebleken van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in voormeld arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998.

2.7 Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Hetgeen verder nog is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E.H.T. Rademaker en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.