Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2172

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-04-2009
Datum publicatie
27-04-2009
Zaaknummer
AWB 07/44436, 08/3000 en 08/29427
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BK6021, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / categoriaal beschermingsbeleid / kenbare motivering

Hoewel de bewoordingen van de genoemde WBV’s doen suggereren dat een afweging is gemaakt tussen de verschillende indicatoren, maar dat vanwege de hoge mate van homogeniteit van de informatie over het beleid van de andere landen, het beleid van omringende landen doorslaggevend is, is de rechtbank van oordeel dat een kenbare motivering ten aanzien van de afweging van de verschillende indicatoren ontbreekt. In dit verband acht de rechtbank van belang dat verweerder desgevraagd ter zitting geen antwoord heeft kunnen geven op de vraag of de steeds maar verslechterende situatie in Afghanistan en de aard van het geweld, zoals genoemd in de eerste indicator in artikel 3.106, Vb 2000, op zich aanleiding zouden kunnen zijn om tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Afghanistan over te gaan. Hoewel verweerder doorslaggevende betekenis aan de afstemming van zijn beleid met het in de omringende landen van de Europese Unie gevoerde beleid mag toekennen, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder zonder kenbare motivering aan het gewicht van de andere indicatoren zonder meer voorbij mag gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Assen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Meervoudige kamer

Zaaksnummer: Awb 07/44436, Awb 08/3000 en Awb 08/29427

Uitspraak van de rechtbank van 23 april 2009

inzake:

[eiser],

geboren op [1961],

geboren 1961,

2. [eiseres], geboren 1971,

mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen:

[..], geboren [1991],

[..], geboren [1992],

[..], geboren [1999],

[..], geboren [2001],

allen van Afghaanse nationaliteit,

IND-dossiernummers:[..],

V-nummers: [..],

eisers,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mw mr. C.H.H.P.M. Kelderman, ambtenaar bij de IND.

Procesverloop

Op 30 mei 2001 hebben eisers een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij besluit van 3 oktober 2001 is aan eisers een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 verleend met ingang van 30 mei 2001 en geldig tot 30 mei 2004.

Aan [..] is na zijn geboorte een verblijfsvergunning voor verblijf bij ouders verleend.

Op 3 mei 2004 hebben eisers aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 33 Vw 2000. Bij afzonderlijke beschikkingen van 26 oktober 2007, verzonden op 30 oktober 2007, heeft verweerder deze aanvragen afgewezen.

Bij beroepschrift van 26 november 2007 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikkingen. Deze beroepen staan bekend onder de nummers Awb 07/44436 en Awb 08/3000.

Bij besluit van 23 november 2007, verzonden op 26 november 2007, heeft verweerder de verblijfsvergunning van [..] voor verblijf bij ouders ingetrokken. Het namens eiser op 20 december 2007 ingediende beroep, bekend onder Awb nummer 07/47442, is op 14 maart 2008 als bezwaar naar verweerder doorgezonden. Bij besluit van 17 juli 2008 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft bij beroepschrift van 14 augustus 2008 beroep ingesteld tegen voornoemd besluit. Dit beroep staat bekend onder nummer Awb 08/29427. Ook is door eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Deze staat bekend onder Awb nummer 08/29428.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eisers gezonden en hen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft op 14 maart 2008 een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting van 27 maart 2008.

Bij schrijven van 7 juli 2008 heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 Awb heropend.

Op 1 oktober 2008 en 19 januari 2009 hebben eisers aanvullende informatie aan de rechtbank doen toekomen. Verweerder heeft daar een afschrift van ontvangen.

Openbare behandeling van de beroepen Awb 07/44436 en 08/3000 door een meervoudige kamer heeft plaatsgevonden ter zitting van 2 februari 2009 Eisers zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Motivering

Standpunt partijen

Verweerder heeft de aanvragen tot het verlenen van verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 34 juncto artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000. Verweerder heeft het categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers van Afghaanse nationaliteit op 9 september 2002 beëindigd, omdat uit het ambtsbericht van 19 augustus 2002 is gebleken dat de veiligheidssituatie in Afghanistan in het algemeen is verbeterd. Met de afschaffing van het beschermingsbeleid, hetwelk door de Tweede Kamer is goedgekeurd, is de grond waarop aan eisers een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, vervallen. Verweerder neemt het standpunt in dat, ondanks een verslechtering van de algehele situatie in Afghanistan, er nog steeds geen grond is voor het voeren van een beleid van categoriale bescherming.

Voorts bestonden er volgens verweerder ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning asiel op de zogenaamde d-grond van artikel 29 Vw 2000, geen andere, in dat artikel genoemde gronden om aan eisers een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Evenmin zijn er volgens verweerder redenen om aan te nemen dat eisers ten tijde van de bestreden besluiten wel in aanmerking komen voor een asielgerelateerde verblijfsvergunning.

Eisers hebben het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden.

Toetsingskader

Op grond van artikel 34 Vw 2000 kan de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden afgewezen, indien op het moment dat de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verloopt zich een grond als bedoeld in artikel 32 Vw 2000 voordoet.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29 Vw 2000, is komen te vervallen.

Artikel 44, derde lid, Vw 2000 bepaalt dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 Vw 2000 wordt verleend met ingang van de datum waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 afloopt.

Verweerder hanteert het beleid dat artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 niet wordt tegengeworpen als ten tijde van de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zich opnieuw een grond voor verlening voordoet. Dit ziet zowel op het moment dat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verstrijkt, als op het moment van de beoordeling (de zogenaamde dubbele ex-nunc beoordeling). Voorts wordt beoordeeld of er ten tijde van het verlenen van de asielvergunning voor bepaalde tijd zich een grond voor verlening voordoet op één van de andere gronden van artikel 29, eerste lid, Vw 2000. Doet één van deze omstandigheden zich voor, dan wordt de vergunning niet ingetrokken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat aan eisers een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 is verleend met een geldigheidsduur tot 30 mei 2004. Tussen partijen is niet in geschil, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), dat op die datum de grond van verlening van de verblijfsvergunning is komen te vervallen.

Gelet op voornoemd toetsingskader dient de rechtbank allereerst te beoordelen of ten tijde van de vergunningverlening sprake was van een grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op één van de andere gronden van artikel 29, eerste lid, Vw 2000.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het vermoeden tot vrees die eisers ontlenen aan de afpersingspraktijken van de Taliban alsmede aan hun etnische afkomst en hun religie, niet of onvoldoende reëel wordt geacht. Verweerder gaat weliswaar uit van de juistheid van de gestelde feiten (de afpersing en mishandeling door de Taliban gedurende 1998 tot 2000), maar heeft in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat deze afpersing niet was ingegeven door het behoren tot de bevolkingsgroep van de Hazara’s. Verweerder heeft, mede onder verwijzing naar het ambtsbericht inzake Afghanistan van 16 september 1999, in redelijkheid uit de vastgestelde feiten kunnen afleiden dat, nu eiser zich verder niet oppositioneel jegens de Taliban had gedragen, de afpersing niet als een daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag kan worden begrepen.

Evenmin blijkt dit uit het feit dat het gebied waaruit eisers afkomstig zijn omstreeks december 2000 en januari 2001 door de Wahdat-partij is veroverd en nadien heroverd door de Taliban. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze strijd tussen de Wahdat-partij en de Taliban nog niet dat eisers daarmee aannemelijk hebben gemaakt dat zij persoonlijk gegronde vrees voor vervolging hebben in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Dat de Taliban het na de herovering hebben gemunt op leden van de Hazara bevolkingsgroep, maakt niet dat verweerder niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het vertrek van eisers uit Afghanistan was gelegen in de plaatselijke oorlogssituatie van dat moment en niet was ingegeven door een vrees voor vervolging.

Hoewel eisers tot de minderheidsgroep van de Hazara’s behoren, heeft verweerder gelet op het asielrelaas van eisers kunnen oordelen dat geen sprake is van een geringe indicatie van problemen, voldoende om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, op grond van artikel 29, eerste lid onder a of b, Vw 2000 te verlenen.

Evenmin hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat zij, omdat ze afkomstig zijn uit het dorp Char Borja (wijk Sultan Ahmad) in de provincie Bamiyan, behoren tot een kwetsbare minderheidsgroep en daaraan aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen. De enkele verklaring van eisers ter zitting dat zij afkomstig zijn uit een gebied waar zij tot de minderheid behoren, is daartoe onvoldoende.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst, dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van eisers kan worden verlangd dat zij terugkeren naar het land van herkomst. De door eisers genoemde gebeurtenissen vallen niet onder de limitatieve opsomming als genoemd in paragraaf C2/4.2 van de Vc 2000, waarin het traumatabeleid is vastgelegd. Daarnaast is van belang dat eisers naar eigen zeggen hun land van herkomst hebben verlaten uit voorzorg, zodat de gedurende 1998 tot 2000 opgedane ervaringen c.q. de herbeleving daarvan ook niet de aanleiding voor eisers zijn geweest voor hun vertrek uit Afghanistan. Evenmin is gebleken van bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard die tot de conclusie leiden dat in redelijkheid niet van eisers kan worden verlangd terug te keren naar het land van herkomst.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder heeft kunnen concluderen dat eisers ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning op de d-grond van artikel 29, Vw 2000, niet in aanmerking kwamen voor een verblijfsvergunning op grond van één van de andere in artikel 29 Vw 2000 genoemde gronden. Dit geld evenzeer voor het moment van verstrijken van de geldigheidsduur van de verleende vergunning.

Gelet op voornoemd toetsingkader ziet de rechtbank zich nu gesteld voor de vraag of eisers op het moment van het nemen van de bestreden besluiten op 26 oktober 2007 aanspraak maakten op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000.

Verweerder stelt zich in dit verband op het standpunt dat uit het ambtsbericht Afghanistan van januari 2007 blijkt dat de Hazara bevolking, meer dan in het verleden, is vertegenwoordigd in overheidsfuncties en dat de provincie Bamiyan een duidelijke Hazara meerderheid kent. De rechtbank overweegt in dit verband dat, hoewel uit de ambtsberichten volgt dat de Taliban aanwezig zijn in Centraal Afghanistan, uit voornoemd ambtsbericht, maar ook uit het ambtsbericht van augustus 2007, blijkt dat de Taliban met name in Ghazni en Daikaundi voor problemen hebben gezorgd. Derhalve is niet aannemelijk dat de Taliban in de provincie Bamiyan de dienst uitmaken en kan evenmin worden gezegd dat eisers vanwege het behoren tot de Hazara’s als leden van een kwetsbare minderheidsgroep in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw 2000. De rechtbank verwijst hierbij mede naar de uitspraak van de Afdeling van 27 november 2007 (LJN: BB9988).

Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het niet aannemelijk dat eisers gegronde redenen hebben om aan te nemen dat zij bij uitzetting een reëel risico lopen om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, als bedoeld in artikel 3 EVRM.

Tot slot ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of eisers op het moment van het nemen van de bestreden besluiten op 26 oktober 2007 aanspraak maakten op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000.

In artikel 3.106 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) staat het volgende. De indicatoren die in ieder geval zullen worden betrokken in de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder d, van de Wet zijn:

a. de aard van het geweld in het land van herkomst, met name de ernst van de schendingen van de mensenrechten en het oorlogsrecht, de mate van willekeur, de mate waarin het geweld voorkomt en de mate van geografische spreiding van het geweld;

b. de activiteiten van internationale organisaties ten aanzien van het land van herkomst indien en voorzover deze een graadmeter vormen voor de positie van de internationale gemeenschap ten aanzien van de situatie in het land van herkomst, en

c. het beleid in andere landen van de Europese Unie.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling moet de vraag of een asielzoeker voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 in aanmerking komt, worden beantwoord aan de hand van een beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst. Ter zake daarvan komt de staatssecretaris een ruime beoordelingsmarge toe, waarvan de aanwending toetsing in rechte slechts dan niet kan doorstaan, indien geoordeeld moet worden dat het besluit niet strookt met wettelijke voorschriften, dan wel dat de staatssecretaris bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Het is de taak van de rechter de beoordeling door de staatssecretaris van de algehele situatie van het land van herkomst, die veelal tot stand pleegt te komen in overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan die maatstaf te toetsen, niet om een eigen oordeel omtrent de algehele - en veiligheidssituatie in dat land in de plaats van dat van de staatssecretaris te stellen. De rechter dient het oordeel van de minister daarover in beginsel te respecteren. Bij de beoordeling van de vraag, of een beleid van categoriale bescherming is geïndiceerd, beziet de staatssecretaris of wordt voldaan aan de indicatoren, neergelegd in artikel 3.106 Vb 2000 en de notitie over het beleid van categoriale bescherming van 23 mei 2001 (Kamerstukken II 2000/01, 19 637, nr. 588), in het bijzonder de mate van geweld en geografische spreiding ervan.

Verweerder heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat, gelet op het ambtsbericht inzake Afghanistan van 7 januari 2007 (het ambtsbericht beslaat de periode van februari 2006 tot oktober 2006), weliswaar sprake is van een verslechterde situatie in Afghanistan, maar dat dat geen reden is tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Afghanistan. In het beleid, zoals neergelegd in WBV 2007/7 van 25 mei 2007, staat dat hiervoor doorslaggevend is dat in de ons omringende landen geen sprake is van een bijzonder beleid ten aanzien van Afghaanse asielzoekers. Alleen België kent een bijzonder beleid voor Afghanen uit het zuiden van Afghanistan. Gezien de hoge mate van homogeniteit van de informatie over het beleid van de andere landen, wordt hieraan meer gewicht toegekend dan aan het gegeven uit het ambtsbericht dat de situatie in Afghanistan is verslechterd. De basis voor deze weging is neergelegd in C2/5.2.1 Vc 2000.

Eisers stellen in de gronden van beroep dat de situatie in Afghanistan is verslechterd en zij wijzen in dit verband naar een rapportage van Amnesty International van 22 juni 2007 en naar nog een algemeen rapport van Amnesty International over het jaar 2007.

In het verweerschrift van 13 maart 2008 verwijst verweerder naar WBV 2007/33 van 7 november 2007 en het algemene ambtsbericht van augustus 2007 dat in februari 2008 is vrijgegeven.

In aanvullende gronden van beroep van 19 januari 2009 wijzen eisers naar een rapportage van Human Rights Watch van 2009 waaruit zou blijken dat de situatie verder is verslechterd. Eisers wijzen voorts naar WBV 2008/25 van 27 oktober 2008, dat is gebaseerd op het ambtsbericht van augustus 2007. Dit ambtsbericht beslaat de periode van november 2006 tot augustus 2007. In het beleid staat dat, hoewel het ambtsbericht aangeeft dat de situatie in Afghanistan is verslechterd, er geen aanleiding wordt gezien om een beleid van categoriale bescherming in te stellen. Hiervoor is opnieuw het beleid van de ons omringende landen doorslaggevend.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Naar aanleiding van het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt dat WBV 2008/25 dateert van na de bestreden besluiten en derhalve niet kan worden meegenomen bij de beoordeling van de onderhavige beroepen, overweegt de rechtbank dat het aan het beleid ten grondslag liggende ambtsbericht van augustus 2007 wel met toepassing van artikel 83 Vw 2000 kan worden betrokken bij de beoordeling van de onderhavige beroepen, te meer nu verweerder in voornoemd verweerschrift heeft verwezen naar dit algemene ambtsbericht. In dit ambtsbericht is overigens het door eisers genoemde rapport van Amnesty International van 2007 betrokken.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de situatie in Afghanistan telkens is verslechterd. In die zin staat niet ter beoordeling de vraag of hetgeen eisers hebben aangevoerd reden is om aan de juistheid en of volledigheid van het ambtsbericht te twijfelen op grond waarvan het al dan niet voeren van een categoriaal beschermingsbeleid (doorgaans) wordt beoordeeld. Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder een juiste afweging heeft gemaakt tussen de indicatoren zoals genoemd in artikel 3.106 Vb 2000.

Hoewel de situatie in Afghanistan is verslechterd, wordt blijkens het beleid zoals neergelegd in WBV 2007/7, geen categoriaal beschermingsbeleid gevoerd ten aanzien van Afghanistan, omdat de ons omringende landen ook geen bijzonder beleid hebben ten aanzien van Afghaanse asielzoekers en, gelet op de hoge mate van homogeniteit van de informatie over het beleid van de andere landen, meer gewicht aan het beleid van andere landen wordt toegekend. In WBV 2007/33 wordt ten aanzien van het niet voeren van een categoriaal beschermingsbeleid dezelfde afweging gemaakt.

In voornoemd beleid, zowel weergegeven in WBV 2007/7 als in WBV 2007/33, zijn de overige in artikel 3.106 Vb 2000 genoemde indicatoren niet, althans niet kenbaar, betrokken bij de vraag of het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid geïndiceerd is of niet. Hoewel de bewoordingen van de genoemde WBV’s doen suggereren dat een afweging is gemaakt tussen de verschillende indicatoren, maar dat vanwege de hoge mate van homogeniteit van de informatie over het beleid van de andere landen, het beleid van omringende landen doorslaggevend is, is de rechtbank van oordeel dat een kenbare motivering ten aanzien van de afweging van de verschillende indicatoren ontbreekt. In dit verband acht de rechtbank van belang dat verweerder desgevraagd ter zitting geen antwoord heeft kunnen geven op de vraag of de steeds maar verslechterende situatie in Afghanistan en de aard van het geweld, zoals genoemd in de eerste indicator in artikel 3.106, Vb 2000, op zich aanleiding zouden kunnen zijn om tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Afghanistan over te gaan. Hoewel verweerder doorslaggevende betekenis aan de afstemming van zijn beleid met het in de omringende landen van de Europese Unie gevoerde beleid mag toekennen, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder zonder kenbare motivering aan het gewicht van de andere indicatoren zonder meer voorbij mag gaan. In zoverre zijn de besluiten naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig tot stand gekomen en ontberen de besluiten een kenbare motivering ten aanzien van de af te wegen belangen. Steun voor deze overwegingen vindt de rechtbank in de uitspraken van de Afdeling van 4 december 2007 (JV 2008/71) en van 22 november 2006 (LJN: AZ3641).

Het vorengaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de beroepen gegrond zijn en dat de bestreden besluiten wegens strijd met de artikelen 3:2, 3:4 eerste lid en 3:46 Awb, voor vernietiging in aanmerking komen.

Het voorgaande brengt mee dat het beroep bekend onder nummer Awb 08/29427 eveneens een deugdelijke motivering ontbeert.

De beroepen zijn, gelet op het voorgaande, gegrond. Het beroep bekend onder nummer Awb 08/29427 wordt met toepassing van artikel 8:54 Awb gegrond verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

-draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de aanvraag met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966,00 onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, voorzitter, mr. J.L. Boxum en mr. E. Läkamp, leden, bijgestaan door mr. M. Buikema als griffier.

In het openbaar uitgesproken op 23 april 2009

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. In gevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Tegen de uitspraak inzake het beroep bekend onder nummer Awb 08/29427 kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Afschrift verzonden: