Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2169

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-04-2009
Datum publicatie
27-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/22001, 08/22003
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BJ8743, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 4:6 Awb en artikel 15c Definitierichtlijn / geen wijziging van recht

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat niet is gebleken dat sinds de besluiten van 9 februari 2007 tot afwijzing van de eerdere asielaanvragen het relevante recht is gewijzigd. In het bijzonder vormt het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, geen nieuw recht sinds de afwijzing van de vorige asielaanvragen. De implementatietermijn van de richtlijn was immers reeds geëindigd vóór de eerdere besluiten van 9 februari 2007. Ook ten tijde van die eerdere besluiten had het bepaalde in artikel 15c van de richtlijn derhalve reeds rechtstreekse werking. Nu de datum waarop de eerdere besluiten zijn genomen bepalend is voor de vraag of sprake is van nieuw recht, kan de omstandigheid dat de implementatietermijn van de richtlijn ten tijde van de eerdere asielaanvragen nog niet was verstreken niet tot een ander oordeel leiden. Ook de omstandigheid dat in de (procedure over) de eerdere besluiten van 9 februari 2007 artikel 15c van de richtlijn niet aan de orde is geweest maakt niet, dat er sprake is van nieuw recht sinds die eerdere besluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Assen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Meervoudige kamer

Zaaksnummer: Awb 08/22001 en Awb 08/22003

Uitspraak van de rechtbank van 23 april 2009

inzake:

[eiser],

geboren op 1973,

van Afghaanse nationaliteit,

eiser,

[eiseres],

geboren op 1973,

eiseres,

alsmede hun minderjarige kinderen,

[..], geboren op 1994,

[..], geboren op 1996,

[..], geboren op 2003,

[..], geboren op 2005,

van Afghaanse nationaliteit,

IND dossiernummer: [..],

V-nummers: [..],

eisers,

gemachtigde: mr. A.J. de Boer, advocaat te Sneek,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mw mr. C.H.H.P.M. Kelderman, ambtenaar bij de IND.

Procesverloop

Op 12 juni 2008 hebben eisers aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Bij afzonderlijke besluiten van 18 juni 2008 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd.

Op 18 juni 2008 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze besluiten. Eisers is meegedeeld dat zij de behandeling van de beroepschriften niet in Nederland mogen afwachten. Bij verzoekschrift van 18 juni 2008 hebben eisers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen totdat op de beroepen wordt beslist. Bij uitspraak van 11 juli 2008 heeft de voorzieningenrechter voornoemd verzoek toegewezen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank en eisers gezonden. Op 12 december 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Bij schrijven 16 januari 2009 hebben eisers aanvullende stukken aan de rechtbank doen toekomen. Een afschrift hiervan is naar verweerder gezonden. Verweerder heeft bij schrijven van 20 januari 2009 op voorgaand schrijven gereageerd.

Openbare behandeling van de beroepen heeft door een meervoudige kamer plaatsgevonden op 2 februari 2009. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Motivering

De rechtbank stelt vast dat eisers op 2 juni 2001 voor de eerste maal aanvragen om een verblijfsvergunning asiel hebben gedaan. Bij besluiten van 13 december 2002 heeft verweerder deze aanvragen afgewezen. Bij uitspraak van 5 april 2004 van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, zijn de beroepen tegen de afwijzingen van de aanvragen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 juli 2004 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) voornoemde uitspraak bevestigd.

Eisers hebben op 4 september 2006 opnieuw aanvragen om een verblijfsvergunning asiel gedaan. Bij besluiten van 9 februari 2007 heeft verweerder deze aanvragen afgewezen. Bij uitspraak van 22 januari 2008 van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, zijn de beroepen tegen de besluiten van 9 februari 2007 ongegrond verklaard. Op 26 juni 2008 heeft de Afdeling deze uitspraak bevestigd.

Eisers hebben op 12 juni 2008 opnieuw aanvragen ingediend. Zij beroepen zich op artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004, inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven en de inhoud van de verleende bescherming de Richtlijn 2004/83/EG (hierna: de richtlijn) van de Raad van de Europese Unie. Volgens eisers is sprake van een relevante wijziging van recht, omdat uit het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van augustus 2007 blijkt dat sprake is van willekeurig geweld in het kader van een binnenlands gewapend conflict. Voorts hebben eisers bij de nieuwe aanvraag een brief van de Raad van Geleerden van 16 maart 2008 overgelegd. Verder stellen zij dat de medische en sociale omstandigheden van [...], die doof is, aanleiding geeft om een herhaalde aanvraag in te dienen. Eisers leggen in dit verband een brief over van Effatha Guyot Onderwijs van 28 mei 2008. In deze brief wordt, samengevat, gesteld dat [..] toen hij ongeveer 2,5 jaar oud was doof is geworden. Het dovenonderwijs en de dovencultuur in Nederland zijn voor hem heel belangrijk geworden. Communiceren middels de Nederlandse gebarentaal stimuleert zowel zijn cognitieve als sociaal-emotionele ontwikkeling. [...] en zijn ouders kunnen niet zonder professionele begeleiding en specialistisch dovenonderwijs. Terugkeer naar Afghanistan zal voor Maisam betekenen dat hij in een totaal isolement komt te verkeren.

Verweerder heeft de aanvragen afgewezen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikkingen.

Beoordeling

De thans bestreden besluiten (tot afwijzing van de asielaanvragen) hebben een strekking die gelijk is aan eerdere besluiten waarbij asielaanvragen van eisers zijn afgewezen.

Volgens vaste jurisprudentie moet de rechter in zo’n geval, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling, direct treden in de vraag of aan de nieuwe aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Dit vereiste geldt blijkens vaste jurisprudentie niet, indien sinds de vorige besluiten tot afwijzing van de eerdere asielaanvragen het relevante recht is gewijzigd.

De rechtbank stelt vast dat eisers bij de herhaalde aanvragen hebben gewezen op de verslechterde situatie in Afghanistan ter onderbouwing van hun beroep op artikel 15c van de richtlijn. Voor zover eisers in dit verband nieuwe feiten of veranderde omstandigheden hebben willen aanvoeren, beperkt de rechtbank zich – conform eisers aanvragen, tot de vraag of sprake is van een voor eisers relevante wijziging van het recht.

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat niet is gebleken dat sinds de besluiten van 9 februari 2007 tot afwijzing van de eerdere asielaanvragen het relevante recht is gewijzigd. In het bijzonder vormt het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, geen nieuw recht sinds de afwijzing van de vorige asielaanvragen. De implementatietermijn van de richtlijn was immers reeds geëindigd vóór de eerdere besluiten van 9 februari 2007. Ook ten tijde van die eerdere besluiten had het bepaalde in artikel 15c van de richtlijn derhalve reeds rechtstreekse werking. Nu de datum waarop de eerdere besluiten zijn genomen bepalend is voor de vraag of sprake is van nieuw recht, kan de omstandigheid dat de implementatietermijn van de richtlijn ten tijde van de eerdere asielaanvragen nog niet was verstreken niet tot een ander oordeel leiden. Ook de omstandigheid dat in de (procedure over) de eerdere besluiten van 9 februari 2007 artikel 15c van de richtlijn niet aan de orde is geweest maakt niet, dat er sprake is van nieuw recht sinds die eerdere besluiten.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat eisers geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aan de aanvragen van 12 juni 2008 ten grondslag hebben gelegd, die ertoe kunnen leiden dat de rechtbank tot toetsing van de thans bestreden besluiten over kan gaan.

Ten aanzien van voornoemde brief van de Raad van Geleerden oordeelt de rechtbank dat, hoewel de brief is gedateerd op 16 maart 2008 en derhalve nieuw is in die zin dat de brief van na de eerdere besluitvorming is, geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 Awb. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals de Afdeling herhaaldelijk heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 25 september 2003, JV 2003/504, vormt een door de desbetreffende vreemdeling overgelegd document geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, indien de authenticiteit daarvan niet kan worden vastgesteld. Als (…) niet reeds in de bestuurlijke fase is komen vast te staan dat sprake is van een authentiek document, is het aan de vreemdeling dit in beroep eventueel alsnog aan te tonen.

De Koninklijke Marechaussee, afdeling falsificaten en gespecialiseerd in documentenonderzoek, heeft ten aanzien van de brief van de Raad van Geleerden op 16 juni 2008 in een rapportage vastgesteld dat de authenticiteit van de brief niet kan worden vastgesteld wegens het ontbreken van referentiemateriaal.

Verweerder heeft zich ten aanzien van de brief van de Raad van Geleerden op het standpunt gesteld dat uit voornoemde rapportage van de Koninklijke Marechaussee blijkt dat de authenticiteit van voornoemde brief niet kan worden vastgesteld. Voorts stelt verweerder dat niet kan worden vastgesteld of de brief afkomstig is van een objectief verifieerbare bron, dat eiser vage verklaringen heeft afgelegd omtrent het verkrijgen van het document en dat niet duidelijk is hoe de in de brief vermelde informatie tot stand is gekomen.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de authenticiteit van de brief van de Raad van Geleerden in de bestuurlijke fase niet is komen vast te staan, het aan eisers is dit in beroep eventueel alsnog aan te tonen. De enkele omstandigheid dat op de originele brief stempels en vingerafdrukken zijn geplaatst, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat daarmee de authenticiteit is komen vast te staan. Nu eiser voorts heeft verklaard dat hij niet weet hoe een dienstmaat van hem, op verzoek van eiser, de brief van de Raad van Geleerden heeft geregeld, is de rechtbank van oordeel dat, nu de authenticiteit van voornoemde brief niet kan worden vastgesteld, de brief geen nieuw feit is in de zin van artikel 4:6 Awb.

Voor zover eisers een beroep doen op artikel 3 EVRM oordeelt de rechtbank als volgt.

Ten aanzien van voornoemde door eisers ingediende brief van Effatha Guyot Onderwijs van 28 mei 2008 over de medische en sociale situatie van [..], stelt de rechtbank vast dat deze brief na de vorige procedure(s) tot stand is gekomen. In die zin is de brief nieuw ten opzichte van de vorige procedure(s). Desalniettemin is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, omdat op voorhand uitgesloten is dat de door eisers overgelegde brief kan afdoen aan de eerdere besluiten en de overwegingen waarop die rusten.

In dit verband wijst de rechtbank naar vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) (uitspraak van 2 mei 1997 in de zaak St. Kitts, RV 1997, 70 en van 6 februari 2001 in de zaak Bensaid, JV, 2001/103 waaruit blijkt, samengevat, dat uitzetting in verband met de medische toestand kan leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM, in het geval de vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit voornoemde brief niet dat [..] lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. Een beroep op artikel 3 EVRM treft naar het oordeel van de rechtbank derhalve geen doel.

Voor zover eisers met de brief van Effatha Guyot Onderwijs een beroep beogen te doen op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000, oordeelt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

De rechtbank stelt vast dat uit de brief niet is gebleken, dat de in de brief genoemde klemmende redenen van humanitaire aard verband houden met de redenen van het vertrek uit het land van herkomst van eisers. In die zin kan de inhoud van de brief geen nieuw feit of veranderde omstandigheid in het kader van een asielprocedure vormen die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigt.

De rechtbank stelt voorts vast dat eisers bij schrijven van 16 januari 2009 aanvullende stukken aan de rechtbank hebben doen toekomen, waaronder een orthopedagogische rapportage van 6 november 2008 van dr. mr. M.E. Kalverboer en mevr. Ten Brummelaar. Deze rapportage is echter niet aan de herhaalde aanvragen ten grondslag gelegd, en ook niet in de besluitvormingsfase overgelegd. Dit betekent dat deze stukken naar het oordeel van de rechtbank niet bij de beoordeling in beroep inzake de afwijzing van de onderhavige herhaalde asielaanvragen kunnen worden betrokken.

Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin gebleken van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland; JV 1998/45).

De beroepen zijn derhalve ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Boxum, voorzitter, mrs. K. Wentholt en E. Läkamp, leden, bijgestaan door mr. M. Buikema als griffier.

In het openbaar uitgesproken op 23 april 2009.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”,postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: