Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2065

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
23-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/14417, 08/14418
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Nadere onderbouwing van het in het beroepschrift ingenomen standpunt

Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van 2 juni 2008 van de Hogeschool van Amsterdam, overgelegd op 4 juni 2008, moet worden aangemerkt als een nadere onderbouwing van het in het beroepschrift ingenomen standpunt dat eiser zijn studie aan de Hogeschool van Amsterdam binnen de maximale verblijfsduur zal kunnen voltooien. Dat eiser dit standpunt in de bezwaarfase niet heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Noch uit de wet, in het bijzonder artikel 6:13 van de Awb, noch uit enig rechtsbeginsel vloeit voort dat gronden die niet in bezwaar zijn aangevoerd, vanwege die enkele omstandigheid buiten de inhoudelijke beoordeling van het beroep zouden moeten blijven ( vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 februari 2008, LJN: BC6036).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

voorzieningenrechter

Uitspraak

artikel 8:70 en 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 08/14417 (beroep) en AWB 08/14418 (voorlopige voorziening)

V-nr: *

inzake:

eiser / verzoeker [naam] , geboren [geboortedatum] in 1982, van Nepalese nationaliteit, wonende te Leiden,

gemachtigde: mr. I.M. Borggreve, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. T.J.W. Visser, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 4 september 2007 heeft eiser een aanvraag ingediend tot wijziging van de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning onder de beperking “studie Business Administration in International Management aan de European University te Den Haag” in de beperking “studie IBMS aan HBO te Amsterdam”. Bij besluit van 27 december 2007 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het op 22 januari 2008 gemaakte bezwaar is bij besluit van 26 maart 2008 ongegrond verklaard. Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat eiser na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat eiser Nederland uit eigen beweging binnen vier weken moet verlaten. Bij beroepschrift van 18 april 2008 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep schort de rechtsgevolgen van het besluit niet op. Bij brief van 18 april 2008 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig I. Touber, tolk in Engelse taal.

3. De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. Bij beschikking van 19 augustus 2005 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “studie International Business aan de Dutch Delta University te Deventer”. Deze verblijfsvergunning is verleend met ingang van 9 mei 2005, met een geldigheidsduur tot 1 februari 2006.

2. Bij beschikking van 11 mei 2006 is voornoemde verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 3 oktober 2005 en is de aanvraag tot het wijzigen van de beperking van de verleende verblijfsvergunning in de beperking “studie Business Administration in International Management aan de European University te Den Haag” afgewezen. Bij beschikking van 30 november 2006 op het door eiser ingediende bezwaar is eiser alsnog in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking “studie Business Administration in International Management aan de European University te Den Haag”. Deze verblijfsvergunning is verleend met ingang van 10 januari 2006, met een geldigheidsduur tot 3 oktober 2007.

III. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning en voert hiertoe – zakelijk weergegeven – het volgende aan.

Eiser is van 9 mei 2005 tot 3 oktober 2005 en van 10 januari 2006 tot 3 oktober 2007 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning verband houdend met studie, in totaal twee jaar, één maand en 17 dagen.

Uit het bij de aanvraag overgelegde bewijs van inschrijving blijkt dat de duur van de studie die eiser thans beoogt te volgen vier jaar bedraagt. De maximale verblijfsduur in verband met studie bedraagt zes jaar. Nu hierop de bovengenoemde periode in mindering wordt gebracht, resteert een verblijfsduur van minder dan vier jaar, hetgeen ontoereikend is gebleken om de beoogde studie te voltooien. De gevolgen van de keuze voor een onderwijsinstelling en opleiding dienen voor rekening en risico van eiser te komen. Immers, het ligt op de weg van eiser om zich terdege te laten informeren over de kwaliteit van onderwijsinstellingen en opleidingen alvorens zich als student aan te melden. Het ondertekenen van een schriftelijke verklaring van tijdelijk verblijf kan er niet toe leiden dat voorbij wordt gegaan aan hetgeen in hoofdstuk B6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) nader is bepaald omtrent tijdelijk verblijf en studielast. Dat eiser zijn best doet om in Nederland zijn studie af te ronden en dat een Nederlands diploma hem in staat zou stellen een zaak op te starten in het land van herkomst en zodoende banen te creëren voor werkloze landgenoten, is niet een zodanig bijzonder feit dat een beslissing overeenkomstig bedoelde beleidsregels in dit geval zou leiden tot nadelige of voordelige gevolgen voor één of meer belanghebbenden, die onevenredig zouden zijn met de door de beleidsregels te dienen doelen. Evenmin is gebleken dat strikte naleving van vorenvermelde beleidsregels, gelet op de strekking ervan en de onderliggende wettelijke regeling, in dit geval niet nodig is en bovendien een onevenredig nadeel op zou leveren voor één of meer belanghebbenden. Het bezwaar is kennelijk ongegrond. In verband hiermee is op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb afgezien van het horen van eiser.

1.2. Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt nader toegelicht. Pas in beroep heeft eiser een verklaring overgelegd dat hij zijn studie wel af kan ronden binnen de maximale verblijfsduur. De verklaring is bij faxbericht van 4 juni 2008 overgelegd en kan gezien de ex-tunc toetsing in beroep niet worden meegenomen. Nu deze verklaring niet was overgelegd ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar, bestond geen aanleiding om eiser te horen. Wanneer de op 4 juni 2008 overgelegde verklaring eerder zou zijn overgelegd, dan was de aanvraag van eiser waarschijnlijk ingewilligd.

2.1. Eiser heeft – zakelijk weergegeven – de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Het bestreden besluit geeft niet duidelijk weer of het nu ongegrond of kennelijk ongegrond is verklaard. Van het horen mag slechts worden afgezien wanneer uit het bezwaarschrift reeds aanstonds blijkt dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Verweerder heeft er ten onrechte van afgezien om eiser te horen in bezwaar. Het is niet redelijk om eiser te verwijten dat hij zich in Nepal niet goed heeft geïnformeerd over de kwaliteit van onderwijsinstellingen en opleidingen. Immers, het was eiser niet bekend dat er binnen het Nederlandse onderwijssysteem grote structurele problemen bestaan die voor hem nadelige gevolgen zouden hebben. Pas na zijn inschrijving aan de voornoemde onderwijsinstelling zijn deze problemen door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) onderzocht en onderkend. Dit onderzoek heeft uiteindelijk geleid tot het opstellen van een “Gedragscode internationale student aan het Nederlands hoger onderwijs”. Deze code is met ingang van 1 mei 2006

– dus nadat eiser zich heeft aangemeld bij een Nederlandse onderwijsinstelling – in werking getreden. Het kan eiser dan ook niet worden verweten dat hij niet op de hoogte was van de problemen die zich op dat moment in het Nederlandse onderwijssysteem afspeelden. Het is eiser niet duidelijk op welke wijze hij zich in 2005 op de hoogte had kunnen stellen van de kwaliteit van de diverse onderwijsinstellingen in Nederland. Met de pas in mei 2006 opgestelde gedragscode was eiser niet bekend. Dat de Dutch Delta University niet voldeed aan de eisen, is tijdens zijn studie in Nederland nader onderzocht. Door de minister van OCW is op 5 september 2006 een waarschuwing gegeven aan de European University. Pas in het laatste kwartaal van 2006 is er een nader onderzoek verricht naar de European University. Van een student uit Nepal mag en kan niet verwacht worden dat hij hiervan op de hoogte is. Eiser heeft de verwachting dat hij zijn studie in beginsel binnen de aankomende vier jaar kan afronden. Eiser overlegt bij faxbericht van 4 juni 2008 een verklaring van de studieadviseur IBMS van 2 juni 2008. Hierin wordt verklaard dat eiser deze vier jaar durende IBMS-studie in juli 2011 zal kunnen afronden. In dat geval blijft eiser binnen de maximaal toegestane verblijfsduur van zes jaar.

Verweerder is er van uitgegaan dat eiser de maximaal toegestane verblijfsduur met 1 maand en 17 dagen zou overschrijden. Deze overschrijding van de maximale verblijfsduur van zes jaar is niet buitensporig te noemen. Het niet verlenen van de verblijfsvergunning voor studie betekent voor eiser dat hij zijn studie in Nederland niet verder zal kunnen vervolgen. Hij is destijds naar Nederland gekomen met de verwachting om kwalitatief goed onderwijs te kunnen volgen. Dat eiser achtereenvolgens ingeschreven staat bij onderwijsinstellingen die de kwaliteitstoets niet kunnen doorstaan, mag eiser gelet op de onevenredige gevolgen niet worden verweten. Het niet verlenen van een verblijfsvergunning is dan ook in strijd met artikel 4:84 van de Awb.

IV. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het beroep

1. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking verband houdend met het doel waarvoor hij wil verblijven.

2. Volgens paragraaf B6/2.2 van de Vc 2000 geldt voor vreemdelingen die hier te lande verblijf voor studiedoeleinden beogen een maximale verblijfsduur. De maximale verblijfsduur is afhankelijk van de studielast van de studie die wordt gevolgd en bedraagt twee jaar meer dan die studielast. Bovendien blijkt uit paragraaf B6/8 van de Vc 2000 dat bij verandering van studierichting of onderwijsinstelling onverkort geldt dat de totale termijn op grond waarvan iemand verblijf in Nederland voor studiedoeleinden is toegestaan, de maximale verblijfsduur niet mag overschrijden. De vreemdeling dient een verklaring over te leggen van de onderwijsinstelling waaraan hij de studie/opleiding wenst te volgen, waaruit blijkt dat voltooiing daarvan binnen het resterende deel van de maximale verblijfsduur in beginsel mogelijk is.

3. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de maximale studieduur voor eiser zes jaren bedraagt. Uit de in beroep overgelegde verklaring van de Hogeschool van Amsterdam van 2 juni 2008 van de Hogeschool van Amsterdam blijkt dat eiser de beoogde studie in juli 2011 af zal kunnen ronden, derhalve binnen de maximale studieduur.

4. Met betrekking tot de beroepsgrond dat eiser ten onrechte niet op zijn bezwaar is gehoord, overweegt de rechtbank het volgende. De vraag of in bezwaar al dan niet een hoorplicht bestaat, wordt beheerst door het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Awb. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van de Awb zich voordoet. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing.

5. Verweerder heeft op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb geconcludeerd dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en heeft afgezien van het horen van eiser. In het besluit in primo van 27 december 2007 heeft verweerder geconcludeerd dat eiser één maand en zeventien dagen tekort komt om zijn studie binnen de resterende verblijfsduur af te kunnen ronden. In bezwaar heeft eiser gesteld dat rekening dient te worden gehouden met de bijzondere omstandigheden. Hij was genoodzaakt om een studie te gaan volgen aan een andere onderwijsinstelling. Eiser stelt dat hij zich bij aanvang van zijn studie niet bewust is geweest van het ondermaatse onderwijs van de Dutch Delta University. Eiser heeft zich vanwege dit slechte onderwijs in laten schrijven bij de European University en verkeerde in de veronderstelling dat deze onderwijsinstelling hem het juiste onderwijs zou bieden. Voorts stelt eiser in bezwaar dat rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid dat het niet aan eiser is te wijten dat hij zijn studie aan de European University niet kon voltooien. Eerder voldeed de European University namelijk wel aan artikel 3.18a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Onder voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gesproken van een kennelijk ongegrond bezwaar. Gelet op het bezwaar, bezien in het licht van het besluit van 27 december 2007 en het voormelde wettelijk kader, kon niet op voorhand worden uitgesloten dat eiser tijdens de hoorzitting individuele, op hem betrekking hebbende, feiten en omstandigheden naar voren zou hebben gebracht die tot gegrondverklaring van het bezwaar zouden hebben kunnen leiden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

6. Voorts overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van 2 juni 2008 van de Hogeschool van Amsterdam, overgelegd op 4 juni 2008, niet bij de beoordeling van het beroep kan worden betrokken en dat het bestreden besluit ongewijzigd kan worden gehandhaafd. De rechtbank deelt dit standpunt niet. De rechtbank is van oordeel dat dit stuk moet worden aangemerkt als een nadere onderbouwing van het in het beroepschrift ingenomen standpunt dat eiser zijn studie aan de Hogeschool van Amsterdam binnen de maximale verblijfsduur zal kunnen voltooien. Dat eiser dit standpunt in de bezwaarfase niet heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Noch uit de wet, in het bijzonder artikel 6:13 van de Awb, noch uit enig rechtsbeginsel vloeit voort dat gronden die niet in bezwaar zijn aangevoerd, vanwege die enkele omstandigheid buiten de inhoudelijke beoordeling van het beroep zouden moeten blijven (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 februari 2008, LJN: BC6036).

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat, indien de verklaring van 2 juni 2008 bij de beoordeling van het bezwaar zou zijn betrokken, de aanvraag waarschijnlijk zou zijn ingewilligd. Uit het bovenstaande volgt dat de verklaring van 2 juni 2008 bij de beoordeling van het beroep moet worden betrokken. Verder staat vast dat uit die verklaring volgt dat eiser in staat moet worden geacht zijn studie aan de Hogeschool van Amsterdam binnen de maximale verblijfsduur af te ronden en dat het bestreden besluit er zonder meer van uitgaat dat dit niet mogelijk is. Gelet op een en ander berust het bestreden besluit, zoals dat in beroep is gehandhaafd, niet op een deugdelijke motivering. Ook om die reden komt het besluit voor vernietiging in aanmerking.

8. Het beroep wordt gegrond verklaard. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De overige beroepsgronden hoeven geen behandeling.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

9. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

10. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

11. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

12. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 en artikel 8:82, vierde lid van de Awb wijst de recht¬bank, respectievelijk de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter ver¬goeding van het door eiser betaalde griffierecht.

IV. BESLISSING

De rechtbank:

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 08/14417

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter:

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 08/14418

- wijst het verzoek af.

In alle zaken:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiser;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 290, -- (zegge: tweehonderdnegentig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Fehmers, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Wielen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2009.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: JW

Coll: ST

D: B

Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.