Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2023

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-04-2009
Datum publicatie
23-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/5416
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwijzing naar openbare bronnen onvoldoende specifiek en concreet / Strijd met artikel 16 van de Procedurerichtlijn en strijd met het beleid

Verweerder heeft in het bestreden besluit onvoldoende concreet en specifiek verwezen naar openbare bronnen. De vindplaats van de specifieke, voor de onderhavige zaak relevante, informatie uit openbare bronnen is niet op een dusdanig volledige en accurate wijze weergegeven dat eiser deze informatie terug heeft kunnen vinden en bij het voorbereiden van zijn verdediging heeft kunnen betrekken. Ook is in het bestreden besluit onvoldoende geconcretiseerd en specifiek aangegeven op grond waarvan de informatie uit openbare bronnen waar verweerder zich op heeft verlaten, de door verweerder ongeloofwaardig geachte delen uit eisers relaas nu juist ongeloofwaardig maken. Dit is eerst ter zitting duidelijk geworden.

Deze handelswijze is in strijd met artikel 16, eerste lid, van de Procedurerichtlijn. Dit artikel heeft betrekking op de wijze waarop verweerder van zijn bevindingen verantwoording aflegt in het besluit. De handelswijze van verweerder is ook in strijd met artikel 4:84, eerste volzin, van de Awb, omdat verweerder heeft nagelaten conform zijn beleid neergelegd in paragraaf C14/3.3 van de Vc 2000 de gebruikte bronnen zoveel mogelijk te noemen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/252
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 08/05416

V.nr.: *

inzake:

eiser [naam eiser], geboren [geboortedatum] in 1977, van Sierraleoonse nationaliteit, verblijvende te [verblijfplaats], eiser,

gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.J. Hakvoort, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 18 januari 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 22 maart 2005 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen. Op 13 februari 2008 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. De gronden van het beroep zijn aangevuld op 15 maart 2008 en 15 oktober 2008.

2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2009. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig H. Bouazza, tolk in de Engelse taal. Ook de vriendin van eiser was ter zitting aanwezig.

3. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. ASIELRELAAS

Eiser is van 1998 tot in 2003 de eerste lijfwacht en vertrouweling geweest van [naam] de voorman van de Kamajors en de Civil Defence Force (CDF), tevens eisers oom, in Sierra Leone. Eiser is vanwege de familiebanden en zijn goede functioneren in deze positie terecht gekomen. Op een zeker moment in 2003 is [naam] de oom van eiser gearresteerd. Eisers naam is toen genoemd en toen is vervolgens ook eiser zelf gearresteerd. Eiser is vier dagen in detentie gehouden op het politiebureau van [plaats] en is vervolgens overgebracht naar de Pendemba gevangenis in Freetown. Daar is eiser een maand gedetineerd geweest. Hij werd regelmatig naar de rechtbank gebracht en is tijdens de laatste zitting veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Na de zitting werden alle gevangenen in een vrachtauto teruggebracht naar de gevangenis. Eiser en andere gevangenen is het toen gelukt om te ontsnappen. Eiser is naar een vriend gegaan. Hij hoorde op de radio dat de generaal van de politie van heel Sierra Leone een oproep deed over de ontsnapte gevangenen. Personen die informatie zouden kunnen verstrekken over de ontsnapte gevangenen zouden een beloning krijgen. Eiser is diezelfde avond naar een vriend in [plaats] gegaan. Na verblijf in verschillende dorpen is eiser naar Nederland gevlucht.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder heeft in het bestreden besluit de asielaanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Eisers asielrelaas is volgens verweerder ongeloofwaardig. Eiser heeft vage, onduidelijke en niet-geconcretiseerde verklaringen afgelegd die niet te rijmen zijn met de gestelde familierelatie met die oom, één van de redenen waarom hij eerste zijn lijfwacht en vertrouweling [naam] zou zijn geweest. Voorts is ongeloofwaardig dat eiser uitsluitend op voorspraak van die oom [naam] lid zou zijn geworden van de Kamajors zonder een initiatierite te ondergaan. Niet geloofwaardig is voorts dat eiser reeds na slechts twee weken training lijfwacht zou zijn geworden van een leider van het kaliber van de oom [naam]. Hierbij wordt verwezen naar het algemene ambtsbericht van 25 november 1999 over Sierra Leone (kenmerk DPC-AM-668007) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, met name naar de ten aanzien van de Kamajors hierin opgenomen noot, in combinatie met een publicatie van Sierra Leone News Archives, mei 2003, aangaande Allieu Kondewa (of Kondua), Hogepriester en Hoofd Inwijdingen van de Kamajors. Dat laatstgenoemde persoon voor eiser onbekend is, onderstreept eisers gebrek aan kennis eens te meer. Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij lijfwacht van die oom [naam] is geweest, ook omdat hij niet goed op de hoogte blijkt te zijn van persoonlijke wetenswaardigheden van deze persoon. Eisers verklaring dat dit is terug te voeren op zijn culturele achtergrond, is niet afdoende, aldus verweerder.

2. De rechtbank vat eisers beroepsgronden, mede gelet op de ter zitting hierop gegeven toelichting en voor zover thans voor de beoordeling van belang, als volgt samen.

a. Procedureel: verweerder heeft ten onrechte niet vermeld van welke algemeen toegankelijke bronnen hij gebruik heeft gemaakt bij het innemen van zijn standpunt dat eisers relaas ongeloofwaardig is. Daardoor heeft eiser niet adequaat kunnen reageren. Hoewel verweerder heeft verwezen naar “een noot over Kamajors in het ambtsbericht van november 1999” en naar informatie van de “Sierra Leone News Archives van mei 2003”, is deze bronaanduiding onvoldoende specifiek. Eiser heeft gezocht naar de door verweerder gebruikte bronnen maar deze niet althans niet volledig kunnen achterhalen. Eiser is hierdoor in zijn belangen geschaad. Als hij namelijk wel exact had geweten waar verweerder zich op heeft gebaseerd, had hij veel gerichter en concreter met andersluidende informatie kunnen komen. Deze handelwijze van verweerder is in strijd met artikel 8, tweede lid onder b, en derde lid, van Richtlijn 2005/85/EG (hierna: de Procedurerichtlijn) en in strijd met artikel 16, eerste lid, van de Procedurerichtlijn. Ook is de handelwijze van verweerder strijdig met verweerders eigen beleid.

b. Ten gronde: eisers asielrelaas is geloofwaardig omdat het op hoofdlijnen consistent is en strookt met wat er bekend is over de algemene situatie in het land van herkomst. Eiser heeft tijdens zijn gehoren veel informatie verstrekt die juist en volledig is; uit de beschikking blijkt niet dat en op welke wijze verweerder daar rekening mee heeft gehouden. Evenmin blijkt uit de bestreden beschikking dat eiser onjuiste of gebrekkige informatie zou hebben verstrekt.

IV. RELEVANTE BEPALINGEN EN JURISPRUDENTIEEL KADER

1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Procedurerichtlijn zorgen lidstaten ervoor dat een juridisch adviseur of andere raadsman die door het nationale recht als zodanig is erkend of toegelaten en die de asielzoeker overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht bijstaat of vertegenwoordigt, toegang heeft tot de informatie in het dossier van de asielzoeker die door de autoriteiten kan worden onderzocht, voor zover die informatie relevant is voor de behandeling van het asielverzoek.

2. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de minister aannemelijk te maken.

3. Volgens vaste jurisprudentie, zoals bijvoorbeeld is uiteengezet in de uitspraak van 22 augustus 2003 (gepubliceerd in JV 2003,451) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van de minister en kan die beoordeling slechts terughoudend door de rechter worden getoetst.

4. Bij de beoordeling door de minister van het asielrelaas gaat het meestal niet om de vraag, of en in hoeverre de verklaringen over de feiten die de asielzoeker aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd als vaststaand moeten worden aangenomen. De asielzoeker is immers veelal niet in staat en van hem kan ook redelijkerwijs niet worden gevergd zijn relaas overtuigend met bewijsmateriaal te staven.

5. Om de asielzoeker, waar dat probleem zich voordoet, tegemoet te komen en toch een adequate beoordeling van de aanvraag in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te kunnen verrichten, pleegt de minister, conform het gestelde in paragraaf C14/3 en paragraaf C14/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000, het relaas en de daarin gestelde feiten voor waar aan te nemen, indien de asielzoeker alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet-onaannemelijk is en strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Bovendien geldt daarvoor als vereiste dat zich geen van de in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vw 2000 opgesomde omstandigheden die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de asielzoeker voordoet.

6. In paragraaf C14/3.3 van de Vc 2000 wordt vermeld dat bij vergelijking van het relaas met al datgene, wat bekend is over de algemene situatie in het land van herkomst uit objectieve bronnen, veelal de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken als belangrijke bron zullen gelden. In die gevallen dat er over de situatie in een land van herkomst geen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken beschikbaar is, vindt de beoordeling plaats op grond van andere beschikbare informatie uit objectieve bron. Het gaat daarbij slechts om de feitelijke informatie uit de betreffende documenten. In het voornemen dan wel de beschikking worden de gebruikte bronnen zoveel mogelijk genoemd.

7. Bij de toepassing van dit beleid in een concreet geval komt de minister beoordelingsruimte toe. Hij beoordeelt de geloofwaardigheid van het asielrelaas op basis van uitvoerige gehoren en van vergelijking van het relaas met al datgene, wat hij over de situatie in het land van herkomst weet uit ambtsberichten en andere objectieve bronnen en wat hij eerder heeft onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere asielzoekers in een vergelijkbare situatie.

De rechtbank toetst of grond bestaat voor het oordeel dat verweerder, gelet op de motivering, neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

8. Dit laat onverlet dat de besluitvorming moet voldoen aan de eisen van met name zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering die het recht daaraan stelt en dat de rechter de besluitvorming daaraan moet toetsen. Aldus vindt rechterlijke toetsing plaats, zonder dat de rechter een beoordeling aan zich trekt die door de minister moet plaatsvinden.

V. OORDEEL VAN DE RECHTBANK

1. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de behandeling van het asielverzoek van eiser op de volgende wijze heeft verwezen naar openbare bronnen:

Aanvullend nader gehoor van 5 september 2006

Het verslag van dit gehoor vermeldt dat verweerder gebruik heeft gemaakt van internet: www.sierra-leone.org/slnews0296.html (zie pagina 14 van het verslag) en van informatie van Human Rights Watch (zie pagina 16 van het verslag).

Ook wordt op pagina 17 van het verslag in het algemeen verwezen naar internet.

Voornemen

In het voornemen wordt verwezen naar “informatie uit openbare bronnen inzake de Kamajors”.

Beschikking

In de bestreden beschikking wordt verwezen naar informatie uit het algemene ambtsbericht van 25 november 1999 van de Minister van Buitenlandse Zaken over Sierra Leone (kenmerk DPC-AM-668007), met name de ten aanzien van de Kamajors opgenomen noot, in combinatie met een publicatie van Sierra Leone News Archives uit mei 2003.

2. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat de hierboven weergegeven verwijzingen naar openbare bronnen onvoldoende concreet en specifiek zijn. Verweerder heeft de vindplaats van de specifieke, voor de onderhavige zaak relevante, informatie uit openbare bronnen niet op een dusdanig volledige en accurate wijze weergegeven dat eiser deze informatie terug heeft kunnen vinden en bij het voorbereiden van zijn verdediging heeft kunnen betrekken. Ook heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende geconcretiseerd en specifiek aangegeven op grond waarvan precies de informatie uit openbare bronnen waar verweerder zich op heeft verlaten, de door verweerder ongeloofwaardig geachte delen uit eisers relaas nu juist ongeloofwaardig maken.

3. Ter zitting is hierover desgevraagd door verweerder nadere duidelijkheid verschaft. Verweerder vindt eisers asielrelaas met name niet geloofwaardig omdat hij niet over voldoende informatie beschikt over de Kamajors als organisatie en in het bijzonder over [naam] de voorman van deze organisatie en tevens oom van eiser. Het gebrek aan kennis bij eiser op deze punten strookt, aldus verweerder ter zitting, niet met de informatie op pagina 7 en 8 van genoemd ambtsbericht, waaruit blijkt dat de Kamajors een zeer hechte onderlinge band hebben en een hoge organisatiegraad kennen. Gelet op die kenmerken van de Kamajors had van eiser meer kennis mogen worden verwacht over de Kamajors en de voorman daarvan. Verder is, aldus verweerders nadere toelichting ter zitting, ongeloofwaardig dat eiser niet zou zijn ingewijd. De Kamajors hebben namelijk blijkens de informatie van 29 mei 2003 uit de “Sierra Leone News Archives”, een “Hoofd Inwijdingen” gehad, genaamd Allieu Kondewa (Kondua). Ook houden de Kamajors traditionele gebruiken en riten nog steeds in ere, blijkens de noot op pagina 7 van genoemd ambtsbericht.

4. In wezen is hierdoor eerst ter zitting bij de rechtbank exact duidelijk geworden in het licht van welke specifieke informatie uit welke openbare bronnen verweerder eisers asielrelaas heeft beoordeeld, alsmede wat er nu precies voor verweerder doorslaggevend is geweest bij het trekken van de conclusie dat eisers relaas geen geloof verdient.

5.1 Met eiser concludeert de rechtbank dat deze handelwijze - het gebrekkig want onvoldoende concreet en specifiek aanduiden van bronnen in de gedingstukken en het eerst ter zitting volledig noemen daarvan, onder aanduiding van de exacte informatie die uit die bronnen is gehaald, alsmede het eerst ter zitting exact aangeven waarom precies onderdelen van eisers relaas niet stroken met deze landeninformatie - in strijd is met artikel 16, eerste lid, van de Procedurerichtlijn. Anders dan eiser acht de rechtbank de verplichtingen vervat in artikel 8, tweede lid onder b, en derde lid, van de Procedurerichtlijn in deze zaak niet geschonden. In deze zaak gaat het immers niet zozeer om de vraag of verweerder een deugdelijk onderzoek heeft verricht en of verweerder nauwkeurige en actuele informatie heeft verzameld, wat gelet op verweerders toelichting ter zitting zeer wel mogelijk is, maar veeleer om de wijze waarop verweerder van zijn bevindingen verantwoording heeft afgelegd in het bestreden besluit. Artikel 16 van de Procedurerichtlijn heeft juist hierop betrekking.

5.2 Ook heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 4:84, eerste volzin, van de Awb, omdat verweerder heeft nagelaten conform zijn beleid neergelegd in paragraaf C14/3.3 van de Vc 2000 de gebruikte bronnen zoveel mogelijk te noemen. Niet is gesteld of gebleken dat verweerder de informatie niet heeft vermeld omdat openbaarmaking daarvan de nationale veiligheid of de veiligheid van organisaties of personen in gevaar zou kunnen brengen.

6. De rechtbank verklaart gelet op het voorgaande het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit.

7. De rechtbank ziet geen aanleiding om op de voet van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Nu eiser bij zijn verdediging niet heeft kunnen beschikken over essentiële, door verweerder gebruikte, informatie, heeft hij nog niet ten volle het verweer kunnen voeren waar hij recht op heeft. Het is niet ondenkbeeldig dat eiser, indien hij wel had beschikt over de informatie waar verweerder gebruik van heeft gemaakt, met relevante tegeninformatie zou zijn gekomen. Dit in aanmerking genomen acht de rechtbank het thans prematuur om te oordelen dat zich hier een situatie voordoet waarin rechtens nog maar een beslissing mogelijk is.

8. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de overige beroepsgronden.

9. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zeshonderdvierenveertig), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen - van der Hoek, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2009.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: EW

Coll: SSS

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.