Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2003

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
23-04-2009
Zaaknummer
AWB 09/5420
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting / Egypte / ongedocumenteerde vreemdelingen

In het laatste half jaar van 2007 zijn ongeveer 80 lp-aanvragen ingediend. Over geheel 2008 zijn meer dan 140 lp-aanvragen ingediend. In 2007 zijn 2 lp-toezeggingen ontvangen. In 2008 zijn 7 lp-toezeggingen ontvangen. Volgens verweerder ging het hierbij zowel in 2007 als in 2008 in één geval om een ongedocumenteerde aanvraag.

Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat niet gezegd kan worden dat de Egyptische autoriteiten weigerachtig zouden zijn om lp’s te verstrekken dan wel dat er anderszins in het algemeen geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn zou bestaan. De vraag in hoeverre verweerder heeft aangetoond dat de Egyptische autoriteiten ook aan ongedocumenteerde vreemdelingen lp’s verstrekken, behoeft thans geen nadere bespreking. Niet is gebleken dat eiser niet over de benodigde documenten beschikt dan wel dat eiser niet de benodigde documenten zou kunnen verkrijgen om zijn gestelde identiteit aan te tonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 96 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 09/05420

V-nr.: 130.503.5519

inzake:

eiser [naam eiser], geboren [geboortedatum] in 1955, van (gestelde) Egyptische nationaliteit, verblijvende in [detentieplaats] detentie, eiser,

gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: drs. J.R. Toussaint, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 28 juni 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Eerdere beroepen tegen de oplegging dan wel voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel zijn ongegrond verklaard, laatstelijk bij uitspraak van 22 januari 2009 (AWB 09/771).

Bij beroepschrift van 19 februari 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd, alsmede toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 3 maart 2009. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken omtrent het aantal door de Egyptische autoriteiten afgegeven (vervangende) reisdocumenten.

Verweerder heeft bij faxbericht van 9 maart 2009 nadere informatie verstrekt. Bij faxbericht van 10 maart 2009 heeft eiser zijn reactie op deze informatie ingediend. Daarbij is geen toestemming verleend om de behandeling ter zitting achterwege te laten. Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder op 16 maart 2009 op het standpunt van eiser gereageerd. Ten slotte heeft eiser op 17 maart 2009 in twee faxberichten op het standpunt van verweerder gereageerd.

Het beroep is opnieuw ter openbare zitting behandeld op 24 maart 2009. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P. van Zeyl, ambtenaar bij de IND van het ministerie van Justitie. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat verweerder niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank in haar laatste uitspraak, om het verstrekken van laissez passers (lp’s) over de periode 2007-2008 cijfermatig te onderbouwen. Subsidiair stelt eiser dat uit de door verweerder overgelegde gegevens moet worden geconcludeerd dat er geen reëel zicht op uitzetting bestaat. Ook op verzoek van de rechtbank heeft verweerder niet de benodigde informatie vrijgegeven over de twee lp’s waarvan verweerder stelt dat die zijn verstrekt aan ongedocumenteerde Egyptenaren. Verweerder kan ervoor zorgen dat eiser dit kan natrekken zonder dat inbreuk wordt gemaakt op privacy-gevoelige informatie. Derhalve kan thans niet worden nagegaan of er toch niet enige documentatie bij deze personen aanwezig was. Uit het overgelegde e-mailbericht van de Egyptische ambassade blijkt dat zij geen lp’s verstrekken zonder enig bewijs van identiteit. Dit roept verdere twijfel op over de twee door verweerder genoemde zaken waarin lp’s aan ongedocumenteerden zouden zijn verstrekt. Uit het geheel van omstandigheden kan worden afgeleid dat voor ongedocumenteerde vreemdelingen geen, dan wel een zeer beperkt zicht op uitzetting naar Egypte bestaat. Ten aanzien van de pogingen van eiser om zijn identiteit met documenten te onderbouwen, heeft zijn gemachtigde ter zitting desgevraagd opgemerkt dat eiser al zeer lange tijd in Nederland verblijft en geen contacten meer heeft met mensen in het land van herkomst. Voorts stelt eisers gemachtigde dat hij aanneemt dat eiser in het verleden wel pogingen heeft ondernomen om aan documenten te komen.

Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. De voortduring van de bewaring is rechtmatig. De rechtbank heeft reeds eerder geoordeeld over de belangenafweging bij voortduring van de bewaring na zes maanden. Ook uit het verslag van het laatste vertrekgesprek blijkt dat eiser zijn non-coöperatieve houding niet heeft veranderd. Er is een reëel zicht op uitzetting naar Egypte. Weliswaar zijn er in 2007 en 2008 weinig lp’s verstrekt door de Egyptische autoriteiten, maar je kunt ook zeggen dat sprake is van een stijgende lijn. Verweerder kan in verband met de privacy niet meer informatie verstrekken over de twee zaken waarin de Egyptische autoriteiten lp’s hebben verstrekt aan ongedocumenteerde vreemdelingen. Verweerder heeft desondanks de voortgangsrapportages van die zaken overgelegd. Het e-mailbericht van de Egyptische ambassade plaatst dit niet in een ander licht. Het is juist aan de inspanningen van een specialistische instelling als de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) te danken dat in dergelijke gevallen toch reisdocumenten kunnen worden verstrekt. De ambassade zal in communicatie met burgers niet aangeven dat zij dergelijke documenten verstrekken aan personen zonder enig bewijsstuk.

De rechtbank overweegt het volgende.

Onderhavig beroep is het zevende beroep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. Thans dient te worden beoordeeld of de voortgezette toepassing daarvan gerechtvaardigd is te achten.

Tussen partijen is in geschil of er een reëel zicht op uitzetting is. Verweerder heeft over de uitzetting van niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen naar Egypte de volgende informatie verstrekt.

In het laatste half jaar van 2007 zijn ongeveer 80 lp-aanvragen ingediend. Over geheel 2008 zijn meer dan 140 lp-aanvragen ingediend.

In 2007 zijn 2 lp-toezeggingen ontvangen. De aanvragen waren ingediend op 24 september 2007 en 23 november 2007 en de lp’s zijn afgegeven op 19 november 2007 en 4 januari 2008.

In 2008 zijn 7 lp-toezeggingen ontvangen. De bijbehorende lp-aanvragen zijn op 24 april 2008, 14 mei 2008, 16 juni 2008, 22 oktober 2008, 31 oktober 2008 en 4 november 2008 ingediend. Bij één van de 7 lp-toezeggingen was geen aanvraag ingediend, maar betrof het een zaak waarin de lp-aanvraag in het verleden had gelopen en tussentijds was afgesloten. Ten aanzien van de 7 lp-toezeggingen zijn er 5 lp’s afgegeven, te weten op 18 augustus 2008, 26 augustus 2008, 5 december 2008, 24 december 2008 en 5 januari 2009. Voorts is in één geval de geldigheidsduur van het paspoort verlengd en aldus uiteindelijk geen lp verstrekt en is in één geval de lp opgehaald door de Internationale Organisatie voor Migratie. Zowel in 2007 als in 2008 ging het in één geval om een ongedocumenteerde aanvraag.

Gelet op bovenstaande informatie is de rechtbank met verweerder van oordeel dat, hoewel er niet veel lp’s zijn verstrekt, niet gezegd kan worden dat de Egyptische autoriteiten weigerachtig zouden zijn om lp’s te verstrekken dan wel dat er anderszins geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn zou bestaan.

Ten aanzien van de stelling dat er evenwel geen zicht op uitzetting is ten aanzien van ongedocumenteerde vreemdelingen overweegt de rechtbank het volgende.

Enerzijds valt uit het e-mailbericht van de Egyptische ambassade, luidende “…the Embassy has the honour to confirm that it is impossible to issue a LAISSEZ PASSER without any proof of identity”, niet zonder meer op te maken dat geen lp’s worden verstrekt aan ongedocumenteerden. Niet valt immers uit te sluiten dat de vreemdeling op andere wijze bewijs kan leveren van zijn identiteit dan wel zijn identiteit op andere wijze aannemelijk kan maken. Ook valt niet uit te sluiten dat de bemiddeling van DT&V daarbij een positieve rol kan spelen, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld.

Anderzijds heeft de Egyptische ambassade dit antwoord gegeven op de expliciete vraag “I ask you kindly to inform me if…[it]…is true that your Embassy does not issue Laissez Passers (or Emergency Travel Certificates) if people do not have documents to proof their identity.” De rechtbank is voorts met eiser van oordeel dat uit de door verweerder overgelegde voortgangsrapportages niets anders valt op de maken dan dat de betreffende twee vreemdelingen op enig moment niet over documenten beschikten. Hieruit valt echter niet zonder meer af te leiden dat de Egyptische autoriteiten ook aan ongedocumenteerde vreemdelingen lp’s afgeven. Verweerder had daarover meer duidelijkheid kunnen geven door bijvoorbeeld de namen van de advocaten van deze vreemdelingen door te geven. Deze advocaten hadden vervolgens in overleg met de betreffende vreemdelingen kunnen overleggen of de relevante gegevens aan de gemachtigde van eiser verstrekt konden worden. Eventuele problematiek met betrekking tot de privacy zou op die manier omzeild zijn.

Wat er van het voorgaande ook zij, in het onderhavige geval is de rechtbank niet gebleken dat eiser niet de benodigde documenten heeft dan wel de benodigde documenten zou kunnen verkrijgen om zijn gestelde identiteit aan te tonen. De enkele stelling dat hij ongedocumenteerd is, is daartoe onvoldoende. Uit de voortgangsgesprekken blijkt dat eiser zelf geen actie heeft ondernomen om aan documenten te komen. De stelling van zijn gemachtigde, dat hij daartoe in het verleden waarschijnlijk wel pogingen heeft ondernomen, is niet onderbouwd. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de vraag of hij nog familieleden in Egypte heeft. In het vertrekgesprek van 12 januari 2009 heeft hij verklaard niemand meer in Egypte te hebben, terwijl hij tijdens het gehoor van 28 juni 2008 nog verklaarde dat een broer en een zuster in Egypte wonen, met wie hij geen contact meer onderhoudt. Voorts is niet duidelijk op welke wijze eiser dan op de hoogte is geraakt van het feit dat zijn moeder is overleden. Eiser verklaarde tijdens het vertrekgesprek op 25 augustus 2008 dat zijn moeder in december (de rechtbank begrijpt 2007) was overleden. Dat eiser geen contact met familieleden of vrienden in Egypte zou kunnen opnemen om hem te helpen zijn identiteit aan te tonen, is derhalve evenmin aannemelijk.

De vraag in hoeverre verweerder heeft aangetoond dat de Egyptische autoriteiten aan ongedocumenteerden geen lp’s verstrekken, behoeft derhalve in het onderhavige geschil geen nadere bespreking.

Na beoordeling van de door of namens eiser naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel of de wijze van tenuitvoerlegging niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2009.

Afschrift verzonden op:

Conc.: JV

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.