Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI1994

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-02-2009
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
325161 - FA RK 08-9470
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming voor het verkrijgen van een reisdocument.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 08-9470

Zaaknummer: 325161

Datum beschikking: 27 februari 2009

Beschikking ex artikel 34 Paspoortwet.

Beschikking op het op 24 november 2008 ingekomen verzoek van:

[vrouw],

de vrouw,

wonende te [plaats],

advocaat: mr. U.W.G. Thöle te 's-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[man],

de man,

met een onbekende woon- of verblijfplaats,

advocaat: mr. -

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 24 december 2008 van de zijde van de vrouw met bijlagen.

Feiten

De vrouw heeft de Somalische nationaliteit is woonachtig te [plaats].

De minderjarigen hebben de Nederlandse en de Somalische nationaliteit en zijn woonachtig bij de vrouw.

De man heeft de Nederlandse en een onbekende nationaliteit en heeft [plaats] met onbekende bestemming verlaten.

Beoordeling

De vrouw verzoekt de rechtbank vervangende toestemming te verlenen voor het verkrijgen van een reisdocument zoals bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Paspoortwet ten behoeve van de minderjarigen [A], geboren op [datum] 2000 te [plaats], en [B], geboren op [datum] 2002 te [plaats]. De vrouw voert ter onderbouwing van het verzoek aan dat zij onbekend is met de verblijfplaats van de man en dat het voor derhalve niet mogelijk is de vereiste toestemming te verkrijgen voor de aanvraag van nieuwe reisdocumenten ten behoeve van de minderjarigen.

Rechtsmacht

De vrouw heeft gesteld dat de Nederlandse rechter bevoegd is van het verzoek kennis te nemen en voorts dat het verzoek niet valt onder de reikwijdte van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (hierna: "de Verordening").

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. .

Volgens artikel 1, eerste lid, onder b, is de Verordening, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid. Overeenkomstig artikel 2, aanhef en onder 7 van de Verordening omvat de ouderlijke verantwoordelijkheid alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind, onder meer het gezagsrecht en het omgangsrecht. Blijkens de vijfde overweging van de considerans is, teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen, de Verordening van toepassing op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief maatregelen ter bescherming van het kind, los van ieder verband met een procedure in huwelijkszaken, zodat moet worden uitgegaan van een ruim toepassingsbereik.

Het verzoek tot vervangende toestemming valt naar het oordeel van de rechtbank binnen het temporele (art. 64 lid 1), formele (art. 8 lid 1) en materiële toepassingsgebied van de Verordening. Uit de wetsgeschiedenis (MvT, TK 1987-1988, 20 393) blijkt immers dat de vervangende toestemming van de rechter ten behoeve van de verstrekking van Nederlandse reisdocumenten als bedoeld in artikel 34 van de Paspoortwet invulling geeft aan de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid of die van eventuele gezagsdragers, waarbij de rechter het belang van het kind om vrij te kunnen reizen mede in aanmerking zal nemen. Deze regeling knoopt nadrukkelijk aan bij de regeling inzake geschillen tussen ouders over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Voorts is in de Paspoortwet niet uitdrukkelijk bepaald dat slechts de Nederlandse rechter bevoegd is om vervangende toestemming te verlenen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat vervangende rechterlijke toestemming in de zin van artikel 34 lid 2 Paspoortwet is bedoeld als maatregel betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid en niet is bedoeld als behorend tot de verstrekking van Nederlandse reisdocumenten als zodanig of als een nadere bevoegdheid betreffende de staat van personen, waarmee het verzoek tot vervangende toestemming onder het bereik van de Verordening valt. Het feit dat de Paspoortwet een publiekrechtelijke regeling is, maakt dit niet anders (zie ook Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 27 november 2007, C-435/06).

Nu het verzoek van de vrouw onder het toepassingsbereik van de Verordening valt, dient aan de hand van de Verordening te worden bepaald of de Nederlandse rechter bevoegd is van de verzoeken kennis te nemen. Daartoe zijn de artikelen 8 en verder van de Verordening van belang.

Nu de kinderen ten tijde van het aanhangig maken van de zaak hun gewone verblijfplaats hadden in Duitsland, wijst art. 8 lid 1 van de Verordening de rechter in Duitsland - en derhalve niet de Nederlandse rechter - aan als bevoegde rechter om van de onderhavige verzoeken kennis te nemen. Het bepaalde in de artikelen 9, 10 en 12 van de Verordening maakt dit niet anders. Niet gebleken is dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 9 van de Verordening (behoud van de bevoegdheid door de rechter van de vorige gewone verblijfplaats van het kind). Evenmin doet zich een geval als bedoeld in artikel 10 van de Verordening (kinderontvoering) voor.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren om van het verzoek kennis te nemen.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart zich onbevoegd.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.W. de Wit, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.A.C. Herweijer als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

27 februari 2009.