Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI1959

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
22-04-2009
Zaaknummer
329379 / KG ZA 09-120
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil betreffende vonnis in kort geding van 2 juni 2008 waarbij aan eiser sub 1 en eiser sub 2 elk een gebod werd opgelegd met betrekking tot materiaal en teeltmateriaal van het lelieras 'Sorbonne'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 329370 / KG ZA 09-120

Vonnis in kort geding van 16 april 2009

in de zaak van

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

1. KONINKLIJKE VAN ZANTEN B.V.,

2. VAN ZANTEN FLOWERBULBS B.V.,

beide gevestigd te Hillegom,

eiseressen,

advocaat mr. L.PH.J. baron van Utenhove,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VLETTER & DEN HAAN BEHEER B.V.,

2. de vennootschap onder firma

GEBR. VLETTER & DEN HAAN, en haar vennoten:

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GEBROEDERS A. EN A. VLETTER B.V.,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BLOEMKWEKERIJ J.A. DEN HAAN B.V.,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GEBROEDERS F. EN W. VLETTER B.V.,

alle gevestigd te Rijnsburg,

gedaagden,

advocaat mr. P.S. Jonker.

Partijen zullen hierna ook Van Zanten (eiseressen gezamenlijk) en Vletter & den Haan (gedaagden gezamenlijk) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding 11 februari 2009 met producties 1 tot en met 7;

- de producties 1 tot en met 30 van Vletter & den Haan;

- de akte met een aanvulling van de eis en producties 8 en 9 van Van Zanten;

- de mondelinge behandeling op 3 maart 2009;

- de pleitnota van Van Zanten;

- de pleitnota van Vletter & den Haan.

1.2. De zaak is voor Van Zanten ter zitting behandeld door mr. P.E. Mazel en mr. P. Koerts, beiden advocaat te Groningen.

1.3. Na de mondelinge behandeling is de beslissing aangehouden voor overleg tussen partijen. Vervolgens hebben partijen alsnog vonnis gevraagd. Het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Bij vonnis in kort geding van 2 juni 2008 is op vordering van Vletter & den Haan Beheer en v.o.f. Gebr. Vletter & den Haan aan Koninklijke Van Zanten (in dat vonnis aangeduid als gedaagde sub 1) het navolgende gebod opgelegd:

veroordeelt gedaagde sub 1 om binnen één maand na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden het bedrijfsmatig en voor handelsdoeleinden voortbrengen, verder vermeerderen, ten behoeve van de vermeerdering behandelen, te koop aanbieden, in het verkeer brengen, verder verhandelen, uit- of invoeren, en voor een van deze handelsdoeleinden in voorraad hebben van materiaal van het ras Sorbonne, volledige planten, plantedelen alsmede geoogst materiaal daaronder begrepen, dan wel die handelingen door derden te doen verrichten;

2.2. Aan Van Zanten Flowerbulbs B.V. (in dat vonnis aangeduid als gedaagde sub 2) is het navolgende gebod opgelegd:

veroordeelt gedaagde sub 2 om binnen één maand na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden het in Nieuw Zeeland voor handelsdoeleinden voortbrengen, te koop aanbieden en verhandelen van teeltmateriaal van het ras Sorbonne, dan wel die handelingen door derden te doen verrichten;

2.3. Voorts is Van Zanten in die procedure veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag dat de veroordelingen niet worden nagekomen.

2.4. Gezien de datum van betekening van het vonnis zijn de geboden ingegaan op 3 juli 2008.

2.5. In het vonnis is onder meer het volgende overwogen.

2. De feiten

2.1 Aan eiseres sub 2 is op 14 december 1993 onder nummer 13638 (Nederlands) kwekersrecht verleend voor het lelieras 'Sorbonne'. Ook in Nieuw Zeeland is haar voor dit ras een nationaal kwekersrecht verleend. Zij heeft deze kwekersrechten en alle daarbij behorende rechten en verplichtingen overgedragen aan eiseres sub 1.

2.2 In mei 1996 heeft Vletter & den Haan aan Trior Lelie B.V. een licentie verstrekt voor vermeerdering en teelt van plantgoed en leverbare bollen van het ras Sorbonne. In de licentieovereenkomst is aanvankelijk het jaarlijks maximaal te beplanten areaal vastgesteld op 700 Rijnlandse Roe (verder: RR2, circa 1 hectare) leverbare bollen en 200 RR2 éénjarig schub. De overeenkomst bevat voorts de volgende bepalingen:

(...)

11. Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd; Zij eindigt onmiddellijk en van rechtswege:

(...)

f) door het feit, dat licentienemer enig voor hem uit deze overeenkomst voorspruitende verplichting niet stipt nakomt, gevolgd door een aangetekend schrijven van kweker, waarin deze niet-nakoming van de kontraktuele verplichting(en) wordt gekonstateerd, en deswege wordt verklaard, dat deze overeenkomst is beëindigd;

(...)

13. Bij beëindiging van deze overeenkomst, behoudens in geval het op het ras verkregen kwekersrecht komt te vervallen, vervallen alle bij of krachtens deze overeenkomst aan licentienemer toegekende of voortspruitende rechten en bevoegdheden, en blijft licentienemer tegenover kweker ten aanzien van het ras verplicht om:

het op zijn bedrijf bevindende plant-/teeltmateriaal van het ras te vernietigen;

geen plant-/teeltmateriaal van het ras van een ander te betrekken, dan wel te vermeerderen, en geen plant-/ teeltmateriaal in het verkeer te brengen, (verder) te verhandelen of anderszins ter beschikking aan te bieden dan wel te stellen aan derden, en/of deze handelingen te doen verrichten;

over geen plant- en/of teeltmateriaal van het ras al dan niet op eigen bedrijf de beschikking te hebben;

de naam van het ras op generlei wijze te gebruiken;

2.3 In februari 2000 zijn alle rechten en verplichtingen uit de licentieovereenkomst overgegaan op gedaagde sub 1. Gedaagde sub 1 heeft gedaagde sub 2 aangewezen als de partij die de licentieovereenkomst zou uitvoeren. Nadien heeft Vletter & den Haan toegestaan dat de teelt van het ras in Nieuw Zeeland zou plaatsvinden en is het maximum te beplanten areaal bepaald op 1000 RR2 leverbare bollen en 300 RR2 éénjarig schub.

2.4 In 2000, 2001 en 2006 heeft Vletter & den Haan Van Zanten aangesproken op overschrijding van het maximaal toegestane areaal. Van Zanten heeft Vletter & den Haan compensatie betaald voor het teveel geteelde materiaal. Vletter & den Haan heeft Van Zanten in 2006 gewaarschuwd dat bij volgende overtreding van de licentieovereenkomst de licentie zou worden ingetrokken.

2.5 Bij brief van 8 april 2008 heeft Vletter & den Haan wegens hernieuwde overschrijding van het maximaal toegestane areaal de licentieovereenkomst 'ontbonden' (opgezegd) met verwijzing naar artikel 11 sub f van de licentieovereenkomst.

3. Het geschil

3.1 Vletter & den Haan leidt de hernieuwde overschrijding van de toegestane maxima af uit de verplichte opgave die Van Zanten in Nieuw Zeeland heeft gedaan aan het Ministry of Agriculture and Forestry (MAF). Deze opgave dient te worden gedaan in verband met eisen die aan de bollen worden gesteld voor export naar Japan. Vletter & den Haan heeft een overzicht van het MAF overgelegd waaruit voor het seizoen 2007/2008 ruim 9 hectare aanplant van het ras Sorbonne volgt. Vletter & den Haan stelt dat zij de licentieovereenkomst terecht ontbonden heeft en dat Van Zanten daarom, nu zij niet meer beschikt over een licentie, inbreuk maakt op haar kwekersrechten in Nieuw Zeeland en Nederland door de aan de gerechtigde op het kwekersrecht voorbehouden handelingen te verrichten of te laten verrichten.

3.2 Vletter & den Haan heeft bij dagvaarding gevorderd, kort samengevat en zakelijk weergegeven, een verbod op inbreukmakende handelingen en vernietiging van inbreukmakend plantenmateriaal van het ras Sorbonne, telkens na verloop van vijf dagen na betekening van het vonnis, met bepaling van een dwangsom van € 15.000 per dag en hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de volgens 1019h Rv. te bepalen proceskosten. Bij pleidooi heeft zij haar eis vermeerderd met de vordering tot, kort gezegd, opgave van onderbouwde informatie met betrekking tot de verhandeling van het ras Sorbonne en een aantal andere door Vletter & den Haan aan Van Zanten gelicentieerde rassen.

(...)

4. De beoordeling

(...)

4.4 Tussen partijen staat vast dat vermeerdering van het ras (en andere voorbehouden handelingen; hierna wordt kortheidshalve alleen gesproken over vermeerdering) plaatsvindt in Nieuw Zeeland. Vletter & den Haan heeft gesteld niet te kunnen uitsluiten dat ook in Nederland wordt vermeerderd, maar daarvan blijkt vooralsnog niets. Vletter & den Haan heeft verder niet weersproken dat de vermeerdering in Nieuw Zeeland feitelijk wordt uitgevoerd door Van Zanten Flowerbulbs Ltd.

4.5 Uit de door Vletter & den Haan overgelegde producties blijkt echter voorshands voldoende dat de vermeerdering in Nieuw Zeeland plaatsvindt in opdracht en voor rekening van gedaagde sub 2. Vletter & den Haan heeft in dit verband terecht gewezen op de opgaven van het areaal in Nieuw Zeeland die ieder jaar door gedaagde 2 zijn verstrekt, de correspondentie over eerdere overschrijdingen die is gevoerd steeds met gedaagde sub 2 en de aan gedaagde sub 2 gezonden en betaalde facturen voor de licentievergoeding. Illustratief is bijvoorbeeld de opgave van gedaagde sub 2 van 28 december 2007 waarin gedaagde sub 2 vermeldt: 'In antwoord op je schrijven van 4 december jl. geef ik hierbij onze arealen Nieuw Zeeland 2007/2008'. Voor die vermeerdering is gedaagde sub 1 als partij bij de licentieovereenkomst verantwoordelijk omdat zij gedaagde sub 2 heeft aangewezen als de partij die de licentie zou uitvoeren. De stelling van gedaagden dat zij het niet in hun macht hebben de vermeerdering in Nieuw Zeeland te beëindigen is niet geloofwaardig in aanmerking genomen dat Van Zanten Flowerbulbs Ltd. kennelijk een aan gedaagden gelieerde vennootschap is en dat deze vennootschap het ras in opdracht van gedaagde sub 2 vermeerdert. Dat van Zanten Flowerbulbs Ltd. zelf over een licentie beschikt, is op geen enkele manier aannemelijk gemaakt.

4.6 Gelet op de overtredingen van het maximale areaal in vorige jaren en de opgave aan het MAF is voorshands voldoende aannemelijk dat in seizoen 2007/2008 de maxima wederom zijn overschreden. De verklaring van Van Zanten over de opgave aan het MAF komt ongeloofwaardig voor. Wel blijkt uit deze verklaring dat Van Zanten het hoe dan ook met de waarheid niet zo nauw neemt, hetgeen te meer reden is te twijfelen aan de juistheid van haar opgave van het areaal aan Vletter & den Haan. Vletter & den Haan heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook terecht de licentieovereenkomst wegens herhaalde overschrijding van de maxima kunnen opzeggen.

4.7 Door de beëindiging van de licentieovereenkomst is het Van Zanten niet langer toegestaan het ras te vermeerderen. Voor wat gedaagde sub 1 betreft, volgt de verplichting zich van die handelingen te onthouden al uit artikel 13 van de licentieovereenkomst. Voor gedaagde sub 2 ligt dit anders omdat zij geen partij bij de licentieovereenkomst is. De vermeerdering is ook niet in strijd met het in Nederland verleende kwekersrecht omdat de vermeerdering in Nieuw Zeeland plaatsvindt. Nieuw Zeeland is partij bij het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten van 2 december 1961, herzien te Genève op 10 november 1972 en 23 oktober 1978 (Trb. 1984, 97). Op die grond kan worden aangenomen dat het in Nieuw Zeeland aan Vletter & den Haan verleende kwekersrecht Vletter & den Haan tenminste het recht geeft gedaagde sub 2 te verbieden teeltmateriaal van het ras voor handelsdoeleinden voort te brengen, te koop aan te bieden en te verhandelen (vergelijk artikel 5 lid 1 van dit verdrag).

(...)

4.9 Gezien het voorgaande dient het gevorderde verbod te worden toegewezen als hierna vermeld. Van Zanten heeft niet bestreden dat ook eiseres sub 2 naast eiseres sub 1 gerechtigd is dit verbod te vorderen. De overige vorderingen van Vletter & den Haan, in het bijzonder de vernietiging van al het materiaal van het ras en de gevorderde opgaven, gaan verder dan noodzakelijk is om aan het spoedeisende belang van Vletter & den Haan tegemoet te komen en worden daarom afgewezen. Dat betekent dat het gedaagden zal worden verboden de aan Vletter & den Haan voorbehouden handelingen te verrichten maar dat het verbod niet omvat de verplichting van gedaagden het gewas dat thans op het land staat te vernietigen. De gevorderde dwangsom wordt gematigd en de gevorderde termijn van nakoming ruimer gesteld.

2.6. Artikel 3 onder c van de in het vonnis bedoelde licentieovereenkomst luidt:

Onder plantgoed c.q. plant- / teeltmateriaal wordt in het kader van deze overeenkomst verstaan: bollen in de maat 0 -10. Onder leverbaar c.q. leverbare bollen: maat 10 op (+).

2.7. Bij exploit van 19 september 2008 hebben Vletter & den Haan Van Zanten met verwijzing naar het vonnis van 2 juni 2008 op grond van verbeurde dwangsommen in de periode 5 juli 2008 tot en met 17 september 2008 gesommeerd tot betaling van € 375.000. Om betaling van dit bedrag te verkrijgen hebben Vletter & den Haan vervolgens ten laste van Van Zanten executoriaal derdenbeslag gelegd onder ABN AMRO Bank, Postbank N.V. en Fortis Bank (Nederland) N.V. Op 28 november 2008 hebben Vletter & den Haan aan Van Zanten bij exploit bevel gedaan tot betaling van het bedrag van € 375.000 en een bedrag van € 350.000 aan verbeurde dwangsommen over de periode 18 september 2008 tot en met 26 november 2008. Bij exploit van 19 januari 2009 is bevel tot betaling gedaan van de genoemde bedragen en een bedrag van € 270.000 aan verbeurde dwangsommen over de periode 27 november 2008 tot en met 19 januari 2009.

3. Het geschil

3.1. Van Zanten heeft aangevoerd zich aan het vonnis te hebben gehouden, zodat geen dwangsommen zijn verbeurd. Samengevat voert zij het volgende aan.

3.1.1. De aan Koninklijke Van Zanten en Van Zanten Flowerbulbs B.V. opgelegde geboden zijn verschillend. Het aan Koninklijke Van Zanten opgelegde gebod is uitgebreider dan het aan Van Zanten Flowerbulbs B.V. opgelegde gebod, maar beperkt zich tot handelingen in Nederland. In Nederland worden geen relevante handelingen verricht. Het beperktere gebod met betrekking tot handelingen in Nieuw-Zeeland betreft alleen Van Zanten Flowerbulbs B.V.

3.1.2. In Nieuw-Zeeland hebben geen verboden handelingen plaatsgevonden. In Nieuw-Zeeland bevinden zich nog bollen van het ras Sorbonne in de grond. De voorzieningenrechter heeft uitdrukkelijk overwogen dat het nog aanwezige materiaal niet vernietigd behoefde te worden. Van Zanten Flowerbulbs heeft uitsluitend bollen geëxporteerd die een omvang hebben groter dan 10 centimeter. Bollen van die afmeting moeten worden beschouwd als eindproduct en niet als teeltmateriaal, zoals ook blijkt uit artikel 3 sub c van de in het vonnis van 2 juni 2008 bedoelde licentie-overeenkomst. Het in Nieuw-Zeeland geldende kwekersrecht en het gebod aan Van Zanten Flowerbulbs B.V. strekt zich niet uit over deze bollen.

3.1.3. Bovendien omvat het aan Van Zanten Flowerbulbs B.V. opgelegde verbod niet het exporteren van materiaal.

3.1.4. De naar Japan geëxporteerde bollen zijn ingekocht van een licentienemer, zodat ten aanzien van die bollen het kwekersrecht is uitgeput.

3.1.5 Van Zanten heeft zich derhalve aan de geboden gehouden. Het is aan Vletter & den Haan om het tegendeel aan te tonen. Dat doet Vletter & den Haan niet en zij toont al helemaal niet aan dat de geboden in de periode 5 juli 2008 tot en met 19 januari 2009 iedere dag zijn overtreden. Voorzetting van de executie is onder deze omstandigheden in strijd met eisen van redelijkheid en billijkheid en misbruik van recht.

3.2. Van Zanten vordert, na eisvermeerdering, zakelijk weergegeven:

3.2.1. opheffing van de gelegde derdenbeslagen en schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 2 juni 2008 totdat in een bodemprocedure definitief over de verschuldigheid van dwangsommen is beslist;

3.2.2. subsidiair veroordeling tot opheffing van de beslagen en schorsing van de tenuitvoerlegging;

3.2.3. meer subsidiair maximering van de in het vonnis opgelegde dwangsom tot een bedrag van € 100.000;

het voorgaande met hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot terugbetaling van reeds ingeïncasseerde dwangsommen en met veroordeling van Vletter & den Haan in de volgens 1019h Rv. te begroten proceskosten.

3.3. Vletter & den Haan voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De spoedeisendheid van de gevraagde voorzieningen vloeit voort uit de dreigende verdere executie.

4.2. Van Zanten heeft terecht opgemerkt dat aan Koninklijke Van Zanten een gebod met andere inhoud is opgelegd dan aan Van Zanten Flowerbulbs B.V. In het geval van Koninklijke Van Zanten is het gebod gebaseerd op de licentie-overeenkomst die op Koninklijke Van Zanten is overgegaan. In geval van Van Zanten Flowerbulbs B.V. is dat gebod gebaseerd op het in Nieuw Zeeland geldende kwekersrecht van Vletter & den Haan, voor de omvang waarvan in het vonnis aansluiting is gezocht bij het onder 4.7 genoemde verdrag. De handelingen in Nieuw Zeeland zullen eerst worden onderzocht.

4.3. Gelet op de inhoud van het vonnis ziet het aan Van Zanten Flowerbulbs B.V. opgelegde gebod op teeltmateriaal als bedoeld in het genoemde verdrag. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding aan te nemen dat daaronder niet is te verstaan bollen met een afmeting groter dan 10 centimeter zoals door Van Zanten wordt bepleit. Mogelijk moet worden aangenomen dat geen sprake is van teeltmateriaal indien aan afnemers bollen worden geleverd die naar hun aard niet geschikt of bedoeld zijn om te vermeerderen, maar vooralsnog is niet in te zien dat de geschiktheid of het doel van het materiaal afhangt van de afmeting van de bollen. De definitie die in de licentieovereenkomst van het begrip teeltmateriaal wordt gegeven is niet relevant omdat de omvang van het aan Van Zanten Flowerbulbs B.V. opgelegde gebod op geen enkele manier door die overeenkomst is bepaald.

4.4. Vooralsnog moet dus worden aangenomen dat export van de bollen, ongeacht de afmeting, is strijd is met het opgelegde gebod. De exporthandeling is op zichzelf beschouwd aan te merken als verhandeling en in ieder geval zal daaraan voorafgaande verkoop hebben plaatsgevonden. In dit verband is nog van belang dat Van Zanten niet heeft aangevoerd dat de betreffende verkoopovereenkomsten zijn aangegaan vóór ingang van het gebod.

4.5. Vletter & den Haan hebben zich op het standpunt gesteld dat het gebod in de relevante periode niet alleen is overtreden op een dag dat een exporthandeling heeft plaatsgevonden, maar iedere dag is overtreden omdat alleen al de behandeling van bollen die op het veld staan en het in voorraad houden van bollen voor verkoop als een voorbehouden handeling moet worden aangemerkt. In deze redenering kan niet worden meegegaan omdat in het vonnis uitdrukkelijk is overwogen dat het gebod niet inhoudt de verplichting tot vernietiging van gewas dat op het land staat. Verder kunnen de exporten naar Japan buiten beschouwing blijven omdat de betreffende bollen, naar Van Zanten onweersproken heeft gesteld, zijn ingekocht van een licentiehouder.

4.6. De door Vletter & den Haan als productie 22 overgelegde 'phytosanitary certificates' geven aanleiding om aan te nemen dat in de relevante periode (5 juli 2008 tot en met 17 september 2008) op de navolgende data het gebod is overtreden: 14 juli 2008, 23 juli 2008, 29 juli 2008, 13 augustus 2008, 15 augustus 2008, 20 augustus 2008, 30 augustus 2008, 1 september 2008, 8 september 2008, 9 september 2008, 10 september 2008. In totaal is dan aan dwangsommen verbeurd 11 x € 5.000 = € 55.000. Uit hetgeen in het vonnis onder 4.5 is overwogen volgt dat Van Zanten Flowerbulbs B.V. voor overtreding van het gebod verantwoordelijk wordt gehouden.

4.7. Ook voor Koninklijke Van Zanten geldt dat zij in het vonnis verantwoordelijk is gehouden voor handelingen die in Nieuw Zeeland plaatsvinden door Van Zanten Flowerbulbs Ltd. Die handelingen zijn strijd met het aan haar opgelegde gebod dat een ruimere strekking heeft dan het aan Van Zanten Flowerbulbs B.V. opgelegde gebod. De rechter die het executiegeschil beoordeelt heeft niet tot taak de in het vonnis besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling (vergelijk H.R. 15 november 2002, LJN AE9400). Op de in artikel 3 onder c gegeven definitie van plant- / teeltmateriaal heeft Van Zanten in het eerdere kort geding geen beroep gedaan. Als gevolg kan het opgelegde gebod niet worden uitgelegd aan de hand van de bepaling omdat die bij de formulering van het gebod geen rol heeft gespeeld. Om dezelfde reden is evenmin sprake van een kennelijke misslag in het vonnis. De vraag of het ruime gebod terecht is opgelegd kan aan de orde worden gesteld in een eventueel hoger beroep van het kort geding vonnis of in de bodemprocedure, maar staat in dit executiegeschil niet ter beoordeling.

4.8. Het voorgaande leidt er toe dat de gelegde beslagen dienen te worden opgeheven voor zover deze zijn gelegd om betaling te verkrijgen van in de periode 5 juli 2008 tot en met 17 september 2008 verbeurde dwangsommen voor een hoger bedrag dan in totaal € 55.000. Voor verdere opschorting van de executie van het vonnis bestaat vooralsnog geen reden. De daarin opgelegde geboden blijven onverkort van kracht. Voor zover aan Van Zanten betaling van verbeurde dwangsommen is aangezegd met betrekking tot overtreding van de geboden in de periode na 17 september 2008 heeft Vletter & den Haan daarvoor nog geen beslag gelegd en mag ervan worden uitgegaan dat zij dat slechts zal doen met inachtneming van dit vonnis. Voor het alsnog maximeren van de dwangsommen bestaat geen grond. Van reeds geïncasseerde dwangsommen blijkt niets, zodat ook de daarop gerichte vordering wordt afgewezen.

4.9. Partijen worden ieder deels in het ongelijk gesteld. Om die reden worden de proceskosten gecompenseerd.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

heft op de onder 2.7 vermelde executoriale derdenbeslagen voor zover deze zijn gelegd om betaling te verkrijgen van in de periode 5 juli 2008 tot en met 17 september 2008 verbeurde dwangsommen voor een hoger bedrag dan in totaal € 55.000;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

bepaalt dat partijen elk de eigen proceskosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.G.J. de Heij en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2009.