Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI1729

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-03-2009
Datum publicatie
21-04-2009
Zaaknummer
Awb 08/12070, 08/12071 en 08/12073
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BK5990, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag van Iraanse vluchtelingen die in Nederland bekeerd zijn tot het christendom en ook evangeliseren

WBV 2007/15 ; 3 EVRM

WBV 2007/15 is voor wat betreft artikel 29, onder b, Vw 2000 een voor eiseressen relevante wijziging van het recht.

Eiseressen stellen dat hun geloof met zich brengt dat zij dat geloof dienen uit te dragen, in die zin dat zij anderen – vreemden – moeten vertellen van hun geloof. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van eiseressen verwacht mag worden dat zij daarbij voorzichtigheid betrachten, zodanig dat zij van de zijde van de Iraanse overheid geen problemen zullen (kunnen) ondervinden en voor zover zij zich daar niet aan houden, dat voor hun risico komt. Naar het oordeel van de rechtbank strookt een dergelijk standpunt niet met de – door verweerder ter zitting niet betwiste – omstandigheid dat voor eiseressen bekeringsactiviteiten een wezenlijk onderdeel van hun geloof vormen en voor hen een opdracht zijn. Voorts strookt dat standpunt van verweerder niet met hetgeen verweerder ter zitting heeft meegedeeld, te weten dat verweerder erkent dat onder het algemene recht de aangehangen godsdienst uit te oefenen, ook valt dat iemand openlijk voor zijn of haar geloof moet kunnen uitkomen. Ter zitting heeft verweerder niet betwist dat eiseressen als bekeerde christenen, die van hun geloof moeten getuigen, een risico lopen in Iran, omdat bekeringsactiviteiten in Iran gezien worden als een aanval op het land zelf. Juist te dien aanzien geldt de bescherming van artikel 3 EVRM, zijnde een absoluut en op de toekomst gericht verbod. Anders dan in de bestreden besluiten is overwogen, komt het risico op vervolging door handelingen die uit de bekering van eiseressen voortvloeien niet voor rekening van eiseressen. Deze overweging is in strijd met doel en strekking van artikel 3 EVRM.

Voor zover verweerder het standpunt heeft dat eiseressen niet in aanmerking komen voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw 2000 omdat zij niet overeenkomstig het beleid als neergelegd in WBV 2007/15 al in Iran problemen hebben ondervonden om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging, kan dit standpunt niet slagen. Voornoemd beleid kan namelijk niet de bescherming die eiseressen rechtstreeks aan artikel 3 EVRM ontlenen, beknotten. Het beleid geeft aldus geen exclusieve invulling van de bescherming die aan artikel 3 EVRM kan worden ontleend.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat nu het Iraanse parlement het wetsontwerp waarbij de doodstraf op afvalligheid en blasfemie wordt gesteld, heeft aangenomen, er een reëel risico is voor moslims die zich hebben bekeerd tot het christendom dat bij terugkeer naar Iran de doodstraf althans een onmenselijke bestraffing zal worden opgelegd, ook al is over de bewoordingen van de artikelen 224 en 225 nog geen definitief akkoord bereikt. Naar de huidige stand van zaken is het immers uitsluitend een kwestie van tijd voordat de wet, waarvan over de strekking overeenstemming is bereikt, zal worden ingevoerd. De rechtbank verwijst hierbij tevens naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 17 december 2008, Awb 08/24667 (LJN: BH1385). Ook om die reden is bij terugkomst van eiseressen in Iran naar het oordeel van de rechtbank een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM aanwezig. Beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Rechtbank

Zaaknummers: Awb 08/12070, Awb 08/12071 en Awb 08/12073

Uitspraak in de geschillen tussen:

***

allen van Iraanse nationaliteit,

gemachtigde: mr. A.J. de Boer, advocaat te Sneek,

en

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. C. Tienstra – van der Boom, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van de geschillen

1.1. Op 21 augustus 2006 hebben eisers ieder een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij onderscheiden besluiten van 6 maart 2008, verzonden op 11 maart 2008, afwijzend op de aanvragen beslist.

1.2. Op 7 april 2008 hebben eisers hiertegen beroep ingesteld. Op 29 april 2008 zijn de gronden van de beroepen ingediend. Bij brief van 26 augustus 2008 hebben eisers de gronden van beroep aangevuld en stukken overgelegd.

1.3. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eisers toegezonden en hen in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eisers hebben op 30 oktober 2008 en op 20 november 2008 nadere stukken ingediend.

1.4. De beroepen zijn behandeld ter openbare zitting van 21 november 2008. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Het onderzoek is ter zitting ex artikel 8:64 Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen vragen te beantwoorden.

1.5. Bij brief van 3 december 2008 heeft verweerder de ter zitting voorgelegde vragen beantwoord. Bij brief van 22 december 2008 hebben eisers op genoemde brief van verweerder gereageerd. Na toestemming van partijen voor het afdoen van de zaak zonder nadere behandeling ter zitting, is het onderzoek gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Eiseres 1 heeft eerder, te weten op 21 mei 1997, mede namens eiseres 2 en de toen nog minderjarige dochter Mina (eiseres 3), een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en een vergunning tot verblijf. Eiser heeft eerder op diezelfde datum een zelfde aanvraag ingediend. Bij besluit van 31 oktober 1997 zijn de aanvragen van eiseressen en eiser om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid en evenmin is ingewilligd de aanvraag om een vergunning tot verblijf. Verweerder heeft dit besluit gebaseerd op de vaststelling dat eiseres 1 een van haar echtgenoot afhankelijk asielrelaas heeft en dat de aanvraag van haar man is afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid. De aanvraag om toelating als vluchteling van haar echtgenoot is niet ingewilligd omdat de echtgenoot geenszins aannemelijk heeft gemaakt daadwerkelijk politiek actief te zijn geweest en voor zover de verklaringen dienen te worden gevolgd, de gestelde politieke activiteiten van ondergeschikte aard zijn. Bij besluit van 29 april 1998 is het tegen het besluit 31 oktober 1997 gemaakte bezwaar van eiseres en haar drie minderjarige kinderen ongegrond verklaard. Nu tegen het besluit van 29 april 1998 geen beroep is ingesteld, is het besluit op de aanvragen van 21 mei 1997 in rechte onaantastbaar.

2.2. Eiser heeft vervolgens op 16 januari 2002 nog een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 20 juni 2002 heeft verweerder die aanvraag afgewezen. Nu eiser tegen dat besluit geen beroep heeft ingesteld, staat dat besluit in rechte vast.

2.3. Eiseres 1 (mede namens eiseres 2) en eiseres 3 hebben vervolgens op 8 november 2004 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Die aanvraag hebben zij gebaseerd op hun bekering in Nederland tot het christendom. Ter ondersteuning daarvan hebben eiseressen 1 en 3 een doopakte van 6 april 2003 overgelegd, alsmede een doopakte van de doop op 5 oktober 2003 van eiseres 2. Ook eiser heeft op 8 november 2004 een aanvraag ingediend. Die aanvraag heeft hij gebaseerd op de omstandigheid dat hij een afvallige is van de islam. Bij onderscheiden besluiten van 4 mei 2005 heeft verweerder de aanvragen van eisers afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb, in het geval van eiseressen onder verwijzing naar het besluit van 29 april 1998 en in het geval van eiser onder verwijzing naar het besluit van 20 juni 2002.

Bij uitspraak van 20 januari 2006 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Leeuwarden, de tegen het besluit van 4 mei 2005 ingestelde beroepen van eisers ongegrond verklaard (Awb 05/24379, Awb 05/Awb 05/24383 en Awb 05/24387) en bij uitspraak van dezelfde datum heeft de voorzieningenrechter van genoemde nevenzittingsplaats de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen (Awb 05/24380, Awb 05/24384 en Awb 05/24388). De rechtbank heeft onder meer overwogen dat de religieuze activiteiten die eisers in Nederland hebben ontplooid geen voortzetting zijn van de activiteiten die zij in Iran hebben ondernomen. Derhalve kan de omstandigheid dat eiseressen thans christen zijn en eiser een afvallige is van de islam niet leiden tot het oordeel dat eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het Vluchtelingenverdrag. Wat betreft de vraag of eiseressen bij terugkeer omwille van hun bekering te vrezen zullen hebben voor een door artikel 3 het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verboden handeling, is in de uitspraak overwogen dat de bekeringsactiviteiten buiten beschouwing zullen worden gelaten omdat deze te laat naar voren zijn gebracht. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een reëel risico lopen op schending van artikel 3 EVRM. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat niet is gebleken dat de Iraanse autoriteiten van de bekering en de afvalligheid op de hoogte zijn. Tevens is overwogen dat niet iedere beperking van de mensenrechten per definitie is te beschouwen als een onmenselijke behandeling.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft bij uitspraak van 7 augustus 2006 de uitspraak van 20 januari 2006 bevestigd. Hierdoor zijn ook de besluiten van 4 mei 2005 zijn in rechte onaantastbaar.

2.4. Eiseressen hebben aan hun thans ter beoordeling voorliggende aanvragen van

21 augustus 2006 de volgende documenten ten grondslag gelegd:

1. een brief van 17 augustus 2006 van W.C. Snijdoodt, diaconaal medewerker van het Open Huis te Haarlem

2. een brief van 17 augustus 2006 van J.A. Schouts, ouderling gereformeerde gemeente te Kampen

3. een brief van 18 augustus 2006 van de familie Kattenberg te Kampen.

Voorts heeft eiseres 3 aangegeven te evangeliseren in Iran, via internet.

2.5. Eiser heeft aan zijn thans ter beoordeling voorliggende aanvraag van 21 augustus 2006 ten grondslag gelegd dat hij niet is gedoopt, maar dat hij zich wel bezighoudt met het christelijk geloof en dat zijn familie (zijn moeder en twee zussen) bekeerd is tot het christelijk geloof. Voorts heeft eiser aangegeven dat hij al tien jaar in Nederland is en dat hij niet kan terugkeren naar Iran. Als hij gedwongen zou worden terug te keren naar Iran, zou hij daar problemen krijgen vanwege de bekering van zijn moeder en zussen. Bovendien had eisers vader destijds, voordat het gezin Iran heeft verlaten, problemen in Iran.

2.6. Verweerder heeft bij onderscheiden besluiten van 6 maart 2008 afwijzend op de aanvragen van eiseressen beslist en heeft daartoe het volgende overwogen. Op 13 juli 2007 is door middel van publicatie van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2007/15 een beleidswijziging ten aanzien van Iraanse christenen bekend gemaakt. Verweerder neemt aan dat eiseressen zich bekeerd hebben tot het christendom en zich inzetten binnen diverse (kerk)gemeenschappen. Het betreft echter geen voortzetting van activiteiten die zij reeds in het land van herkomst hadden ontplooid. De stelling dat het goed mogelijk is dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van de bekering van eiseressen, door toedoen van een broer van eiseres 1, is speculatief en niet nader onderbouwd. Ten aanzien van de problemen die eiseressen stellen te zullen ondervinden bij terugkeer naar Iran heeft verweerder het volgende overwogen. In het algemeen ambtsbericht van 12 februari 2008 inzake de positie van onder meer christenen in Iran is de informatie uit de rapporten van het US Department of State en Amnesty International waar in de zienswijze naar is verwezen, betrokken. Uit het ambtsbericht blijkt dat op apostasie (mortad) – ofwel afvalligheid van de islam – volgens de sharia de doodstraf staat. In de Iraanse strafwetgeving echter zijn geen strafbepalingen opgenomen met betrekking tot apostasie. Evenmin zijn in de verslagperiode gevallen bekend waarin vanwege apostasie straffen zijn uitgesproken. De omstandigheid dat eiseressen hun christelijke geloof in Iran niet kunnen belijden op de wijze als in een overwegend christelijk land, vormt op zichzelf geen behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Dat in het ambtsbericht van februari 2008 staat dat sprake kan zijn van belemmerende maatregelen ten aanzien van bekeerlingen die hun geloof openlijk uitdragen, maakt dat niet anders. Nu vast staat dat eiseres 1 nimmer enig probleem heeft ondervonden in Iran, van welke zijde dan ook, staat allerminst vast dat eiseres 1 bij terugkeer naar Iran een behandeling wacht die in strijd is met artikel 3 EVRM. Als eiseressen zich bij terugkeer naar Iran door middel van handelingen die uit hun bekering in Nederland voortkomen in een positie brengen waarin gevaar voor vervolging ontstaat, dient het mogelijk daardoor ontstane risico voor rekening van eiseressen zelf te komen. De enkele stelling dat zij bij terugkeer hun bekeringsactiviteiten zullen voortzetten is onvoldoende om aannemelijk te hebben gemaakt dat zij in de negatieve belangstelling zullen komen te staan van de Iraanse autoriteiten. Voor zover eiseres 3 met de vermelding van het wereldwijd uit te zenden interview met haar stelt dat de Iraanse autoriteiten aldus van haar bekering op de hoogte zullen geraken, wordt overwogen dat dat voor haar eigen rekening en risico komt. Het is niet aanvaardbaar dat een vreemdeling wiens omstandigheden op zichzelf geen enkele aanleiding vormen voor het verlenen van een verblijfsvergunning, door haar handelen of verklaringen afgelegd ten overstaan van de autoriteiten in het land van herkomst een aanspraak op die status in het leven kan roepen. Voor zover eiseressen een beroep doen op hetgeen in het geding van de andere gezinsleden naar voren is gebracht, geldt dat die aanvragen eveneens zijn afgewezen.

2.7. Bij besluit van 6 maart 2008 heeft verweerder afwijzend op de aanvraag van eiser beslist en heeft daartoe als volgt overwogen. Hetgeen in de besluiten op de aanvragen van eiseressen is overwogen, dient in het besluit van eiser als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Eisers stelling dat hij als gezinslid van bekeerde moslims bij terugkeer in zijn land van herkomst gevaar loopt, onderschrijft verweerder niet. Voor zover eiser een beroep doet op hetgeen in het geding van zijn moeder en zijn zussen naar voren is gebracht, geldt dat die aanvragen eveneens zijn afgewezen.

2.8. Eiseressen hebben het volgende aangevoerd. Uit de diverse door hen overgelegde brieven blijkt dat eiseressen christenen zijn met een opdracht, te weten het verkondigen van het evangelie. Zij houden zich al geruime tijd in Nederland bezig met bekeringsactiviteiten, ook ten aanzien van moslims. Eiseres 3 zal in Nederland worden geïnterviewd door een christelijke organisatie voor een programma dat wereldwijd zal worden uitgezonden en dat onder meer in Iran per satelliet kan worden ontvangen. Het is niet onwaarschijnlijk dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van de bekering van eiseressen. De broer van eiseres 1, Gorban Ali Moinia en fanatiek moslim, is op de hoogte van de bekering en heeft die informatie doorgegeven aan familieleden en kennissen in Iran. Binnen de kennissenkring van eiseres 1 in Iran zijn personen werkzaam bij de Iraanse autoriteiten. Hiermee hebben eiseressen individuele aspecten aannemelijk gemaakt die kunnen leiden tot aanname van gegronde vrees in hun specifieke geval. Zij dienen dan ook te worden aangemerkt als vluchteling. Iran bereidt strenge wetgeving voor tegen geloofsafval. De omstandigheid dat op dit moment nog geen strafbepaling zou zijn opgenomen inzake afvalligheid van de islam, betekent niet dat geen enkele dreiging uitgaat van de nieuwe, in voorbereiding zijnde, wetgeving. In ieder geval blijkt uit de plannen hoe de Iraanse autoriteiten aankijken tegen moslims die bekeerd zijn, laat staan hoe zij staan tegenover bekeerde moslims die andere moslims willen bekeren. In WBV 2007/15 wordt bevestigd dat bekeringsactiviteiten verboden zijn in Iran. Repressie, intimidatie en arrestaties van christenen kunnen plaatsvinden als sprake is van actieve bekering van moslims. Verweerder heeft niet weersproken dat eiseres en haar gezin door zullen gaan met hun bekeringsopdracht, ook als zij zouden worden uitgezet naar Iran. Er bestaat een reëel risico dat eiseres en haar gezin in Iran een behandeling te wachten staat als bedoeld in artikel 3 EVRM. Volgens het beleid vraagt de groep Iraanse christenen en bekeerde moslims om bijzondere aandacht en kan die groep met geringe indicaties aannemelijk maken in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. De Iraanse autoriteiten zullen tegen eiseres 1 en haar gezin optreden, zodra zij openlijk bekeringsactiviteiten verrichten. Alsdan zal ten minste sprake zijn van een vorm van discriminatie die een ernstige beperking in de bestaansmogelijkheden impliceert. Eiseressen moeten in staat worden gesteld hun fundamentele mensenrechten, waaronder het belijden en het uitdragen van hun religie, uit te oefenen en mogen daarin niet worden beperkt. Het standpunt van verweerder is in strijd met de brief van de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer van juli 2007 en bovendien in strijd met de in die brief gedane toezegging. Voorts hebben de kamerleden Anker (Christen Unie) en Spekman (Partij van de Arbeid) op 18 maart 2008 aan de Staatssecretaris vragen gesteld over de dreigende uitzetting van een tot het christendom bekeerde Iraanse moslim. Uit het ambtsbericht van 12 februari 2008 blijkt dat er berichten zijn van repressie, bedreigingen, arrestatie en moord op (bekeerde) christenen in Iran. Ook werden evangelische kerken gesloten. Ten onrechte is verweerder in de bestreden besluiten niet ingegaan op het rapport van 15 september 2006 van het US Department of State, het rapport over 2006 van Amnesty International en het rapport uit 2005 van Schweizerische Flüchtlingshilfe. Voorts is verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan op de uitspraken waarnaar in de zienswijze is verwezen, en evenmin op hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht inzake de klemmende redenen van humanitaire aard.

2.9. Eiser heeft in de gronden van beroep verwezen naar hetgeen is aangevoerd in de gedingen van zijn moeder en zussen. Voorts stelt eiser dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht inzake de klemmende redenen van humanitaire aard.

Beoordeling van de beroepen van eiseressen

2.10. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

2.11. Vooropgesteld moet worden dat met de uitspraak van 7 augustus 2006 van de Afdeling in rechte is komen vast te staan dat verweerder op goede gronden heeft besloten dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, Vw 2000. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – onder meer de uitspraak van 8 oktober 2007, AB 2007, 378 – volgt dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het door de Afdeling gehanteerde beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.12. Ten tijde van de besluiten van 4 mei 2005 gold het toentertijd in paragraaf C8/4.4 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) neergelegde asielbeleid ten aanzien van Iran. Daarin was onder meer opgenomen dat tot het christendom bekeerde moslims maatschappelijk redelijk probleemloos kunnen functioneren en op grond van hun bekering geen vervolging hebben te vrezen door de Iraanse overheid. De positie van in Nederland bekeerde moslims die terugkeren naar Iran verschilt niet van hen die in Iran zijn bekeerd. Derhalve is het enkele behoren tot de christelijke geloofsgemeenschap geen reden om vervolging aan te nemen. Blijkens het ambtsbericht zijn er geen signalen van vervolging van personen die bekeren, of worden bekeerd, in Iran. De positie van deze personen blijft echter kwetsbaar, aldus genoemde paragraaf.

2.13. Ten tijde van de thans bestreden besluiten van 6 maart 2008 gold – en thans geldt nog steeds – het in WBV 2007/15 neergelegde beleid (C 24/12.3.7 Vc 2000). In de Toelichting op het WBV staat, voor zover hier van belang, dat op 18 juni 2007 een nieuw ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Iran openbaar is gemaakt, waarin ook op de positie van christen asielzoekers wordt ingegaan. In het WBV zijn de beleidsconclusies op basis van dat ambtsbericht verwerkt.

In het in WBV 2007/15 neergelegde beleid staat, voor zover hier van belang, dat indien een Iraanse moslim is bekeerd tot het christendom, hij te maken kan krijgen met dreigbrieven of dreigtelefoontjes of met problemen met (lokale) overheden. Ook is bekend dat bekeerlingen moeilijkheden hebben ondervonden om rechtsbescherming of beroepsmogelijkheden te zoeken. Wanneer deze personen reeds om andere redenen dan de geloofsovertuiging in de negatieve belangstelling staan, kan de bekering voor de autoriteiten als een verzwarende factor meewegen. Uit het ambtsbericht blijkt dat bekeringsactiviteiten verboden zijn in Iran. Repressie, intimidatie en arrestaties van christenen kunnen plaatsvinden als er sprake is van actieve bekering van moslims. Bij de individuele beoordeling van asielaanvragen wordt uitgegaan van de notie dat Iraanse christen asielzoekers behoren tot een groep die bijzondere aandacht vraagt. Door van dit gegeven uit te gaan, worden minder eisen gesteld ten aanzien van de aannemelijkheid van het individuele asielrelaas. Ten aanzien van Iraanse vreemdelingen die in Nederland zijn bekeerd tot het christendom is C2/2.6 (“Refugiés sur place”) Vc 2000 van toepassing. Voor hen geldt voorts dat zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw 2000 in aanmerking kunnen komen voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wanneer zij aannemelijk maken dat zij bekeerd zijn en dat zij al problemen hebben ondervonden om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging, die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel te verlenen.

In de brief van 21 oktober 2008 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Vergaderjaar 2008-2009, 19 637, nr. 1231) heeft verweerder een nadere toelichting gegeven op voormeld beleid. In de brief van 21 oktober 2008 is aangegeven dat de notie dat Iraanse christenen behoren tot een groep die bijzondere aandacht vraagt, niet alleen geldt voor asielzoekers die in Iran al christen waren, maar ook geldt voor Iraanse christenen die in Nederland christen zijn geworden. Beide groepen worden, voor zover als mogelijk, gelijk behandeld.

2.14. Voor zover in WBV 2007/15 is verwezen naar C2/2.6 Vc 2000, geldt dat die verwijzing ziet op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. Genoemde paragraaf betreft immers de vraag wanneer sprake is van gegronde vrees voor vervolging en betreft bestaand beleid, zodat voor wat betreft artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 geen sprake is van een voor eiseressen relevante wijziging van het recht. Met de eerder genoemde uitspraak van 20 januari 2006 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Leeuwarden, staat in rechte vast dat niet is voldaan aan het in C2/2.6 Vc 2000 vermelde continuïteitsvereiste.

2.15. Voor zover de aanvraag van eiseressen ziet op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 overweegt de rechtbank dat het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard geen verband houdt met de redenen van vertrek uit Iran. Derhalve staat op voorhand vast dat bedoeld beroep niet kan afdoen aan de in rechte vaststaande besluiten.

2.16. Voor zover de aanvragen zien op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000, is wel sprake is van een wijziging van het recht. Uit WBV 2007/15 blijkt immers van beleidsconsequenties op basis van het ambtsbericht van 18 juni 2007 ten opzichte van het eerdere beleid, dat gold ten tijde van de besluiten van 4 mei 2005 en voorts van een andere beoordeling van de positie van Iraanse vreemdelingen, die zich in Nederland hebben bekeerd tot het christendom. De wijziging van het recht is ook voor eiseressen relevant, nu de herkomst van eiseressen uit Iran vast staat – hetgeen ter zitting door verweerder is bevestigd – en niet in geding is dat zij (in Nederland) bekeerd zijn tot het christendom. Dit betekent dat het hiervoor aangehaalde beoordelingskader van de Afdeling niet in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van de bestreden besluiten – voor zover deze zien op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 –, als ware het eerste afwijzingen.

2.17. Eiseressen stellen dat hun geloof met zich brengt dat zij dat geloof dienen uit te dragen, in die zin dat zij anderen – vreemden – moeten vertellen van hun geloof. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van eiseressen verwacht mag worden dat zij daarbij voorzichtigheid betrachten, zodanig dat zij van de zijde van de Iraanse overheid geen problemen zullen (kunnen) ondervinden en voor zover zij zich daar niet aan houden, dat voor hun risico komt. Naar het oordeel van de rechtbank strookt een dergelijk standpunt niet met de – door verweerder ter zitting niet betwiste – omstandigheid dat voor eiseressen bekeringsactiviteiten een wezenlijk onderdeel van hun geloof vormen en voor hen een opdracht zijn. Voorts strookt dat standpunt van verweerder niet met hetgeen verweerder ter zitting heeft meegedeeld, te weten dat verweerder erkent dat onder het algemene recht de aangehangen godsdienst uit te oefenen, ook valt dat iemand openlijk voor zijn of haar geloof moet kunnen uitkomen. Ter zitting heeft verweerder niet betwist dat eiseressen als bekeerde christenen, die van hun geloof moeten getuigen, een risico lopen in Iran, omdat bekeringsactiviteiten in Iran gezien worden als een aanval op het land zelf. Juist te dien aanzien geldt de bescherming van artikel 3 EVRM, zijnde een absoluut en op de toekomst gericht verbod. Anders dan in de bestreden besluiten is overwogen, komt het risico op vervolging door handelingen die uit de bekering van eiseressen voortvloeien niet voor rekening van eiseressen. Deze overweging is in strijd met doel en strekking van artikel 3 EVRM.

Daar komt bij dat, ook in het geval eiseressen voorzichtigheid zouden kunnen betrachten bij het uitdragen van hun geloof, verweerder niet heeft gemotiveerd waarom zij dan geen reëel risico op schending van artikel 3 EVRM zouden lopen.

Voor zover verweerder het standpunt heeft dat eiseressen niet in aanmerking komen voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw 2000 omdat zij niet overeenkomstig het beleid als neergelegd in WBV 2007/15 al in Iran problemen hebben ondervonden om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging, kan dit standpunt niet slagen. Voornoemd beleid kan namelijk niet de bescherming die eiseressen rechtstreeks aan artikel 3 EVRM ontlenen, beknotten. Het beleid geeft aldus geen exclusieve invulling van de bescherming die aan artikel 3 EVRM kan worden ontleend.

De bestreden besluiten berusten in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

2.18. Op grond van artikel 83, derde lid, Vw 2000 heeft de rechtbank bij brief van

24 november 2008 aan verweerder de vraag voorgelegd of verweerder in de omstandigheid dat het wetsontwerp tot wijziging van het wetboek van Strafrecht in Iran op 9 september 2008 door het Iraanse parlement is aangenomen, waarbij de doodstraf op afvalligheid is gesteld, aanleiding ziet voor handhaving, wijziging of intrekking van de bestreden besluiten. Bij brief van 3 december 2008 heeft verweerder meegedeeld de bestreden besluiten te handhaven.

In eerder genoemde brief van 21 oktober 2008 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal heeft verweerder opgenomen dat ook de in het ambtsbericht van 22 juli 2008 van de minister van Buitenlandse Zaken beschreven omstandigheid dat door de Iraanse president een wetsontwerp tot wijziging van het wetboek van Strafrecht aan het parlement ter goedkeuring is voorgelegd, bij de beleidsvorming is betrokken. Verweerder heeft het niet geïndiceerd geacht vooruit te lopen op onzekere gebeurtenissen. De informatie geeft verweerder, aldus genoemde brief, wel aanleiding om de ontwikkelingen in Iran nauwlettend te blijven volgen. In reactie op de vraag te dien aanzien van de rechtbank heeft verweerder bij brief van 3 december 2008 meegedeeld dat ruggespraak met de Nederlandse ambassade in Teheran heeft opgeleverd dat de formulering in de brief van 21 oktober 2008, te weten dat de wijziging van het wetboek van Strafrecht aan het Iraanse parlement ter goedkeuring is voorgelegd, nog steeds de juiste formulering is. Ter toelichting hierop heeft verweerder meegedeeld dat het Iraanse parlement weliswaar heeft aangegeven in principe akkoord te gaan met de voorgestelde wetswijziging, maar dat over de bewoordingen van de bewuste artikelen 224 en 225 van het Iraanse wetboek van Strafrecht nog geen akkoord is bereikt en dat de discussie daarover in het Iraanse parlement nog moet plaatsvinden. Formeel heeft, aldus verweerder, dan ook nog geen goedkeuring van de tekst plaatsgevonden. Verweerder heeft voorts verwezen naar de ter zitting overgelegde brief van 5 november 2008, gericht aan deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle. In die brief staat hetzelfde als in de brief van 3 december 2008, met dien verstande dat daaraan is toegevoegd dat gezien de stand van zaken met betrekking tot de voorgenomen wijziging van het wetboek van Strafrecht, verweerder niet toekomt aan de beantwoording van de vraag of de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM door invoering van de doodstraf op afvalligheid in het Iraanse wetboek van strafrecht.

2.19. Volgens de tekst van het wetsontwerp, zoals dat in Engelse vertaling als bijlage bij het ambtsbericht van 22 juli 2008 is gevoegd, is elke moslim die duidelijk verklaart dat hij of zij de Islam heeft verlaten en blasfemie verklaart, een afvallige. Onderscheid wordt vervolgens gemaakt tussen afvalligen van wie de ouder(s) al dan niet moslim waren. In beide gevallen staat op afvalligheid de doodstraf. Voor vrouwen is de bestraffing levenslange gevangenisstraf onder verzwaarde omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat nu het Iraanse parlement het wetsontwerp heeft aangenomen, er een reëel risico is voor moslims die zich hebben bekeerd tot het christendom dat bij terugkeer naar Iran de doodstraf althans een onmenselijke bestraffing zal worden opgelegd, ook al is over de bewoordingen van de artikelen 224 en 225 nog geen definitief akkoord bereikt. Naar de huidige stand van zaken is het immers uitsluitend een kwestie van tijd voordat de wet, waarvan over de strekking overeenstemming is bereikt, zal worden ingevoerd. De rechtbank verwijst hierbij tevens naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 17 december 2008, Awb 08/24667 (LJN: BH1385). Ook om die reden is bij terugkomst van eiseressen in Iran naar het oordeel van de rechtbank een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM aanwezig.

2.20. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met het in artikel 3:2 Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel en het in artikel 3:46 Awb neergelegde motiveringsbeginsel. De ten aanzien van eiseressen genomen besluiten van 6 maart 2008 dienen dan ook te worden vernietigd en de beroepen dienen gegrond te worden verklaard. Aan bespreking van de overige gronden van beroep komt de rechtbank niet toe.

Beoordeling van het beroep van eiser

2.21. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling die als partner of als meerderjarig kind zodanig afhankelijk is van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, dat hij om die reden behoort tot het gezin van deze vreemdeling, die dezelfde nationaliteit heeft als deze vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 is verleend.

2.22. Anders dan geldt voor eiseressen, is ten aanzien van de aanvraag van eiser geen sprake van een voor hem relevante wijziging van het recht, nu eiser niet is bekeerd tot het christendom en hij derhalve niet onder de reikwijdte van WBV 2007/15 valt. Het hiervoor genoemde door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gehanteerde beoordelingskader staat hierdoor aan toetsing van het bestreden besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, in de weg. Voor zover eiser echter verzoekt om een van eiseres 1 afhankelijke verblijfsvergunning, gaat de rechtbank ervan uit dat voormeld beoordelingskader niet in de weg staat aan toetsing van het bestreden besluit als een eerste aanvraag. Gelet op de vernietiging van de ten aanzien van eiseressen genomen besluiten van 6 maart 2008 van verweerder, komt gezien artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f, Vw 2000 ook het besluit van verweerder van 6 maart 2008 ten aanzien van eiser voor vernietiging in aanmerking. Het beroep van eiser is gegrond.

Proceskosten

2.23. Voor veroordeling, overeenkomstig artikel 8:75, eerste lid, Awb van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat thans aanleiding. Ingevolge artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden samenhangende zaken, voor zover het kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand betreft, beschouwd als één zaak. Het bedrag van de te vergoeden proceskosten moet naar het oordeel van de rechtbank worden bepaald op € 644,- ( 1 punt voor het indienen van het beroepschrift in alle zaken en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in alle zaken).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 6 maart 2008;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na heden opnieuw op de aanvragen van

eisers dient te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is

overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- en bepaalt dat verweerder, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon, deze kosten aan eisers dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van H.M. Eleveld als griffier op 9 maart 2009.

de griffier de rechter

Tegen de uitspraak in de bodemzaak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: