Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI1492

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-04-2009
Datum publicatie
17-04-2009
Zaaknummer
09/611609-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Door onverantwoordelijk rijgedrag van verdachte heeft hij een fietser aangereden, die daardoor ernstige verwondingen heeft opgelopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/611609-08

Datum uitspraak: 17 april 2009

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 3 april 2009.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A. van Eijkeren, advocaat te Naaldwijk, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. Robert heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 06 april 2008 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto),

daarmede rijdende over de weg, de Oudeweg zich zodanig heeft gedragen dat een

aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,

in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als

volgt te handelen:

hij, verdachte aldaar,

- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen, immers werd zijn zicht

(ernstig) belemmerd door de (laagstaande) zon en/of (vervolgens)

- bij het afslaan naar links, teneinde de Ds C Spoorlaan in te rijden, de

bocht te krap heeft genomen, althans niet voldoende rechts heeft gereden,

waardoor hij op de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen

tengevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig tegen een op die rijbaan (voor

de kruising) stilstaande fietser is gebotst, waardoor een ander (genaamd

[slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten tibiaplateaufractuur en/of

een (aantal) gebroken rib(ben) en/of een polsfractuur en/of beschadigde

tanden, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke

ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 april 2008 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, als

bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Oudeweg,

als volgt heeft gehandeld:

hij, verdachte aldaar,

- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen, immers werd zijn zicht

(ernstig) belemmerd door de (laagstaande) zon en/of (vervolgens)

- bij het afslaan naar links, teneinde de Ds C Spoorlaan in te rijden, de

bocht te krap heeft genomen, althans niet voldoende rechts heeft gereden,

waardoor hij op de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen

tengevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig tegen een op die rijbaan (voor

de kruising) stilstaande fietser is gebotst, waardoor een ander (genaamd

[slachtoffer]) letsel heeft bekomen, door welke gedraging(en) van verdachte

gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het

verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

Op 6 april 2008 omstreeks 09:00 uur heeft op de T-kruising van de Oudeweg en de Ds C. Spoorlaan te Nootdorp een aanrijding plaatsgevonden tussen een door verdachte bestuurde personenauto en een fietser. Omtrent de toedracht van deze aanrijding staat in elk geval vast dat verdachte vanaf de Molenweg de Oudeweg is opgereden en vervolgens ter hoogte van de Ds C. Spoorlaan linksaf is geslagen teneinde zijn weg via deze straat te vervolgen. Bij het inrijden van de Ds C. Spoorlaan is hij vervolgens tegen de fietser, [slachtoffer], gebotst. [slachtoffer] stond op dat moment met de fiets tussen de benen en een hond aan de lijn stil op de Ds Spoorlaan om het verkeer op de Oudeweg voorrang te verlenen. [slachtoffer] heeft als gevolg van de aanrijding ernstig letsel opgelopen, onder meer bestaande uit een gebroken knie, een gebroken pols en enkele gebroken ribben. Aan verdachte wordt kort gezegd verweten dat dit ongeval aan zijn schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is geweest.

De rechtbank stelt voorop dat het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aankomt op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij in de bocht, die hij met zijn auto nam, een vrouw heeft horen roepen "Stoppen", maar dat hij niets heeft gezien, vermoedelijk door de laaghangende zon. Getuige [getuige], die voor verdachte in dezelfde richting over de Oudeweg reed, heeft evenwel verklaard dat zij op de kruising van de Oudeweg en de Ds. C. Spoorlaan een vrouw met een fiets en een hond heeft zien staan. Zij heeft voorts verklaard dat de zon weliswaar laag stond, maar dat deze vrouw goed zichtbaar stond opgesteld voor de haaientanden. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte [slachtoffer], toen hij over de Oudeweg de kruising naderde en de Ds C. Spoorlaan wilde inrijden, ondanks de laagstaande zon, had kunnen en ook had moeten opmerken. Verdachte heeft echter verklaard de vrouw helemaal niet te hebben gezien, hetgeen ook strookt met de verklaring van [slachtoffer] die heeft verklaard dat verdachte haar recht aankeek, maar daarbij keek alsof hij diep in gedachten zat. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat verdachte zich bij het naderen en inrijden niet heeft vergewist van de aanwezigheid van verkeer op de Ds Spoorlaan, hoewel van hem, gezien de laagstaande zon, op dit punt juist extra voorzichtigheid mocht worden gevergd.

Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte bij het inrijden van de Ds Spoorlaan op de verkeerde weghelft terecht is gekomen doordat hij de bocht te krap heeft genomen. Dit volgt in de eerste plaats uit de verklaring van de getuige [getuige], die heeft verklaard dat de fietser op het voor haar bestemde gedeelte van de rijbaan stond opgesteld, ongeveer een meter vanaf het midden. Zij bevestigt daarmee de lezing van [slachtoffer], die heeft verklaard dat zij stilstond voor de ter plaatse aangebrachte haaientanden, op het midden van de, voor haar, rechterrijstrook en dat verdachte de bocht veel te kort nam, haar recht aankeek maar haar niet leek te zien en haar vervolgens frontaal aanreed.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aanrijding, zoals ook aan hem tenlaste is gelegd, aan (ten minste) twee verkeersfouten van verdachte te wijten is geweest. Gelet op de aard en de ernst van deze verkeersfouten en de omstandigheden waaronder verdachte deze heeft begaan, moet het rijgedrag van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend worden gekwalificeerd, zodat hij schuld heeft in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het op de dagvaarding onder het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, dat:

hij op 06 april 2008 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de Oudeweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, als volgt te handelen:

hij, verdachte aldaar,

- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen, immers werd zijn zicht ernstig belemmerd door de laagstaande zon en

- bij het afslaan naar links, teneinde de Ds C Spoorlaan in te rijden, de bocht te krap heeft genomen,waardoor hij op de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen

tengevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig tegen een op die rijbaan voor de kruising stilstaande fietser is gebotst, waardoor een ander genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten tibiaplateaufractuur en een aantal gebroken ribben en een polsfractuur en beschadigde tanden is toegebracht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Door onverantwoordelijk rijgedrag van verdachte heeft hij een fietser aangereden, die daardoor ernstige verwondingen heeft opgelopen. Uit de schriftelijke verklaring van het slachtoffer blijkt dat het ongeval voor haar vergaande gevolgen heeft gehad en nog steeds heeft. Zij is door het ongeval en het daarbij opgelopen letsel op velerlei gebied in haar doen en laten beperkt geraakt. Na een langdurige revalidatie aan haar knie ervaart zij nog dagelijks beperkingen als gevolg van haar knieverwonding. Zij kan niet zonder extra inspanning traplopen. Tevens heeft het slachtoffer verklaard niet meer te kunnen hardlopen, wat zij voor het ongeval regelmatig deed. Zij voelt dat door het ongeval de kwaliteit van haar leven is verminderd door de lichamelijke beperkingen die zij ervaart.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitieel Documentatieregister d.d. 13 maart 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank houdt hiermee in het voordeel van verdachte rekening mee.

Uit de houding van verdachte ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat het gebeurde grote indruk op hem heeft gemaakt. Tevens heeft de verdachte na het ongeluk het nodige gedaan om zijn spijt aan het slachtoffer te betuigen en om op de hoogte te blijven van haar revalidatie. Ook dit dient in het voordeel van verdachte te worden meegewogen.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een werkstraf van na te noemen duur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden is.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een werkstraf voor de duur van 40 uren;

bepaalt dat de werkstraf bij gebreke van uitvoering zal worden vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 dagen;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden;

bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Van Dorp, voorzitter,

Meskers en Van Maurik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Bouda, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 april 2009.

Mrs. Van Maurik en Van Dorp en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.