Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI1398

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
AWB 07/8566 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenvatting:

Schoolgeld voor een particuliere school waar zoon heengaat vanwege PDD-NOS vormt geen buitengewone uitgaven in de zin van art. 6.17 Wet IB 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0903
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/8566 IB/PVV

Uitspraakdatum: 24 maart 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 8 oktober 2007 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres voor het jaar 2004 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.033.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 10 maart 2009.

Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. [A]. Namens verweerder is verschenen [B].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1 Eiseres heeft in haar aangifte inkomstenbelasting 2004 een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 18.372. Zij heeft een persoonsgebonden aftrek berekend van € 17.790. Daarbij heeft zij onder meer een bedrag aan schoolgeld van € 16.881 in aftrek gebracht als buitengewone uitgaven wegens ziekte of invaliditeit. Het schoolgeld betreft onderwijs aan haar zoon [C], geboren op [datum] 1990 (hierna: de zoon).

2.2 Verweerder heeft 25% van het schoolgeld, dat wil zeggen een bedrag van € 4.220, in aftrek toegelaten en heeft de persoonsgebonden aftrek met € 12.661 gecorrigeerd naar € 5.129. De aanslag inkomstenbelasting met dagtekening 9 juni 2007 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.033.

2.3 Eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend dat op 19 juli 2007 door verweerder is ontvangen. Verweerder heeft de aanslag bij uitspraak op bezwaar van 8 oktober 2007 gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld bij brief van 14 november 2007, ontvangen door de rechtbank op 15 november 2007.

2.4 De zoon heeft een aandoening die wordt aangeduid als PDD-NOS (pervasive developmental disorder - not otherwise specified, of in het Nederlands: pervasieve ontwikkelingsstoornis, niet anderszins omschreven). In verband daarmee heeft een Commissie voor Indicatiestelling (hierna: CvI) beoordeeld of de zoon voor zogenoemde leerlinggebonden financiering in aanmerking komt. De CvI heeft een indicatiestelling afgegeven, hetgeen - kort gezegd - inhoudt dat de ouders/verzorgers een keuze kunnen maken tussen - gesubsidieerd - speciaal onderwijs of regulier onderwijs met een zogenoemde rugzak.

2.5 Ter zitting is komen vast te staan dat eiseres van die indicatiestelling geen gebruik heeft gemaakt, maar voor de zoon heeft gekozen voor regulier onderwijs zonder leerlinggebonden financiering.

2.6 De zoon bezoekt in 2004 het Junior College van de particuliere school voor VMBO, HAVO en VWO Stebo te Den Haag. Op deze school wordt gewerkt met groepen van maximaal twaalf leerlingen, zodat er veel ruimte is voor individuele begeleiding en waardoor eventuele kennis- en vaardigheidsachterstanden van een leerling snel kunnen worden gesignaleerd. De zoon heeft inmiddels zijn HAVO-diploma behaald.

2.7 Op schriftelijke vragen van verweerder heeft Stebo in een brief van 26 maart 2007 verklaard dat de zoon enkele uren remedial teaching per week ontvangt waarvan de weerslag te vinden is in de verschillende vaklessen. Daarnaast ontvangt de zoon op Stebo geen medische of paramedische behandeling.

2.8 In geschil is de toepassing van artikel 6.17 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) op de uitgaven voor het onderwijs van de zoon in de vorm van het schoolgeld. Eiseres stelt dat alle uitgaven voor het onderwijs van haar zoon op grond van deze bepaling in aftrek dienen te komen. Verweerder neemt, in afwijking van de uitspraak op bezwaar, het standpunt in dat in beginsel niets aftrekbaar is.

2.9 Volgens artikel 6.16 van de Wet zijn uitgaven wegens ziekte of invaliditeit van de belastingplichtige, diens partner en diens kinderen jonger dan 27 jaar, aftrekbaar als buitengewone uitgaven. In artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet wordt opgesomd welke uitgaven als uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling worden aangemerkt. Daarin is onder meer bepaald dat uitgaven voor genees-, heel- of verloskundige hulp daartoe gerekend worden. Het schoolgeld kan dus als uitgaven wegens ziekte of invaliditeit in aftrek worden gebracht wanneer het (mede) is aan te merken als uitgaven voor geneeskundige of heelkundige hulp.

2.10 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 15 oktober 1997, nr. 32.615, BNB 1997/392, bepaald dat de opvatting dat kosten van het volgen van onderwijs in kleine groepen onder begeleiding van leerkrachten die zich mede hebben bekwaamd in remedial teaching reeds wanneer sprake is van een zekere vorm van invaliditeit als uitgaven ter zake van ziekte moeten worden beschouwd, niet als juist kan worden aanvaard.

Eiseres maakt met hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk dat haar situatie in betekenende mate afwijkt van die in het genoemde arrest en evenmin dat in het schoolgeld een medische of paramedische component is begrepen. In dat verband wijst de rechtbank erop dat het Hof 's-Gravenhage in zijn door verweerder overgelegde uitspraak van 20 januari 2005, nummer 04/00708, reeds heeft beslist ten aanzien van eveneens een leerling van Stebo dat het aan Stebo betaalde schoolgeld niet als uitgave voor ziekte kan worden aangemerkt.

De rechtbank ziet daarom geen reden om de uitgaven voor onderwijs van de zoon op Stebo voor een hoger bedrag als uitgave wegens ziekte of invaliditeit in aanmerking te nemen dan verweerder reeds heeft gedaan. De aanslag is met dat laatste eerder te laag dan te hoog.

2.11 Eiseres beroept zich tevens op artikel 28 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind en artikel 24 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, evenwel zonder die stelling nader te onderbouwen. Wat daarvan ook zij, de bepalingen van de verdragen waarop eiser zich beroept, verplichten verweerder niet om bij de belastingheffing van eiser met de belangen van de zoon in verdergaande mate rekening te houden dan hij reeds op grond van de Wet moet doen.

2.12 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet het beroep ongegrond worden verklaard.

2.13 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus vastgesteld door mr. J.W. van der Voort, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.J.M. Reniers. Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2009.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.