Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI1391

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
AWB 07/9362 VORHEF AWB 07/9367 VORHEF
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verontreinigingsheffing

Eiseres exploiteert een distilleerderij. Verweerder heeft na 1 januari 2001 (begunstigend) beleid gevoerd door bij het vaststellen van de aanslagen rekening te houden met een door eiser aangegeven hoeveelheid ingenomen/gebruikt water. Eiseres mocht hieraan het rechtens te honoreren vertrouwen ontlenen dat verweerder ook bij de aanslagregeling over de jaren 2004 en 2005 de aftrek in aanmerking zou nemen. De beëindiging van dit beleid, bij brief aan eiseres bekend gemaakt eind 2005, kan het bij eiseres gewekte vertrouwen niet met terugwerkende kracht wegnemen. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/861 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0916
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 07/9362 VORHEF AWB 07/9367 VORHEF

Uitspraakdatum: 10 maart 2009

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

en

de heffingsambtenaar van het Hoogheemraadschap [te P], verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres voor de jaren 2004 en 2005 definitieve aanslagen in de verontreinigingsheffing opgelegd, met de aanslagnummers [nummer 1] en [nummer 2] (hierna: de aanslagen).

1.2. Verweerder heeft bij uitspraken van 31 oktober 2007 de bezwaarschriften tegen de aanslagen niet ontvankelijk verklaard.

1.3. Eiseres heeft tegen die uitspraken bij brieven van 10 december 2007, bij de rechtbank ontvangen op 12 december 2007, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en in beide zaken een verweerschrift overgelegd. Voorts heeft verweerder bij brief van 29 mei 2008 een kopie van de Verordening Verontreinigingsheffing Delfland 2001 aan de rechtbank gezonden.

1.5. Het eerste onderzoek ter zitting heeft op 5 juni 2008 plaatsgevonden. De zaken met nummers 07/9362 en 07/9367 zijn, met toestemming van partijen, gevoegd behandeld. Namens eiseres is verschenen drs. [A]. Namens verweerder zijn verschenen [B] en drs. [C]. Het tweede onderzoek ter zitting heeft op 27 januari 2009 plaatsgevonden. De zaken met nummers AWB 07/9362 en AWB 07/9367 zijn wederom, met toestemming van partijen, gevoegd behandeld. Namens eiseres is verschenen drs. [A]. Namens verweerder zijn verschenen [B] en

drs. [C].

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zittingen van 5 juni 2008 en 27 januari 2009 staat het volgende vast:

2.1. Eiseres exploiteert een distilleerderij. De aanslagen hebben betrekking op het gedeelte van haar bedrijf dat zij uitoefent aan de [adres] (hierna: de bedrijfsruimte).

2.2. In haar aangifte voor het jaar 2004 voor de bedrijfsruimte heeft eiseres in de rubriek "Aard en hoeveelheid ingenomen/gebruikt water", voor zover hier van belang, de volgende gegevens vermeld:

Ingenomen drinkwater: 3.841 m3

Aftrek niet geloosd water: 1.648 m3

Totale hoeveelheid gebruikt water: 1.911 m3

In de aangifte voor het jaar 2005 voor de bedrijfsruimte heeft eiseres in de rubriek "Aard en hoeveelheid ingenomen/gebruikt water", voor zover hier van belang, de volgende gegevens vermeld:

Ingenomen drinkwater: 4.014 m3

Aftrek niet geloosd water: 1.672 m3

Totale hoeveelheid gebruikt water: 2.060 m3

2.3. De aanslag voor het jaar 2004 is opgelegd naar een vervuilingswaarde van 127,7 vervuilingseenheden, resulterend in een te betalen bedrag van € 7.662. De aanslag over het jaar 2005 is opgelegd naar een vervuilingswaarde van 126,2 vervuilingseenheden, resulterend in een te betalen bedrag van € 7.950,60. Bij het vaststellen van deze aanslagen heeft verweerder geen rekening gehouden met de in de aangiften vermelde aftrek voor niet geloosd water.

2.4. Bij brief van 31 december 2005 heeft verweerder onder meer het volgende aan eiseres geschreven:

Wijziging van de berekeningsmethodiek

Met ingang van 1 januari 2001 is de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) gewijzigd. Over deze wijzigingen bent u per brief van 15 januari 2001 reeds geïnformeerd. (...) De wijzigingen in de berekeningssystematiek betrof het niet meer accepteren van de aftrek voor opgenomen water in het product. De mogelijkheid om niet geloosd koelwater of niet verontreinigd geloosd koelwater af te trekken van het ingenomen water is nog wel van toepassing, mits aangetoond door middel van meterstanden.

Wat betekent dit voor u

(...)

De aanslag verontreinigingsheffing die aan uw bedrijf voor 2001 t/m 2003 is opgelegd is gebaseerd op klasse 9 echter de aftrek voor opname in het product is nog wel gehonoreerd. Vanaf het heffingsjaar 2004 zal deze aftrek niet meer worden toegepast. (...)

3 Geschil

3.1. In geschil is of:

a) bij de bepaling van het aantal vervuilingeenheden de hoeveelheid ingenomen water dient te worden verminderd met de hoeveelheid niet geloosd - in het product opgenomen - water;

b) verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld; en

c) verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.

3.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de aanslagen tot aanslagen berekend naar een vervuilingswaarde van 70,2 vervuilingseenheden voor het jaar 2004 en 74,9 vervuilings-eenheden voor het jaar 2005.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

3.4. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4 Beoordeling van het geschil

De ontvankelijkheid van de bezwaren

4.1. De dagtekening van de aanslagen is 30 april 2007. Ingevolge het bepaalde in artikel 22j, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen voor de dag van bekendmaking. Gesteld noch gebleken is dat dit het geval is. Gelet hierop eindigde de bezwaartermijn op 11 juni 2007.

4.2. Verweerder heeft de bezwaarschriften van eiseres op 13 juni 2007 ontvangen. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4.3.Verweerder heeft bij brieven van 24 januari 2008 de rechtbank bericht dat hij het aannemelijk acht dat de bezwaarschriften vóór 12 juni 2007 ter post zijn bezorgd.

4.4. Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding de zaken terug te wijzen naar verweerder. Zij zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in die zaken voorzien.

De aftrek van ingenomen, niet geloosd water

4.5. Beide partijen zijn van mening dat het aantal vervuilingseenheden dient te worden bepaald aan de hand van artikel 22 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: WVO), gelezen in samenhang met artikel 2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water (hierna: de regeling voor tabelbedrijven). De rechtbank sluit zich aan bij deze gemeenschappelijke opvatting van partijen, nu deze niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. In artikel 22 van de WVO is, voor zover hier van belang, bepaald dat voor bedrijfsruimten waarvoor het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik 1000 of minder bedraagt, in de in het eerste lid genoemde gevallen het aantal vervuilingseenheden wordt bepaald aan de hand van formule A x B, waarin A is het aantal kubieke meters in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte ingenomen water en B is de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in het derde lid opgenomen tabel binnen de grenzen waarvan de vervuilingswaarde van de bedrijfsruimte is gelegen. In het tweede lid is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld voor de bepaling van de zo-even genoemde vervuilingswaarde. Op grond van dit tweede lid is de regeling voor tabelbedrijven vastgesteld. In de tabel, opgenomen in artikel 2 van deze regeling (hierna: de indelingstabel), is, voor zover hier van belang, bepaald dat, indien de bedrijfsruimte de bedrijfscategorie "Distilleerderijen/bottelarijen" betreft, de vervuilingswaarde per kubieke meter ingenomen water 0,036 bedraagt. In een voetnoot onder de indelingstabel staat dat voor afvalwater afkomstig van de persoonlijke verzorging van werknemers werkzaam in (ondermeer) distilleerderijen en bottelarijen, de vervuilingswaarde per kubieke meter 0,023 bedraagt.

4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de bedrijfsruimte voor de toepassing van de indelingstabel behoort tot de bedrijfscategorie "Distilleerderijen/bottelarijen". De rechtbank maakt deze gemeenschappelijke opvatting van partijen tot de hare. Dit brengt mee dat de bedrijfsruimte (behoudens voor afvalwater afkomstig van de persoonlijke verzorging van werknemers) valt in klasse 9 van de in artikel 22, derde lid, van de WVO opgenomen tabel (hierna: de klassentabel). De bij klasse 9 behorende afvalwatercoëfficiënt, uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden per kubieke meter ingenomen water in het heffingsjaar, bedraagt 0,036. Voor afvalwater afkomstig van de persoonlijke verzorging van werknemers valt de bedrijfsruimte in klasse 8 van de klassentabel. De daarbij behorende afwatercoëfficiënt, uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden per kubieke meter ingenomen water in het heffingsjaar, bedraagt 0,023.

4.7. In de regeling voor tabelbedrijven is er niet in voorzien dat de hoeveelheid door de bedrijfsruimte ingenomen water, voordat deze op de voet van de onder 4.5 genoemde formule wordt vermenigvuldigd met de afvalwatercoëfficiënt, dient te worden verminderd met de hoeveelheid door de bedrijfsruimte ingenomen, maar niet geloosd water. Ook uit doel en strekking van de regeling voor tabelbedrijven volgt niet dat een dergelijke vermindering zou moeten plaatsvinden. Het forfaitaire karakter van de regeling staat daaraan naar het oordeel van de rechtbank in de weg. Mitsdien vindt de door eiseres voorgestane vermindering van het aantal kubieke meters ingenomen water met het aantal kubieke meters niet geloosd ingenomen water geen steun in de wet.

Vertrouwensbeginsel

4.8. De nieuwe regeling voor tabelbedrijven is in werking getreden met ingang van

1 januari 2001. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat verweerder ook na deze datum haar aangiften voor de verontreinigingsheffing heeft gevolgd en voor de jaren 2001, 2002 en 2003 de aftrek voor niet geloosd water (hierna: de aftrek) heeft verleend. Voorts heeft zij ter zitting verklaard dat verweerder haar voor het eerst in de onder 2.4. genoemde brief van 31 december 2005 ervan op de hoogte heeft gesteld dat de aftrek niet langer wordt toegepast. Eiseres stelt dat zij aan het een en ander het vertrouwen heeft ontleend en mogen ontlenen dat verweerder ook bij de vaststelling van de aanslagen voor de jaren 2004 en 2005 rekening zou houden met de aftrek.

4.9. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij voor de jaren 2001 tot en met 2003, in afwijking van de met ingang van 1 januari 2001 in werking getreden regeling voor tabelbedrijven, de toepassing van de aftrek heeft voortgezet. Voorts heeft verweerder ter zitting erkend dat hij eiseres voor het eerst in de onder 2.4. genoemde brief heeft geïnformeerd over de beëindiging van de toepassing van de aftrek.

4.10. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van eiseres op het bij haar gewekte vertrouwen. Bij dit oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

De voortzetting van de toepassing van de aftrek na 1 januari 2001 is aan te merken als door verweerder gevoerd (begunstigend) beleid. Aan dit (begunstigend) beleid mocht eiseres het rechtens te honoreren vertrouwen ontlenen dat verweerder bij de aanslagregeling over de jaren 2004 en 2005 de aftrek in aanmerking zou nemen. Bij de onder 2.4. genoemde brief van 31 december 2005 heeft verweerder eiseres ervan op de hoogte gesteld dat hij de aftrek niet langer zou verlenen. Verweerder heeft met deze brief het vorengenoemde (begunstigende) beleid beëindigd. Tot de beëindiging van het beleid dient verweerder het daardoor bij eiseres gewekte vertrouwen te honoreren; de beëindiging kan het bij eiseres gewekte vertrouwen immers niet met terugwerkende kracht wegnemen (vergelijk Hoge Raad 28 februari 2003, nr. 37. 122, BNB 2004/59). Derhalve dient verweerder de aftrek ook voor de jaren 2004 en 2005 toe te passen.

4.11. Gelet op het vorenoverwogene zijn de beroepen gegrond. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel behoeft geen behandeling meer.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht reiskosten tot een bedrag van € 25.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslag voor 2004 tot € 4.212 en de aanslag voor 2005 tot € 4.718;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats van de vernietigde besluiten treedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 25 en

wijst het Hoogheemraadschap van Delfland aan als rechtspersoon die dit bedrag aan eiseres moet voldoen; en

- gelast dat het Hoogheemraadschap van Delfland het door eiseres betaalde griffierecht van in totaal € 570 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 10 maart 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. Vink, mr. L. de Loor-Alwin en mr. G.J. van Leijenhorst in tegenwoordigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.