Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI1374

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
20-04-2009
Zaaknummer
AWB 09/9882
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BI6277, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eerste beroep bewaring / artikel 94, tweede lid, Vw

Na planning van de zitting op 6 april 2009, is de rechtbank op 2 april 2009 gebleken dat bij die zittingsdatum de termijn van artikel 94, tweede lid, van de Vw, welke vereist dat uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift een zitting plaatsvindt, zou worden overschreden. Om deze termijn veilig te stellen heeft de rechtbank besloten het beroep op 3 april 2009 ter zitting te behandelen. Voor die zitting is eiser opgeroepen om in persoon te verschijnen en is zijn gemachtigde uitgenodigd. De gemachtigde van eiser heeft te kennen gegeven niet op die zitting te kunnen verschijnen, waarop de gemachtigde van verweerder eveneens te kennen heeft gegeven niet te zullen verschijnen. De rechtbank heeft in aanwezigheid van eiser het onderzoek ter zitting aangevangen en heeft hem gehoord. De rechtbank heeft eiser ter zitting te kennen gegeven dat de zitting op 6 april 2009 zal worden hervat. Op die dag is eiser wederom gehoord, maar dan in het bijzijn van zijn gemachtigde. Onder voormelde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat artikel 94, tweede lid, van de Vw is nageleefd. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat voor beide zittingen schriftelijke uitnodigingen aan partijen zijn gezonden. Daarnaast heeft de rechtbank op 3 april 2009 telefonisch partijen bevestigd dat zij eisers beroep nader ter zitting op 6 april 2009 zal behandelen. Eisers stelling dat (de uitnodiging voor) de zitting van 6 april 2009 is komen te vervallen met (de uitnodiging voor) de zitting van 3 april 2009, volgt de rechtbank daarom niet. Verder is de rechtbank van oordeel dat voormelde handelwijze van de rechtbank, gelet op hetgeen eiser ter zake heeft aangevoerd, geen schending heeft opgeleverd van de goede procesorde en dat eiser door die handelwijze niet zodanig in zijn belangen is geschaad dat daardoor de inbewaringstelling onrechtmatig is geworden. Eisers beroepsgrond slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/9882 VRONTN

uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van de enkelvoudige kamer d.d. 9 april 2009

inzake

[eiser], geboren op [geboortedatum] 1984, van gestelde Surinaamse nationaliteit, alias [eiser], geboren op [geboortedatum] 1988, van gestelde Surinaamse nationaliteit, eiser, verblijvende in penitentiaire inrichting te Zaandam,

gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

gemachtigde: R.L.F. Zandbelt, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 20 maart 2009 is aan eiser met ingang van 22 maart 2009 de maatregel van bewaring als bedoeld in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

1.2 Eiser heeft hiertegen op 20 maart 2009 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw strekt dit beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding.

1.3 Het geding is behandeld ter zitting van 3 april 2009. Eiser is daar in persoon verschenen.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting geschorst en te kennen gegeven dat het onderzoek ter zitting op 6 april 2009 zal worden hervat.

1.4 Het onderzoek ter zitting is op 6 april 2009 hervat, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verder is daar verschenen de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

2.1 Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel van bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de termijn van artikel 94, tweede lid, van de Vw is geschonden, nu niet tijdig een aanvang is gemaakt met het horen van eiser, dan wel dat de zittingen hebben plaatsgevonden in strijd met de goede procesorde en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eiser heeft tevens aangevoerd dat verweerder niet heeft voldaan aan de inspanningsverplichting door geen begin te maken met uitzettings-handelingen tijdens zijn strafrechtelijke detentie. Verder had verweerder, gelet op de omstandigheden van het geval, volgens eiser kunnen volstaan met een lichter middel. Onder verwijzing naar de uitspraak van 27 februari 2009 (LJN: BH5381) van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, heeft eiser aangevoerd dat geen zicht op uitzetting op korte termijn bestaat. De bewaring is van meet af aan onrechtmatig, aldus eiser.

2.2 Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.3 Ingevolge artikel 94, tweede lid, van de Vw, voor zover thans van belang, vindt de zitting bij de rechtbank uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift plaats. De rechtbank roept de vreemdeling op om in persoon, dan wel in persoon of bij raadsman en de staatssecretaris om bij gemachtigde te verschijnen, teneinde te worden gehoord.

2.4 Wat betreft eisers gestelde schending van artikel 94, tweede lid, van de Vw overweegt de rechtbank als volgt. Op 20 maart 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen de opgelegde maatregel. Dit beroep is door het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken te Haarlem, op uitdrukkelijk verzoek van eisers gemachtigde, voor verdere behandeling naar deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, gezonden. Die nevenzittingsplaats heeft het beroep op 25 maart 2009 voor behandeling doorgezonden naar deze rechtbank en nevenzittingsplaats. Bij brieven van 31 maart 2009 zijn partijen geïnformeerd dat de zaak ter zitting van 6 april 2009 zal worden behandeld. Op 2 april 2009 is de rechtbank gebleken dat bij die zittingsdatum de termijn van artikel 94, tweede lid, van de Vw, welke vereist dat uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift een zitting plaatsvindt, zou worden overschreden. Om deze termijn veilig te stellen heeft de rechtbank besloten het beroep op 3 april 2009 ter zitting te behandelen. Voor die zitting is eiser bij brief van 2 april 2009 opgeroepen om in persoon te verschijnen en is zijn gemachtigde bij brief van eveneens 2 april 2009 uitgenodigd. De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 2 april 2009 te kennen gegeven niet op die zitting van 3 april 2009 te kunnen verschijnen, waarop de gemachtigde van verweerder eveneens te kennen heeft gegeven niet te zullen verschijnen. Op vrijdag 3 april 2009 heeft de rechtbank in aanwezigheid van eiser het onderzoek ter zitting aangevangen en heeft hem gehoord. Eiser heeft medegedeeld niet zonder zijn advocaat over de vreemdelingenbewaring te willen verklaren. De rechtbank heeft eiser ter zitting te kennen gegeven dat maandag 6 april 2009 de zitting zal worden hervat. Op die dag is eiser wederom gehoord, maar dan in het bijzijn van zijn gemachtigde. Onder voormelde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat artikel 94, tweede lid, van de Vw is nageleefd. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat zowel voor de zitting van 3 april 2009, als voor de zitting van 6 april 2009 schriftelijke uitnodigingen aan partijen zijn gezonden. Daarnaast heeft de rechtbank op 3 april 2009 telefonisch partijen bevestigd dat zij eisers beroep nader ter zitting op 6 april 2009 zal behandelen. Eisers stelling dat (de uitnodiging voor) de zitting van 6 april 2009 is komen te vervallen met (de uitnodiging voor) de zitting van 3 april 2009, volgt de rechtbank daarom niet. Verder is de rechtbank van oordeel dat voormelde handelwijze van de rechtbank, gelet op hetgeen eiser ter zake heeft aangevoerd, geen schending heeft opgeleverd van de goede procesorde en dat eiser door die handelwijze niet zodanig in zijn belangen is geschaad dat daardoor de inbewaringstelling onrechtmatig is geworden. Eisers beroepsgrond slaagt niet.

2.5 Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder niet heeft voldaan aan de inspannings-verplichting, zoals neergelegd in paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, overweegt de rechtbank als volgt. Met eiser ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder zijn inspanningsverplichting in dit geval voldoende is nagekomen.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ingezet bij uitspraak van 11 februari 2002, JV 2002/141) volgt echter dat de enkele omstandigheid dat verweerder aldus niet heeft voorkomen dat de vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenrechtelijke bewaring is gesteld, de daaropvolgende bewaring niet onrechtmatig maakt, tenzij de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Van een dergelijke onevenwichtigheid is in dit geval geen sprake. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf en dat hij de overige gronden van zijn inbewaringstelling niet heeft betwist. De stelling van eiser dat tegen die strafrechtelijke veroordeling hoger beroep is ingediend, laat onverlet dat verweerder ten tijde van de inbewaringstelling van die veroordeling mocht uitgaan. Onder deze omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de belangen die zijn geschonden doordat verweerder niet heeft voorkomen dat eiser na afloop van zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingbewaring moest worden gesteld. Eisers stelling kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel.

2.6 Met betrekking tot eisers stelling dat te weinig strafrechtelijke gegevens uit de stukken blijken om duidelijk te krijgen of hij sinds zijn aanhouding steeds op een rechtmatige titel heeft vastgezeten, overweegt de rechtbank als volgt. Het bij de stukken bevindende, op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van overname van 22 maart 2009 vermeldt: “Op zondag 22 maart 2009 te 08.00 uur is het strafvorderlijk beland van betrokkene komen te vervallen en op dezelfde datum en hetzelfde tijdstip is betrokkene in vreemdelingen bewaring gesteld.” Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee voldoende vast dat eiser tot 22 maart 2009, 08:00 uur, in strafrechtelijke detentie heeft gezeten en aansluitend in vreemdelingenbewaring is gesteld. Eisers stelling treft geen doel.

2.7 Wat betreft het door eiser betwiste zicht op uitzetting stelt de rechtbank onder verwijzing naar haar uitspraak van 17 april 2008 (www.rechtspraak.nl, LJN: BD0064), bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 22 mei 2008 (zaaknummer 200802852/1, www.raadvanstate.nl), het volgende voorop. Omdat bewaring krachtens artikel 59 van de Vw gericht moet zijn op uitzetting van de desbetreffende vreemdeling, is een inbewaringstelling in strijd met die bepaling indien zicht op uitzetting ontbreekt. Derhalve dient verweerder in geval van bewaring maatregelen te nemen om die uitzetting zo spoedig mogelijk te effectueren. In de Nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer, 1999-2000, 26 732, nr. 7, pag. 199) wordt in antwoord op een vraag van de leden van de fractie van GroenLinks gesteld dat met de zinsnede “met het oog op uitzetting” in artikel 57 van de Vw (thans: artikel 59 van de Vw) wordt bedoeld dat een vreemdeling in bewaring kan worden gesteld indien er een reëel uitzicht bestaat op uitzetting.

2.8 Verweerder heeft in de stukken en tijdens het verhandelde ter zitting het volgende naar voren gebracht. Op 23 maart 2009 is eiser geplaatst in de penitentiaire inrichting te Zaandam, op 27 maart 2009 heeft de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) het dossier van eiser ontvangen en op 1 april 2009 is een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Tijdens dat gesprek is door de regievoerder een aanvraagformulier voor een laissez-passer (LP) ingevuld dat vervolgens, met kopie van de identiteitskaart en een kopie “bewijs inschrijving bevolkingsregister van Suriname” is gezonden naar de LP-kamer van DT&V.

Gelet op het voorgaande, bezien in het licht van hetgeen hiervoor onder 2.7 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het (reëel) zicht op uitzetting van eiser, die stelt de Surinaamse nationaliteit te hebben, niet ontbreekt.

2.9 Voor zover eiser, onder verwijzing naar de uitspraak van 27 februari 2009 (www.rechtspraak.nl, LJN: BH5381) van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, heeft beoogd te betogen dat de bewaring bij afweging van de betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, nu hij niet binnen een redelijke termijn zal worden gepresenteerd bij de Surinaamse autoriteiten, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat over een plaats op de wachtlijst en een presentatiedatum bij de Surinaamse autoriteiten nog niets kan worden gezegd, en dat deze in overleg met hen zal worden gepland. De rechtbank ziet geen grond om eiser te volgen in zijn stelling, dat als de presentatiedatum bekend is er een belangenafweging dient te worden verricht als ware eiser reeds zes maanden in bewaring, reeds omdat die datum thans in dit geval niet bekend is. Gelet op het voorgaande leidt het door eiser gestelde belang dat hij door lange wachtlijsten in bewaring moet wachten op een presentatie, ook in onderlinge samenhang bezien met de overige door hem gestelde belangen, niet tot het oordeel dat de bewaring in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

2.10 Uit het voorgaande volgt dat de toepassing noch tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring ten aanzien van eiser in strijd is met de Vw. Evenmin is gebleken dat bij afweging van alle daarbij betrokken belangen de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Gelet op de gronden van bewaring is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft mogen concluderen dat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat eiser zich aan zijn uitzetting zal onttrekken. Op grond hiervan en gelet op hetgeen eiser hierover heeft aangevoerd, is de rechtbank tevens van oordeel dat verweerder niet heeft hoeven te volstaan met de oplegging van een lichter middel.

2.11 Het beroep dient derhalve ongegrond verklaard te worden. De opheffing van de maatregel van bewaring wordt niet bevolen. Gelet hierop bestaat evenmin grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

2.12 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M.P. Glerum en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2009.

De griffier: De rechter:

mr. K.S Smits mr. M.P. Glerum

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 95 van de Vw staat tegen deze uitspraak binnen een week na de dag van bekendmaking hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen deze uitspraak te bevatten.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.