Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI1349

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-03-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/322 OB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nieuw feit. Administratieplicht. Redelijk schatting en overtuigend aantonen na omkering bewijslast. vertrouwensbeginsel. Boete.

X drijft een taxionderneming. In 2002 legt verweerder een bedrijfsbezoek bij eiser af waarvan een rapport is opgemaakt. In de eerste helft van 2004 stelt verweerder een boekenonderzoek in. Naar aanleiding daarvan legt hij navorderingsaanslagen IB/PVV, premie WAZ en Zfw voor 2001 en 2002 op, met vergrijpboeten, legt hij primitieve aanslagen IB/PVV, premie WAZ en Zfw voor 2003 op en legt hij een naheffingsaanslag OB 2001 t/m 2003 op, met vergijpboete.

Omdat verweerder de primitieve aanslagen IB/PVV, premie WAZ en Zfw voor 2001 en 2002 heeft opgelegd terwijl er een boekenonderzoek liep en de resulaten daarvan niet heeft afgewacht, is met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV, premie WAZ en Zfw voor 2001 en 2002 sprake van een ambtelijk verzuim. De rechtbank vernietigt deze navordeingsaanslagen en de daarbij gegeven boetebeschikkingen.

Uit de door X voor de jaren 2001 tot en met 2003 bijgehouden rittenstaten blijken de voor de heffing van IB en OB essentiële gegevens onvoldoende. Deze essentiële gegevens zijn evenmin op andere wijze in de administratie van X vastgelegd. Derhalve heeft X niet aan zijn administratieplicht voldaan en volgt omkering en verzwaring van de bewijslast.

Verweerder heeft de heffingsgrondslagen van de aanslagen IB/PVV, premie WAZ en Zfw voor 2003 en de naheffingsaanslag OB voor 2001 t/m 2003 redelijk geschat. Eiser heeft niet overtuigend aangetoond dat de opgelegde belastingaanslagen ten onrechte of tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.

Aan het rapport van het bedrijfsbezoek en de oplegging van de primitieve aanslagen IB/PVV, premie WAZ en Zfw kon eiser niet het vrechtens te beschermen vertrouwen ontlenen dat verweerder voor de aanslagen IB/PVV, premie WAZ en Zfw de aangiften van eiser en met betrekking tot de naheffingsaanslag OB de wijze waarop eiser zijn omzet administreerde zou volgen.

Met betrekking tot de boetebeschikking die de rechtbank niet vernietigt, overweegt de rechtbank dat verweerder, anders dan eiser stelt, na de mededeling van het voornemen van boeteoplegging de aan de boete ten grondslag gelegde mate van verwijtbaarheid mag wijzigen. De boete wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0899
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 08/322 OB, AWB 08/323 IB/PVV, AWB 08/324 ZFW, AWB 08/325 IB/PVV, AWB 08/326 ZFW, AWB 08/327 IB/PVV, AWB 08/328 ZFW

Uitspraakdatum: 6 maart 2009

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

1Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser de hierna vermelde belastingaanslagen opgelegd:

a. een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001, met dagtekening 30 september 2005, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.517;

b. een navorderingsaanslag premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 2001, met dagtekening 30 september 2005, berekend naar een premie-inkomen van € 20.392;

c. een navorderingsaanslag premie Ziekenfondswetvoor het jaar 2001, met dagtekening 30 september 2005, berekend naar een premie-inkomen van € 19.059;

d. een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002, met dagtekening 30 september 2005, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 82.782;

e. een navorderingsaanslag premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 2002, met dagtekening 30 september 2005, berekend naar een premie-inkomen van € 38.118;

f. een navorderingsaanslag premie Ziekenfondswetvoor het jaar 2002, met dagtekening 30 september 2005, berekend naar een inkomen van € 19.650;

g. een naheffingsaanslag omzetbelasting met dagtekening 27 oktober 2005 voor het tijdvak 1 mei 2001 tot en met 31 december 2003 tot een bedrag van € 16.419;

h. een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2003, met dagtekening 3 februari 2006, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.898;

i. een aanslag premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 2003, met dagtekening 3 februari 2006, berekend naar een premie-inkomen van € 38.118;

j. een aanslag premie Ziekenfondswetvoor het jaar 2003, met dagtekening 3 februari 2006, berekend naar een premie-inkomen van € 20.250.

Tegelijkertijd met de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2001 en 2002 en de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 mei 2001 tot en met 31 december 2003 heeft verweerder bij beschikking vergrijpboeten opgelegd ten bedrage van respectievelijk € 973, € 15.847 en € 8.209.

1.2. Bij de uitspraken op bezwaar heeft verweerder:

- de hierna in de linkerkolom genoemde belastingaanslagen verminderd tot belastingaanslagen, berekend naar de hierna in de rechterkolom genoemde heffingsgrondslagen:

navorderingsaanslag inkomstenbelasting/

premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 € 21.162

navorderingsaanslag premie Wet arbeidsongeschikt-

heidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 2001€ 18.037

navorderingsaanslag inkomstenbelasting/

premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 € 52.216

aanslag inkomstenbelasting/

premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 € 37.756;

- de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 mei 2001 tot en met 31 december 2003 verminderd tot een bedrag van € 13.833;

- de tegelijkertijd met de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2001 en 2002 en de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 mei 2001 tot en met 31 december 2003 opgelegde vergrijpboeten verminderd tot respectievelijk € 474, € 2.236 en € 2.074.

De (navorderings)aanslagen premie Ziekenfondswet voor het jaar 2001, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 2002, premie Ziekenfondswet voor het jaar 2002, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 2003 en premie Ziekenfondswet voor het jaar 2003 zijn bij de uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld en deze beroepen in één geschrift verenigd.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Eiser heeft op 9 oktober 2008 een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan verweerder. Verweerder heeft daarop gereageerd bij brief van 7 november 2008, die in afschrift aan eiser is gezonden.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2008 te 's-Gravenhage.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. [A], en [B]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [C] en [D].

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser is in 2001 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak begonnen. De onderneming is op 29 mei 2001 onder de handelsnaam ‘Taxibedrijf [E]’ ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Rotterdam.

2.2. Begin 2002 heeft een medewerker van verweerder een zogeheten bedrijfsbezoek afgelegd bij eiser. Van dit bedrijfsbezoek is een rapport opgemaakt, dat is gedateerd 26 februari 2002. Het bedrijfsbezoek had tot doel

“inzicht te verkrijgen in de bedrijfsactiviteiten, het beoordelen van het ondernemerschap voor de omzet- en inkomstenbelasting en het geven van voorlichting/informatie.”

Met betrekking tot de door eiser gevoerde administratie wordt in het rapport opgemerkt:

“De belastingplichtige noteert de ontvangsten en uitgaven dagelijks in een kasboek. Tevens worden er weekstaten bijgehouden met daarop de verreden kilometers, ritopbrengst en betaalde brandstof. De urenverantwoording van het personeel wordt op staten genoteerd. Vanaf 1 november 2001 verzorgt de heer [F] van administratiekantoor [G] de loonboekhouding en overige administratie. Omdat niet van alle gemaakte kosten en investeringen betalingsbewijzen aanwezig zijn en de namen en adressen van de kredietverstrekkers ontbreken, kan de heer [F] de jaarrekening 2001 nog niet opmaken.”

Onder het kopje “Voorlichting/instructie” is in het rapport onder meer vermeld:

“Voor de omzetbelasting zijn de volgende onderwerpen behandeld:

(…)

- administratieve verplichtingen;

- artikel 34/35 omzetbelasting factuureisen;

- facturering aan andere ondernemers;

Voor de inkomstenbelasting zijn de volgende onderwerpen behandeld:

(…)

- regelmatige boekhouding;

(…)”

In het rapport wordt het standpunt ingenomen dat eiser niet in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek omdat hij niet voldoet aan het urencriterium. Voorts wordt “gezien de hoogte van het inkomen” de oplegging van voorlopige aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering en premie Ziekenfondswet aangekondigd.

Onder het kopje “Loonbelasting” staat in het rapport onder meer dat eiser vier mensen in dienst heeft aan wie het niet is toegestaan met de bedrijfsauto’s privé te rijden, dat er geen kostenvergoedingen in de administratie zijn aangetroffen en dat eiser

“heeft voldaan aan de administratieve verplichtingen die wettelijk zijn voorgeschreven”.

2.3. Eiser heeft voor de jaren 2001, 2002 en 2003 tijdig aangifte gedaan. De aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en premie Ziekenfondswet voor die jaren, zijn gedagtekend respectievelijk 16 november 2004, 2 december 2004 en 3 februari 2006.

2.4. In de eerste helft van 2004 heeft verweerder bij eiser een boekenonderzoek ingesteld. De reikwijdte van het boekenonderzoek wordt in het controlerapport als volgt omschreven:

“Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting vanaf 1-1-2001 tot en met 31-12-2003”.

Met betrekking tot de verantwoording van de ontvangsten wordt in het controlerapport onder meer opgemerkt:

“De rittenstaten voldoen niet aan de gestelde eisen; er is regelmatig geen kenteken vermeld op de staten. Over het jaar 2001 is op nagenoeg geen enkele staat een kenteken vermeld, terwijl er 7 auto’s in omloop waren.

Op de meeste rittenstaten staat tevens geen begin en eind kilometerstand per rit vermeld en geen rittijden.

Bij steekproeven kwamen daarbij regelmatig onaanvaardbaar lage kilometeropbrengsten naar voren. Bijvoorbeeld: in 1 week gereden 668 km, met een opbrengst van € 113,19, dit is € 0,19 cent p.km. Of een week van 650 km met een opbrengst van € 281,88, dit is € 0,43 p.km.

Tussen de rittenstaten werden forse hiaten in de kilometertelling geconstateerd. Wat er met deze kilometers is gebeurd is niet duidelijk.

Daarom is van diverse auto’s geen sluitende kilometeradministratie te krijgen.

Uit het bovenstaande volgt, dat belastingplichtige niet volledig heeft voldaan aan zijn verplichtingen ingevolge artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

(…)

Gelet op alle gebleken tekortkomingen (…) heb ik een theoretische omzetberekening gemaakt, op basis van de totaal verreden kilometers per taxi per jaar. Hierbij heb ik een gemiddelde opbrengst per kilometer gehanteerd van € 0,80 in 2001 en € 0,90 in 2002 en 2003. (deze bedragen zijn inclusief 6% omzetbelasting)

(…)”

2.5. Het controlerapport, dat eerst op 14 september 2005 is uitgebracht, was voor verweerder aanleiding om de onder 1.1. genoemde belastingaanslagen en vergrijpboeten op te leggen.

3 Geschil

3.1. Met betrekking tot de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en premie Ziekenfondswet voor de jaren 2001 en 2002 is in geschil of de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd omdat een ‘nieuw feit’ in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) ontbreekt.

3.2.1. Met betrekking tot alle onder 1.1. genoemde belastingaanslagen is in geschil of eiser heeft voldaan aan zijn verplichtingen ingevolge artikel 52 AWR en zo nee, of verweerder bij de uitspraken op bezwaar terecht het bepaalde in artikel 25, zesde lid, AWR (de zogeheten ‘omkering en verzwaring van de bewijslast’) heeft toegepast.

3.2.2. Bij bevestigende beantwoording van de vorige vraag is in geschil of verweerder de belastingaanslagen heeft vastgesteld op basis van redelijke schattingen van de heffingsgrondslagen en voorts of eiser overtuigend heeft aangetoond dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

3.2.3. Bij ontkennende beantwoording van de vraag onder 3.2.1. is in geschil of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de belastingaanslagen niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd.

3.3. Met betrekking tot de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 mei 2001 tot en met 31 december 2003 is in geschil of het vertrouwensbeginsel aan de oplegging van de naheffingsaanslag in de weg stond.

3.4. Met betrekking tot de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en premie Ziekenfondswet voor het jaar 2003 is in geschil of het vertrouwensbeginsel eraan in de weg stond dat verweerder bij de vaststelling van de aanslagen is afgeweken van de ingediende aangifte.

3.5. Voorts is in geschil of de onder 1.1. genoemde boetebeschikkingen dienen te worden herroepen alsmede

3.6. of de beschikkingen heffingsrente, die verweerder gelijktijdig met de onder 1.1. genoemde aanslagen heeft gegeven, terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld.

3.7. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en premie Ziekenfondswet voor de jaren 2001 en 2002, van de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 mei 2001 tot en met 31 december 2003 en van de boetebeschikkingen alsmede vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en premie Ziekenfondswet voor het jaar 2003 tot aanslagen die in overeenstemming zijn met de door eiser ingediende aangifte.

3.8. Verweerder concludeert primair tot ongegrondverklaring van de beroepen en subsidiair tot ongegrondverklaring van de beroepen betreffende de onder 1.1. genoemde belastingaanslagen, tot gegrondverklaring van de beroepen betreffende de onder 1.1. genoemde vergrijpboeten en tot verdere vermindering van de reeds bij de uitspraken op bezwaar verminderde boeten met 10% tot 13,5% van de boetegrondslagen.

Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de boetebeschikking die bij de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 is gegeven, dient te worden herroepen.

3.9. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4 Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot het geschilpunt 3.1.

4.1. Verweerder heeft ruimschoots vóór de oplegging op 16 november 2004 en 2 december 2004 van de primitieve aanslagen voor de jaren 2001 en 2002 bij eiser een boekenonderzoek ingesteld naar “de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting vanaf 1-1-2001 tot en met 31-12-2003” (zie onder 2.4). Hierin ligt besloten dat verweerder reeds vóór de oplegging van de primitieve aanslagen zodanig twijfelde aan de juistheid van de aangiften, dat hij het nodig oordeelde daarnaar een onderzoek in te stellen. Desalniettemin heeft verweerder de primitieve aanslagen opgelegd zonder de uitkomsten van het onderzoek af te wachten. Verweerder heeft daarvoor geen reden aangevoerd. Dit kwalificeert als een ambtelijk verzuim bij het opleggen van de primitieve aanslagen, dat niet door navordering kan worden hersteld (vgl. HR 18 november 1925, B. 3699, en HR 13 oktober 1954, nr. 11 941, BNB 1954/339 en HR 4 oktober 2002, nr. 37 403, BNB 2002/405). Gesteld noch gebleken is dat eiser ter zake van de feiten die tot de oplegging van de navorderingsaanslagen hebben geleid, te kwader trouw was in de zin van artikel 16, eerste lid, tweede volzin, laatste zinsdeel, van de AWR.

4.2. Gelet op het overwogene onder 4.1. dienen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en premie Ziekenfondswet voor de jaren 2001 en 2002 te worden vernietigd. Daarmee komt ook de grond te ontvallen aan de tegelijkertijd met de navorderingsaanslagen gegeven boetebeschikkingen, die derhalve eveneens dienen te worden vernietigd.

Met betrekking tot het geschilpunt onder 3.2.1.

4.3. Gelet op hetgeen onder 4.1. en 4.2. is overwogen, is het geschilpunt onder 3.2.1 uitsluitend nog van belang voor de (definitieve) aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en premie Ziekenfondswet voor het jaar 2003 en de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 mei 2001 tot en met 31 december 2003.

4.4. Met hetgeen verweerder heeft aangevoerd, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiser in de jaren 2001 tot en met 2003 niet heeft voldaan aan de hem in artikel 52 van de AWR opgelegde verplichting om van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf, naar de eisen van dat bedrijf, op zodanige wijze een administratie te voeren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. Bij dit oordeel neemt verweerder het volgende in aanmerking.

4.5. De rechtbank stelt voorop dat eiser de feiten die in het onder 2.4. genoemde controlerapport zijn vermeld, niet heeft weersproken. Deze feiten houden onder meer in dat de rittenstaten op basis waarvan in eisers administratie de opbrengsten werden verantwoord, in vele gevallen geen kenteken vermelden van de auto, waarmee de op de rittenstaat vermelde ritten zijn gereden, dat op de meeste rittenstaten geen begin- en geen eindkilometerstanden zijn vermeld en dat een vergelijking van de aantallen kilometers, die volgens de rittenstaten verreden zijn, met de aantallen kilometers die in totaal met de auto’s zijn verreden, diverse grote onverklaarde verschillen (door partijen ‘hiaten’ genoemd) oplevert.

4.6. De onder 4.5. vermelde feiten laten geen andere conclusie toe dan dat uit de voor de jaren 2001 tot en met 2003 bijgehouden en bewaarde rittenstaten de voor de heffing van de inkomsten- en de omzetbelasting over die jaren essentiële gegevens inzake de omzet van het door eiser uitgeoefende taxibedrijf, onvoldoende duidelijk blijken. Gesteld noch gebleken is dat deze essentiële gegevens op een andere, controleerbare wijze in de administratie van eiser zijn vastgelegd. Derhalve voldeed de door eiser voor de jaren 2001 tot en met 2003 gevoerde administratie niet aan de eisen die artikel 52 van de AWR daaraan stelt.

4.7. Gelet op het onder 4.4. gegeven oordeel heeft verweerder, uitspraak doende op de bezwaren van eiser tegen de onder 4.3. genoemde belastingaanslagen, de bewijslast terecht omgekeerd en verzwaard.

Met betrekking tot het geschilpunt onder 3.2.2.

4.8. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de theoretische omzetberekeningen, die verweerder aan de onder 4.3. genoemde belastingaanslagen ten grondslag heeft gelegd, na de aanpassing daarvan bij de uitspraken op bezwaar, alleszins redelijk. Hetzelfde geldt voor de overige elementen, waarmee verweerder bij de vaststelling van heffingsgrondslagen rekening heeft gehouden. Bij deze oordelen neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

4.9. Het geschatte gemiddelde kilometrage per auto per maand heeft verweerder, waar dat mogelijk was, gebaseerd op de gegevens die uit de administratie van eiser blijken; zij berusten voor het overige op redelijke aannames. De geschatte opbrengst per kilometer

(€ 0,80 in 2001 en € 0,90 in 2002 en 2003) was, naar verweerder heeft gesteld en de rechtbank aannemelijk acht, in die jaren in de taxibranche gebruikelijk. Verweerders veronderstelling dat de ‘hiaten’ in de rittenstaten als opbrengstgevende kilometers worden aangemerkt, is - behoudens tegenbewijs, dat niet is geleverd -eveneens aannemelijk. Hetgeen verweerder heeft gesteld over de 58 waarnemingen die de Inspectie voor Verkeer en Waterstaat in 2003 heeft gedaan van auto’s van het taxibedrijf van eiser en met name over de 13 waarnemingen waarvan niets is terug te vinden in de administratie van eiser, onderbouwt de schattingen van verweerder eveneens. De verklaring die verweerder heeft gegeven voor de overige door hem aangebrachte correcties, is voldoende om deze correcties te dragen.

4.10. Nu de bewijslast met betrekking tot de onder 4.3. genoemde belastingaanslagen is omgekeerd en verzwaard en deze belastingaanslagen, naar volgt uit de onder 4.8. gegeven oordelen, op redelijke schattingen van de heffingsgrondslagen berusten, dient de rechtbank de beroepen die op deze belastingaanslagen betrekking hebben, ongegrond te verklaren tenzij is gebleken - dat wil zeggen: overtuigend door eiser is aangetoond - dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

4.11. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond, dat de onder 4.3. genoemde belastingaanslagen tot ten onrechte of tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zijn stelling dat de opbrengsten van de niet in de rittenstaten verantwoorde kilometers niet aan hem, doch aan zijn chauffeurs ten goede zijn gekomen, heeft eiser niet met bewijs gestaafd. Ook eisers betoog dat voor de door hem geëxploiteerde “straattaxi’s” lagere opbrengsten per kilometer moeten gelden dan de in de taxibranche gebruikelijke opbrengsten per kilometer en dat er veel kilometers “verloren”gaan, ontbeert een onderbouwing. Voorts is hetgeen eiser heeft aangevoerd ten bewijze dat de onder 4.9. genoemde 13 waarnemingen niet betrouwbaar zijn, daartoe onvoldoende.

Met betrekking tot het geschilpunt onder 3.2.3.

4.12.Het geschilpunt onder 3.2.3. behoeft, gelet op het onder 4.4. gegeven oordeel, geen behandeling.

Met betrekking tot het geschilpunt onder 3.3.

4.13. Eiser stelt voor het eerst in onder 1.5. genoemde stuk van 9 oktober 2008 dat het onder 2.2. vermelde (rapport van het) bedrijfsbezoek en de oplegging van de primitieve aanslagen voor de jaren 2001 en 2002 ná de instelling van het onder 2.4. vermelde boekenonderzoek bij hem het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat verweerder bij de vaststelling van de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 mei 2001 tot en met 31 december 2003 de door eiser gevoerde administratie zou volgen. Ter onderbouwing van deze stelling voert hij aan dat verweerder noch in (het rapport van het) bedrijfsbezoek, waarin de wijze waarop eiser zijn omzet administreerde uitdrukkelijk aan de orde is geweest, noch bij de regeling van de aanslagen waarbij van de aangiften is afgeweken, kritische opmerkingen heeft gemaakt over eisers vastlegging en verantwoording van de omzet, waardoor eiser de indruk kreeg dat de wijze waarop hij zijn administratie voerde de instemming van verweerder had. Eiser verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 18 december 1991, nr. 27 127, BNB 1992/182.

4.14. Naar het oordeel van de rechtbank is het onaannemelijk dat het onder 2.2. vermelde (rapport van het) bedrijfsbezoek en de oplegging van de primitieve aanslagen voor de jaren 2001 en 2002 bij eiser in de gegeven omstandigheden de indruk hebben gewekt dat de wijze waarop hij zijn omzet administreerde, de instemming van verweerder had. Immers, zou eiser deze indruk hebben gehad, dan had hij daarvan in (de motivering van) zijn bezwaarschriften melding gemaakt en had hij als reden waarom hij zich niet met de onder 1.1. genoemde belastingaanslagen, waaronder de onderhavige naheffingsaanslag omzetbelasting, kon verenigen, ongetwijfeld mede genoemd de door hem aanwezig geachte instemming van verweerder met de wijze waarop hij zijn omzet administreerde. Ook in de motivering van het beroep ontbreekt dit standpunt. Dat dit niet berust op een dwaling omtrent de relevantie van het standpunt, leidt de rechtbank af uit het feit dat zowel het bezwaarschrift als het beroepschrift zijn opgesteld en namens eiser zijn ingediend door het kantoor [H] Advocaten-Belastingkundigen waar een zodanige kennis en kunde met betrekking tot de toepassing van het (fiscale) bestuursrecht aanwezig mag worden verondersteld dat een dergelijke dwaling is uitgesloten.

4.15. Ook overigens acht de rechtbank het, op grond van de inhoud van het onder 2.2. vermelde rapport van het bedrijfsbezoek en het onder 2.4. vermelde controlerapport, niet aannemelijk dat bij eiser het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat verweerder bij de vaststelling van de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 mei 2001 tot en met 31 december 2003 de door eiser gevoerde administratie zou volgen.

4.16. Gelet op hetgeen onder 4.13 tot en met 4.15 is overwogen, stond het vertrouwensbeginsel niet aan de oplegging van de naheffingsaanslag voor het tijdvak 1 mei 2001 tot en met 31 december 2003 in de weg.

Met betrekking tot het geschilpunt onder 3.4.

4.17. Eiser stelt voor het eerst in onder 1.5. genoemde stuk van 9 oktober 2008 dat het onder 2.2. vermelde (rapport van het) bedrijfsbezoek en de oplegging van de primitieve aanslagen voor de jaren 2001 en 2002 ná de instelling van het onder 2.4. vermelde boekenonderzoek bij hem het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat verweerder bij de vaststelling van de aanslagen inkomstenbelasting, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en premie Ziekenfondswet voor het jaar 2003 de ingediende aangifte zou volgen. De onderbouwing van dit standpunt is niet wezenlijk anders dan de onderbouwing van eisers vergelijkbare standpunt met betrekking tot de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 mei 2001 tot en met 31 december 2003. De redenen die de rechtbank heeft om dit standpunt met betrekking tot de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 mei 2001 tot en met 31 december 2003 te verwerpen, gelden mutatis mutandis ook met betrekking de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen en premie Ziekenfondswet voor het jaar 2003.

4.18. Gelet op hetgeen onder 4.17 is overwogen, heeft verweerder, door bij de vaststelling van de aanslagen inkomstenbelasting, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en premie Ziekenfondswet voor het jaar 2003 af te wijken van de ingediende aangifte, niet gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Met betrekking tot het geschilpunt onder 3.5.

4.19. Gelet op het onder 4.2. gegeven oordeel, is het geschilpunt onder 3.5. uitsluitend nog van belang voor de boetebeschikking die verweerder bij de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak mei 2001 tot en met december 2003 heeft gegeven.

4.20. Verweerder, op wie in deze de bewijslast rust, heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat het aan grove schuld van eiser is te wijten dat de omzetbelasting, welke hij op aangifte had moeten voldoen, niet is betaald. Bij dit oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. De tekortkomingen van eisers administratie zijn, naar volgt uit hetgeen daarover onder 4.5 en 4.6 is overwogen, dermate ernstig dat eiser, door bij de voldoening op aangifte niettemin van deze administratie uit te gaan, zó lichtvaardig heeft gehandeld dat hem grove schuld, dat is in laakbaarheid aan opzet grenzende grove nalatigheid, kan worden verweten.

4.21. Eisers standpunt dat de boete moet vervallen omdat eiser in de mededeling van het voornemen om de boete op te leggen, welke mededeling deel uitmaakt van het onder 2.4. vermelde controlerapport, uitsluitend (voorwaardelijk) opzet en niet (tevens) grove schuld is verweten, volgt de rechtbank niet. Er is geen grond aan te nemen dat de juridische kwalificatie van de in de mededeling van het voornemen tot het opleggen van een boete aan de nog op te leggen boete ten grondslag gelegde mate van verwijtbaarheid niet nadien, bij de boeteoplegging dan wel in de loop van de bezwaar- of beroepsprocedure, kan worden gewijzigd, mits daardoor de toegang tot de rechter op geen enkele wijze wordt belemmerd en gewaarborgd is dat de beboete belastingplichtige in de voorbereiding van zijn verdediging niet zodanig wordt geschaad dat in dat opzicht niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak (vergelijk Hoge Raad 4 april 2001, nr. 35 917, BNB 2001/272). Van een belemmering van de toegang van eiser tot de rechter en van een benadeling in

de verdedigingsmogelijkheden van eiser is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

4.22. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de boete, die na de vermindering bij de uitspraak op bezwaar 15% van de boetegrondslag bedraagt, niet uit boven hetgeen, gelet op de omstandigheden van het geval en de ernst van het vergrijp, passend en geboden is.

4.23. Nu sinds de aankondiging van de boete in het controlerapport van 14 september 2005, welke aankondiging naar het oordeel van de rechtbank de eerste handeling van verweerder was waaraan eiser in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat aan hem een boete zou worden opgelegd, meer dan twee jaar is verstreken, is de berechting van deze zaak niet geschied binnen is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden kunnen zijn om hierover anders te oordelen, zijn de rechtbank niet gebleken. Overschrijding van de redelijke termijn behoort te leiden tot vermindering van de boete, afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank wordt in het onderhavige geval met een vermindering van de boete met 10%, waardoor deze 13,5% van de boetegrondslag oftewel

€ 1.867 komt te bedragen, de overschrijding van de redelijke termijn in voldoende mate vergolden.

4.24. Gelet op hetgeen onder 4.17 tot en met 4.21 is overwogen, zal de rechtbank de bij de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 mei 2001 tot en met 31 december 2003 gegeven boetebeschikking aldus herzien dat de boete wordt verminderd tot € 1.867.

Met betrekking tot het geschilpunt onder 3.6.

4.25. Gelet op onder 4.2. gegeven oordeel, is het geschilpunt onder 3.6 uitsluitend nog van belang voor de bij de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en premie Ziekenfondswet voor het jaar 2003 en de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 mei 2001 tot en met 31 december 2003 gegeven beschikkingen heffingsrente, zoals deze bij de uitspraken op bezwaar zijn herzien.

4.26. Eiser heeft met betrekking tot de beschikkingen heffingsrente geen andere argumenten aangevoerd dan die, welke hij met betrekking tot de onder 4.25 genoemde belastingaanslagen heeft aangevoerd. Naar volgt uit hetgeen hiervoor met betrekking tot de onder 4.25 genoemde belastingaanslagen is geoordeeld, falen deze argumenten. Ook overigens is niet gebleken dat bij de beschikkingen heffingsrente, na de vermindering bij de uitspraken op bezwaar, meer heffingsrente in rekening is gebracht dan die, welke eiser is verschuldigd. Mitsdien faalt deze beroepsgrond.

Slotsom

4.27. Gelet op het vorenoverwogene dient te worden beslist zoals onder 6 is aangegeven.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het bezwaar en het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.499 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 161 en wegingsfactoren voor het gewicht van de zaak en voor het aantal samenhangende zaken van respectievelijk 1 en 1,5; 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en wegingsfactoren voor het gewicht van de zaak en het aantal samenhangende zaken van respectievelijk 1 en 1,5).

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen met betrekking tot de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en premie Ziekenfondswet voor de jaren 2001 en 2002, de tegelijkertijd met deze navorderingaanslagen gegeven boetebeschikkingen en de tegelijkertijd met de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 mei 2001 tot en met 31 december 2003 gegeven boetebeschikking gegrond;

- verklaart de beroepen met betrekking tot aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en premie Ziekenfondswet voor jet jaar 2003, de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 mei 2001 tot en met 31 december 2003 en de bij belastingaanslagen gegeven beschikkingen heffingsrente ongegrond;

- vernietigt de uitspraken op de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en premie Ziekenfondswet voor de jaren 2001 en 2002, de tegelijkertijd met deze navorderingaanslagen gegeven boetebeschikkingen en de tegelijkertijd met de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 mei 2001 tot en met 31 december 2003 gegeven boetebeschikking;

- vernietigt de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en premie Ziekenfondswet voor de jaren 2001 en 2002 en de tegelijkertijd met deze navorderingaanslagen gegeven boetebeschikkingen;

- herziet de tegelijkertijd met de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 mei 2001 tot en met 31 december 2001 gegeven boetebeschikking aldus dat de boete wordt verminderd tot € 1.867;

- bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.499 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als de rechtspersoon aan die dit bedrag aan eiser moet voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën het door eiser betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 6 maart 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.P.F. Slijpen en mr. R.C.H.M. Lips in tegenwoordigheid van H. van Lingen, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.