Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI1177

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
09-527992-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onder verwijzing naar de uitspraak van het Europees hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaal Salduz heeft de raadsman primair de niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit:

Het door de raadsman gevoerde verweer kan evenwel niet slagen. Voor de beoordeling van een dergelijk verweer heeft, op z’n minst tot de Hoge Raad daarover uitsluitsel heeft gegeven, te gelden hetgeen AG Knigge in zijn conclusie bij Hoge Raad 17-02-2009, LJN:BH3079, heeft gesteld.

Naar het oordeel van de politierechter berust het standpunt van de raadsman op een eenzijdige uitleg van bovengenoemde conclusie. Overgaan tot bewijsuitsluiting zoals door de raadsman beoogd, zou de door Knigge in overweging 6.9 gesignaleerde ernstige tekortkoming aan de belangen van wetshandhaving en aan de belangen van de slachtoffers tot gevolg hebben.

In de onderhavige zaak klemt dat laatste belang, het belang van het slachtoffer, in het bijzonder. Uit de door het slachtoffer opgestelde en ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring als ook uit de door het slachtoffer ter terechtzitting afgelegde verklaring is naar voren gekomen dat hij als gevolg van het geweldincident, zoals hierboven in de dagvaarding weergegeven, lichamelijk en geestelijk zwaar getraumatiseerd is geraakt. Op korte termijn zal hij nogmaals geopereerd moeten worden en de kansen op volledig herstel worden door de behandelende artsen laag ingeschat. Onder deze omstandigheden is het voor verdachte in positieve zin gevolg geven aan de strekking van de Salduz-uitspraak noch aan het slachtoffer noch aan de samenleving uit te leggen. In het strafproces spelen niet alleen de rechten van verdachte en zijn verdediging een rol. Een slachtoffer heeft op z’n minst recht op een fair slachtoffer trial en ook de samenleving heeft recht begrijpelijke en eerlijke behandeling van alle betrokkenen bij een strafproces. Er kunnen zich naar het oordeel van de politierechter omstandigheden voordoen waaronder een afweging moet worden gemaakt tussen de rechten van een verdachte op een eerlijk proces enerzijds en de rechten van het slachtoffer en de belangen van de samenleving bij een eerlijke rechtspleging anderzijds. Die afweging hoeft niet altijd in het voordeel van verdachte uit te vallen. Een hoger rechtsbelang kan een inbreuk op de rechten van verdachte rechtvaardigen.

In de onderhavige zaak doet die omstandigheid zich voor. Zo verdachte als gevolg van de wijze van opsporen al in enig belang zou zijn geschaad in de vorm van een inbreuk op zijn recht op een eerlijk proces, dan dient daaraan, gelet op het zwaarder wegend rechtbelang van het slachtoffer én van de samenleving, daaraan geen gevolg te worden verbonden.

Met betrekking tot de vraag of in de onderhavige zaak verdachtes recht op een eerlijk proces is geschonden overweegt de politierechter het volgende.

Daarnaast lijkt de raadsman geen oog te hebben gehad voor hetgeen door de AG onder de overwegingen 10.5 en 10.6 naar voren wordt gebracht met betrekking tot het effect van de uitspraak in de zaak Salduz op lopende strafzaken. De door de AG voorgestane casuïstische benadering in lopende strafzaken leidt ertoe dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Politierechter

Parketnummer 09/527992-07

Datum uitspraak: 6 april 2009

(Verkort vonnis)

De politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 23 maart 2009.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, is verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting zijn vordering beperkt tot € 5000,00.

De officier van justitie mr R.R. Knobbout heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer, [slachtoffer A.]

De officier van justitie heeft de gevangenneming van de verdachte gevorderd.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de politierechter aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5000,00 subsidiair 55 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer A.], vermeerderd met de wettelijke rente.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 19 juni 2007 te Reeuwijk aan een persoon, genaamd

[slachtoffer A.], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken linkeroogkas

en/of een sensibiliteitsstoornis van de nervus infra orbitalis aan de

linkerzijde en/of een gedeeltelijke sensibiliteitsstoornis van de nervus

mandibularis aan de linkerzijde en/of een afvlakking van de wang aan de

linkerzijde), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (meerdere malen) met

kracht op/tegen zijn gezicht te stompen en/of slaan;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 juni 2007 te Reeuwijk ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [slachtoffer A.],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die

[A.] (meerdere malen) met kracht op/tegen het gezicht heeft gestompt

en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 juni 2007 te Reeuwijk opzettelijk een persoon (te weten

[slachtoffer A.]), (meerdere malen) met kracht in het gezicht heeft gestompt

en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Onder verwijzing naar de uitspraak van het Europees hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaal Salduz heeft de raadsman primair de niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit:

Ïn casu heeft cliënt zijn recht op een fair trial en equality of arms niet vanaf het begin van zijn ondervraging geldend kunnen maken, omdat hem geen advocaat was toegekend vanaf de vrijheidsbeneming en/of aanhouding en omdat er geen advocaat bij en tijdens het eerste politieverhoor mocht zijn."

Het door de raadsman gevoerde verweer kan evenwel niet slagen. Voor de beoordeling van een dergelijk verweer heeft, op z'n minst tot de Hoge Raad daarover uitsluitsel heeft gegeven, te gelden hetgeen AG Knigge in zijn conclusie bij Hoge Raad 17-02-2009, LJN:BH3079, heeft gesteld.

Naar het oordeel van de politierechter berust het standpunt van de raadsman op een eenzijdige uitleg van bovengenoemde conclusie. Overgaan tot bewijsuitsluiting zoals door de raadsman beoogd, zou de door Knigge in overweging 6.9 gesignaleerde ernstige tekortkoming aan de belangen van wetshandhaving en aan de belangen van de slachtoffers tot gevolg hebben.

"Maar de rechter is niet de wetgever. De rechter is gebonden aan de geldende wet. Hij heeft bovendien niet alleen met de toekomst, maar ook - en misschien wel in de eerste plaats - met het verleden te maken: zijn uitspraken hebben immers betrekking op situaties die zijn geweest. Dat klemt in het onderhavige geval. De Nederlandse strafrechtspleging (waarin niet is voorzien in een recht van de verdachte op rechtsbijstand vóór of tijdens het eerste politieverhoor) is door de beide arresten van het Europese Hof overvallen. Dat maakt dat die arresten de overgrote meerderheid van de lopende strafzaken raken, waarin is verhoord voordat die arresten gewezen waren en waarin met het nieuwe recht dus nog geen rekening gehouden kon worden. Als daaraan op grote schaal consequenties moeten worden verbonden (in de vorm van bewijsuitsluiting en vrijspraak), wordt ernstig tekort gedaan aan het belang van wetshandhaving en aan de belangen van de betrokken slachtoffers."

In de onderhavige zaak klemt dat laatste belang, het belang van het slachtoffer, in het bijzonder. Uit de door het slachtoffer opgestelde en ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring als ook uit de door het slachtoffer ter terechtzitting afgelegde verklaring is naar voren gekomen dat hij als gevolg van het geweldincident, zoals hierboven in de dagvaarding weergegeven, lichamelijk en geestelijk zwaar getraumatiseerd is geraakt. Op korte termijn zal hij nogmaals geopereerd moeten worden en de kansen op volledig herstel worden door de behandelende artsen laag ingeschat. Onder deze omstandigheden is het voor verdachte in positieve zin gevolg geven aan de strekking van de Salduz-uitspraak noch aan het slachtoffer noch aan de samenleving uit te leggen. In het strafproces spelen niet alleen de rechten van verdachte en zijn verdediging een rol. Een slachtoffer heeft op z'n minst recht op een fair slachtoffer trial en ook de samenleving heeft recht begrijpelijke en eerlijke behandeling van alle betrokkenen bij een strafproces. Er kunnen zich naar het oordeel van de politierechter omstandigheden voordoen waaronder een afweging moet worden gemaakt tussen de rechten van een verdachte op een eerlijk proces enerzijds en de rechten van het slachtoffer en de belangen van de samenleving bij een eerlijke rechtspleging anderzijds. Die afweging hoeft niet altijd in het voordeel van verdachte uit te vallen. Een hoger rechtsbelang kan een inbreuk op de rechten van verdachte rechtvaardigen.

In de onderhavige zaak doet die omstandigheid zich voor. Zo verdachte als gevolg van de wijze van opsporen al in enig belang zou zijn geschaad in de vorm van een inbreuk op zijn recht op een eerlijk proces, dan dient daaraan, gelet op het zwaarder wegend rechtbelang van het slachtoffer én van de samenleving, daaraan geen gevolg te worden verbonden.

Met betrekking tot de vraag of in de onderhavige zaak verdachtes recht op een eerlijk proces is geschonden overweegt de politierechter het vol;gende.

Daarnaast lijkt de raadsman geen oog te hebben gehad voor hetgeen door de AG onder de overwegingen 10.5 en 10.6 naar voren wordt gebracht met betrekking tot het effect van de uitspraak in de zaak Salduz op lopende strafzaken. De AG overweegt onder die punten als volgt.

"10.5 Voor lopende zaken (dat wil zeggen zaken waarin het eerste politieverhoor plaats vond voordat de Hoge Raad arrest heeft gewezen) ligt dit mijns inziens anders. In die zaken heeft de politie geen rekening kunnen houden met de geformuleerde eisen. Het komt mij voor dat in die zaken alleen tot bewijsuitsluiting dient te worden overgegaan als de uitspraken van het Europese Hof in de zaken Salduz en Panovits daartoe dwingen. En die uitspraken dwingen zoals wij zagen niet tot een rigoreuze bewijsuitsluiting in alle gevallen waarin bij het eerste politieverhoor inbreuk is gemaakt op verdachtes recht op "access to a lawyer". Daarbij is vooral van belang dat (naar vooralsnog mag worden aangenomen) het gebruik van de verklaring niet in strijd komt met art. 6 EVRM indien ondanks de bedoelde inbreuk op de verdedigingsrechten aangenomen kan worden dat de verdachte zijn verklaring in vrijheid aflegde (hiervoor, punt 8.21). Daarnaast is van belang dat ook een gebruik dat slechts van ondergeschikte betekenis is, niet met art. 6 EVRM strijdt (hiervoor, punt 8.24).

10.6 In lopende zaken is dus mijns inziens een casuïstische benadering aangewezen, waarbij van geval tot geval wordt nagegaan of het tekort aan rechtsbijstand impliceert dat van een vrijwillige afstand van het zwijgrecht niet kan worden gesproken. Het enkele feit dat de cautie is gegeven, zal - in elk geval als het om minderjarigen gaat - onvoldoende moeten worden geacht om een waiver aan te nemen. Veel betekenis zal toekomen aan de omstandigheden waaronder het verhoor heeft plaatsgevonden en de wijze waarop het is verlopen. Ik merk daarbij op dat de aanvullende waarborgen waarvan in de punten 9.10 en 9.11 sprake is, hier wel aandachtspunten opleveren, maar niet maatgevend zijn. Die waarborgen zijn immers bedoeld om vooraf een discussie over de bruikbaarheid van de verklaring voor het bewijs zoveel mogelijk te voorkomen, niet om achteraf te beoordelen of vrijwillig afstand is gedaan van het zwijgrecht."

De door de AG voorgestane casuïstische benadering in lopende strafzaken leidt ertoe dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen.

Verdachte is een volwassen Nederlandse man die zich zeer bewust is van zijn situatie. Bij alle verhoren die na zijn aanhouding hebben plaatsgevonden, is hem de cautie gegeven en er is op geen enkele wijze gebleken dat hij niet in vrijheid zou hebben verklaard. Evenmin is gebleken dat verdachte heeft gevraagd om bijstand door een advocaat voorafgaand of tijdens zijn verhoren en evenmin is gebleken dat de politie die bijstand op enige wijze zou hebben belemmerd. Verdachte heeft op geen enkele wijze zijn bij de politie afgelegde verklaringen herroepen. Ook tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft verdachte zijn verklaringen niet herroepen. Hij heeft, nadat hem de cautie was gegeven, in aanwezigheid van zijn raadsman ter terechtzitting alle door de politierechter gestelde vragen beantwoord. Aldus heeft hij ter terechtzitting een verklaring afgelegd die gelijluidend is aan zijn ten overstaan van de politie afgelegde verklariung. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat indien van de door verdachte bij de politie afgelegde verklaringen voor het bewijs gebruik wordt gemaakt, het recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM, is geschonden, ook al heeft het verdachte voorafgaand aan en tijdens de verhoren door de politie ontbroken aan toegang tot dan wel bijstand door een advocaat.

De bewijsmiddelen.

De politierechter grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de politierechter tot de overtuiging gekomen en acht hij wettig bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de politierechter bewezen acht, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad, dat

hij op 19 juni 2007 te Reeuwijk aan een persoon, genaamd

[slachtoffer A.], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken linkeroogkas

en een sensibiliteitsstoornis van de nervus infra orbitalis aan de

linkerzijde en een gedeeltelijke sensibiliteitsstoornis van de nervus

mandibularis aan de linkerzijde en een afvlakking van de wang aan de

linkerzijde), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (meerdere malen) met

kracht tegen zijn gezicht te stompen;

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer A.] door hem zonder enige aanleiding met een vuist vol in het gezicht te stompen, waardoor bij het slachtoffer een gebroken oogkas is veroorzaakt. Deze mishandeling heeft een grote invloed gehad op de fysieke en psychische gesteldheid van het slachtoffer. Dit blijkt onder meer uit de verkregen medische informatie en de schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 19 september 2008, waarin het slachtoffer aangeeft nog altijd angst te voelen, bang te zijn voor verdachte en niet meer in het buitenland op vakantie te kunnen omdat hij geen zon en wind meer kan verdragen in zijn linkeroog. Ter zitting heeft dhr. [A.] voorts aangegeven dat hij reeds twee keer geopereerde is en dat hij op korte termijn een derde operatie zal moeten ondergaan.

Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen pijn en letsel bij het slachtoffer veroorzaakt, maar hij heeft daarnaast ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer A.]

Bij het bepalen van de op te leggen straf is acht geslagen op een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 maart 2009 waaruit blijkt dat verdachte eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld.

De rechtbank heeft kennis genomen van het voorlichtingsrapport van reclassering Nederland d.d. 16 juli 2008, opgemaakt door mw. C.H.J. Winters, reclasseringswerker en dhr. A. Botto, unitmanager. Geadviseerd wordt een werkstraf op te leggen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt niet geïndiceerd geacht omdat verdachte een fulltime baan heeft waarmee hij zijn vrouw en kinderen moet onderhouden. Tevens wordt verplicht reclasseringscontact niet geïndiceerd geacht omdat verdachte zijn leven voldoende op orde heeft en in staat lijkt te zijn om zelfstandig hulp te zoeken wanneer dat nodig is.

De politierechter zal, gelet op de ernst van het feit, het advies van de reclassering om een werkstraf op te leggen, niet overnemen. De politierechter is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden. Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de politierechter bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat zij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarden naleeft. Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen straf is hoger dan dat de officier van justitie heeft gevorderd. Naar het oordeel van de politierechter rechtvaardigt de ernst van hetgeen verdachte het slachtoffer heeft aangedaan deze strafoplegging. Het door verdachte toegebrachte letsel, zowel lichamelijk als geestelijk, is van zodanig ernstige aard dat het slachtoffer, zoals door hem verklaard ter terechtzitting en zoals neergelegd in zij slachtofferverklaring, door dat letsel in feite levenslang heeft. Het voorwaardelijk deel van deze straf dient verdachte ervan te weerhouden nogmaals op deze wijze te handelen. Verdachte kan zich onder omstandigheden zodanig gekrenkt voelen in zijn rechtvaardigheidsgevoel dat bij hem alle remmen los gaan en hij afrekent met degene die hem krenkt. Dat is, blijkens de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring, eerder gebeurd toen zijn moeder door vervelende jongetjes werd uitgemaakt voor hoer en hij gelijk afrekende. Ook in de onderhavige situatie kwam het ook neer op een directe afrekening wegens krenking van zijn rechtvaardigheidsgevoel.

Vordering van de benadeelde partij.

[slachtoffer A.], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5000,00 aan immateriële schade.

Gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, zal de politierechter, naar billijkheid een bedrag van € 5000,00 toewijzen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de politierechter begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de politierechter aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5000,00 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer A.]

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 24c , 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De politierechter,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

zware mishandeling;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 4 (vier) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden:

dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact zal hebben of zoeken met [slachtoffer A.];

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer A.] toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer A.], [adres], een bedrag van € 5000,00;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 5000,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer A.];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 55 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr H.J. de Graaff, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr N. de Jong, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter in deze rechtbank van 6 april 2009