Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI0777

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
rekestnummer: 331085 HA/RK 09.66 Wrakingnr. 2009/7
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking ingevolge artikel 17 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften juncto artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering. De omstandigheid dat de kantonrechter bij aanvang van de zitting de door verzoekster aangevoerde gronden van beroep samenvatte en vervolgens kennis gaf van bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt, levert geen (schijn van) vooringenomenheid en aldus geen grond voor wraking op. Dat de kantonrechter vervolgens overging tot de inhoudelijke behandeling van de zaak strookt met artikel 13 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en de wetsgeschiedenis en levert derhalve evenmin grond voor wraking op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnr. 2009/7

rekestnummer: 331085 HA/RK 09.66

registratienummer kanton: 809954 MB VERZ 08-2052

datum beschikking: 18 maart 2009

BESCHIKKING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 17 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften juncto artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering in de zaak van:

[verzoekster]

wonende [adres],

verzoekster,

gemachtigde: [gemachtigde],

tegen

mr. [X],

rechter in de rechtbank te 's-Gravenhage, sector kanton, locatie 's-Gravenhage.

1. Voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1 Aan verzoekster is bij beschikking van 28 januari 2008 door het Centraal Justitieel Incasso Bureau een administratieve sanctie als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften opgelegd. Verzoekster is daartegen in beroep gegaan bij de officier van justitie. Op 18 juni 2008 is het beroep van verzoekster door de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard. Tegen deze beslissing heeft verzoekster op 7 juli 2008 (bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie ontvangen op 15 juli 2008) een beroepschrift ingediend bij de sector kanton van deze rechtbank.

1.2 Tijdens de behandeling van het beroepschrift op de openbare terechtzitting van 17 februari 2009 heeft de gemachtigde van verzoekster kantonrechter mr. [X] gewraakt, waarna de zaak is verwezen naar de wrakingskamer.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 2 maart 2009 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. De gemachtigde van verzoekster is verschenen en heeft het wrakingsverzoek toegelicht.

Mr. [X], noch de officier van justitie dan wel diens vertegenwoordiger, is, hoewel daartoe uitgenodigd, op de zitting verschenen.

3. Het standpunt van verzoekster

Namens verzoekster is aangevoerd dat de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie ter zitting heeft verklaard dat het administratief beroep van verzoekster ten onrechte niet ontvankelijk is verklaard. Door aanstonds over te gaan tot de inhoudelijke beoordeling van de zaak is, zo is namens verzoekster betoogd, bij mr. [X] sprake van vooringenomenheid jegens verzoekster dan wel is de vrees daarvoor bij verzoekster ten aanzien van deze kantonrechter objectief gerechtvaardigd. Ten eerste zijn volgens verzoekster bij de behandeling van het administratief beroep door het Openbaar Ministerie fouten gemaakt en had de zaak derhalve niet inhoudelijk mogen worden behandeld door de kantonrechter, maar voor verdere behandeling dienen te worden terugverwezen naar het Openbaar Ministerie. Ten tweede vatte mr. [X] nog voordat de gemachtigde van verzoekster ter zitting iets had kunnen zeggen het beroepschrift van verzoekster samen en nam hij direct het standpunt in dat hetgeen verzoekster in haar beroepschrift heeft aangevoerd volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet kan slagen.

4. Het standpunt van mr. [X]

Mr. [X] heeft in diens schriftelijke reactie van 17 februari 2009 te kennen gegeven dat hij niet in de wraking berust. Mr. [X] heeft onder verwijzing naar een handboek van prof. Mr. L.J.J. Rogier betoogd dat het hem vrij stond het beroep tegen de opgelegde administratieve sanctie inhoudelijk te beoordelen. Hij heeft verder aangevoerd dat verzoekster het middel van wraking gebruikt om een juridisch dispuut te beslechten. Naar zijn mening doet zich hier een geval van misbruik voor. Mr. [X] heeft verzocht een beslissing als bedoeld in artikel 39 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de beschikking op te nemen.

5. Beoordeling

5.1 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2 De omstandigheid dat de kantonrechter bij aanvang van de zitting de door verzoekster aangevoerde gronden van beroep samenvatte en vervolgens kennis gaf van bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt, levert geen (schijn van) vooringenomenheid en aldus geen grond voor wraking op. Dat de kantonrechter vervolgens overging tot de inhoudelijke behandeling van de zaak strookt met artikel 13 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en de wetsgeschiedenis en levert derhalve evenmin grond voor wraking op.

5.3 Nu de door verzoekster aangevoerde gronden het verzoek niet kunnen dragen en zich naar het oordeel van de rechtbank ook overigens geen omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor vooringenomenheid van mr. [X] dan wel voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bij verzoekster, dient het verzoek te worden afgewezen.

5.4 De rechtbank is niet gebleken dat er aan de zijde van verzoekster sprake is van misbruik van het middel van wraking, als bedoeld in artikel 39 lid 4 Rv. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding te bepalen dat een volgend verzoek van verzoekster tot wraking van de rechter niet in behandeling zal worden genomen.

5.5 Derhalve zal als volgt worden beslist.

6. Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde in artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

* de verzoekster;

* mr. C.M. Putman, Centrale Verwerking Openbaar Ministerie Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschrifte

* mr. [X].

Aldus ter terechtzitting van deze rechtbank uitgesproken op 18 maart 2009 door

mrs. E.A.G.M. van Rens, voorzitter, S.J. Hoekstra-van Vliet en J.Th. van Walderveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Post als griffier.