Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI0373

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-03-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/4019 LB/PV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vergrijpboete 67f AWR wegens niet (tijdig) betalen van loonbelasting. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van grove schuld of opzet zijn uitsluitend relevant de gedragingen van eiseres tot het tijdstip waarop de belasting uiterlijk had moeten zijn betaald. Gedragingen na deze tijdstippen kunnen immers niet bewerkstellingen dat (uiterlijk) op dit tijdstip sprake is van opzet of grove schuld. De rechtbank acht aannemelijk dat eiseres zich pas na voormeld tijdstip ervan bewust is geworden dat zij te weining loonbelasting had betaald. Verweerder heeft geen of althans onvoldoende feiten gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat eiseres ter zake van dit niet-bewust zijn grove schuld kan worden tegengeworpen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde waarop de loonbelasting uiterlijk moest zijn betaald sprake was van grove schuld van eiseres. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0801
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/4019 LB/PV

Uitspraakdatum: 6 maart 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X] N.V., gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 2 april 2008 op het bezwaar van eiseres tegen de aan haar tezamen met de naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005 opgelegde vergrijpboete.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2009. Namens eiseres is

daar verschenen mr. [A] en namens verweerder is verschenen [B].

1 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan eiseres moet voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht van € 288 vergoedt.

2 Gronden

2.1. Het geschil betreft de vraag of aan eiseres terecht op de voet van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een vergrijpboete van € 7.500 is opgelegd wegens het grofschuldig (gedeeltelijk) niet tijdig betalen van door eiseres af te dragen loonbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2003 en 2004.

2.2. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat zijn standpunt dat sprake is van grove schuld steunt op de omstandigheid dat eiseres, hoewel zij wist dat zij loonbelasting/premie volksverzekeringen was verschuldigd, deze niet heeft betaald en ook niets heeft ondernomen om verweerder hieromtrent in te lichten.

2.3.1. Het ingevolge artikel 67f AWR beboetbare vergrijp betreft het opzettelijk of grofschuldig niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting, waaronder moet verstaan zowel de situatie waarin de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald als de situatie waarin de belasting te laat is betaald. In het onderhavige geval is een deel van de over 2003 en 2004 af te dragen loonbelasting/premie volksverzekeringen niet betaald.

2.3.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, AWR had de over 2003 en 2004 af te dragen loonbelasting/premie volksverzekeringen moeten zijn betaald uiterlijk een maand na afloop van 2003 onderscheidenlijk 2004.

2.3.3. Het vorenstaande brengt mee dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van grove schuld of opzet uitsluitend relevant zijn de gedragingen van eiseres tot een maand na afloop van 2003 onderscheidenlijk 2004. Gedragingen na deze tijdstippen kunnen immers niet bewerkstellingen dat (uiterlijk) op deze tijdstippen sprake is van opzet of grove schuld.

2.4.1. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat eerst in 2004 en 2005 bij interne controle aan het licht is gekomen dat over de lonen waarop de naheffingaanslag betrekking heeft, geen loonbelasting/premie volksverzekeringen was afgedragen en dat zij daarop alsnog de loonbelastingkaarten heeft ingezonden. Verweerder heeft dit betoog niet betwist. Het betoog strookt ook met de tekst van de brieven van 11 oktober 2004 en 28 oktober 2005 en met het gegeven dat ter zake van deze lonen geen aangifte is gedaan. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank aannemelijk dat eiseres zich tot het moment van de interne controle niet bewust was van het feit dat zij over 2003 en 2004 te weinig loonbelasting/premie volksverzekeringen had betaald en dat de interne controles hebben plaatsgevonden meer dan een maand na afloop van 2004.

2.4.2. Verweerder heeft geen of althans onvoldoende feiten gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat eiseres ter zake van dit niet-bewust zijn grove schuld, dat wil zeggen een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid, kan worden tegengeworpen. De enkele omstandigheid dat eiseres al jaren inhoudingsplichtige is en uit dien hoofde bekend mag worden verondersteld met de regels en verplichtingen betreffende de inhouding en afdracht van loonbelasting/premie volksverzekeringen is daartoe niet voldoende.

2.4.3. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde waarop de loonbelasting/premie volksverzekeringen over 2003 en 2004 uiterlijk moest zijn betaald sprake was van grove schuld van eiseres.

2.5. Op grond van het vorenstaande is het beroep gegrond en moet de boetebeschikking worden vernietigd.

2.6. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 6 maart 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. L. de Loor-Alwin, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Holdert, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.