Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI0314

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-03-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 20300
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is geboren op [geboortedatum] 1987 en van Srilankaanse nationaliteit. Eiser heeft op 15 januari 2008 bij de Nederlandse ambassade in Colombo een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. Eiser beoogt verblijf in Nederland gedurende 54 dagen in het kader van een bezoek aan het gezin van referent.

Kern van het geschil vormt in deze beroepszaak enkel de vraag of de inkomsten van referent kunnen worden aangemerkt als duurzaam en, in het verlengde daarvan, of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat referent niet kan worden aangemerkt als solvabele derde die zich voor de kosten van verblijf en terugreis van eiser garant kan stellen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat aan dit duurzaamheidsvereiste niet wordt voldaan omdat referent niet heeft aangetoond de afgelopen anderhalf jaar een zelfstandig verworven inkomen gehad te hebben. Om die reden worden zijn middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige niet als voldoende duurzaam aangemerkt en is de referent niet aan te merken als een solvabele derde.

De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het door verweerder gevoerde beleid ter zake van de vraag of een derde solvabel is te achten strijdig is met het bepaalde in artikel 5 van de Schengengrenscode en het bestreden besluit ook overigens niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 08 / 20300

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser], eiser,

gemachtigde W.A. Bonte,

tegen

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij schrijven van 2 mei 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 april 2008. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser van 25 februari 2008, gericht tegen het besluit van 5 februari 2008, ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder geweigerd eiser een visum voor kort verblijf te verlenen.

1.2. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. De ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

1.3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2008, alwaar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde, tevens referent in de onderhavige visumprocedure, die was vergezeld van zijn echtgenote en dochter. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.E.A.M. van Hal.

1.4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 8:64 van de Awb geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een nader standpunt in te nemen ten aanzien van de gestelde pensioenaanspraken van referent en referent in de gelegenheid te stellen (nadere) inkomensgegevens aan verweerder over te leggen.

1.5. Bij schrijven van 21 oktober 2008 heeft verweerder meegedeeld het bestreden besluit onverkort te handhaven.

1.6. Bij schrijven van 25 oktober 2008 heeft eisers gemachtigde (hierna verder te noemen: referent) op dit schrijven gereageerd. Bij schrijven van 2 november 2008 zijn de door referent aan verweerder overgelegde inkomensgegevens aan de rechtbank toegezonden.

1.7. Bij schrijven van 13 november 2008 heeft verweerder nogmaals een reactie ingezonden.

1.8. De behandeling van het beroep ter zitting is hervat op 26 januari 2009, alwaar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door referent, die was vergezeld van zijn echtgenote en dochter. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.A.M.W. ‘t Hoen.

2. Overwegingen

2.1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1987 en van Srilankaanse nationaliteit. Eiser heeft op 15 januari 2008 bij de Nederlandse ambassade in Colombo een aanvraag ingediend voor het in rubriek 1 bedoelde visum. Eiser beoogt verblijf in Nederland gedurende 54 dagen in het kader van een bezoek aan het gezin van referent. Ter zitting van 14 oktober 2008 is gesteld dat de dochter van referent eiser enkele jaren geleden heeft leren kennen tijdens een verblijf in Sri Lanka. Zij heeft toen bij de ouders van eiser in huis gewoond. Als tegenprestatie hebben referent en zijn echtgenote eiser uitgenodigd voor een tegenbezoek. Op een door referent ingevuld vragenformulier is overigens vermeld dat eiser de verloofde van zijn dochter is. Verder is ter zitting verklaard dat, anders dan het eveneens tot het procesdossier behorende uittreksel uit het huwelijksregister van het district Gampaha doet vermoeden, er geen sprake is van een huwelijk tussen eiser en de dochter van referent. Het voormelde uittreksel had geen enkele andere functie dan om te voorkomen dat de dochter van referent als alleenstaande vrouw tijdens haar verblijf in Sri Lanka zou worden lastig gevallen.

2.2. Verweerder heeft de visumaanvraag van eiser vervolgens bij het besluit van 5 februari 2008 afgewezen omdat referent niet beschikt over een duurzaam inkomen dat minimaal gelijk is aan het bestaansminimum voor Nederland teneinde zich garant te kunnen stellen voor de verblijfskosten en terugreis van eiser, terwijl ook niet is gebleken dat eiser zelf over voldoende inkomen beschikt. Tevens is volgens verweerder sprake van vestigingsgevaar in Nederland nu onvoldoende komen vast te staan dat eiser tijdig zal terugkeren naar het land van herkomst.

2.3. In hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd ten aanzien van zijn inkomen en het in onderdeel 2.2 bedoelde vestigingsgevaar, heeft verweerder geen grond gevonden om het bezwaar van eiser gegrond te achten. Aan het besluit op bezwaar heeft verweerder blijkens de motivering daarvan enkel nog ten grondslag gelegd dat eiser niet over voldoende middelen van bestaan beschikt en dat referent – kort gezegd – niet kan worden aangemerkt als solvabele derde.

2.4. Ter zitting van 14 oktober 2008 heeft verweerder in dit verband opgemerkt dat nu het gestelde omtrent het vestigingsgevaar niet meer is tegengeworpen, verweerder “daar verder niets meer mee kan”. De rechtbank begrijpt hieruit dat het gestelde omtrent het vestigingsgevaar niet langer wordt tegengeworpen en het in beroep bestreden besluit geeft, gelet op de motivering van dat besluit en het in bezwaar aangevoerde, ook geen grond om daaromtrent anders te oordelen. In het bestreden besluit is immers niet meer uitdrukkelijk op het bestaan van een vestigingsgevaar ingegaan naar aanleiding van het in bezwaar aangevoerde.

Op grond van hetgeen in beroep is aangevoerd, alsmede het verhandelde op beide zittingen, concludeert de rechtbank verder dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat referent ten tijde van het bestreden besluit beschikte over voldoende middelen.

Kern van het geschil vormt derhalve enkel nog de vraag of de inkomsten van referent kunnen worden aangemerkt als duurzaam en, in het verlengde daarvan, of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat referent niet kan worden aangemerkt als solvabele derde die zich voor de kosten van verblijf en terugreis van eiser garant kan stellen.

2.5. De rechtbank overweegt als volgt.

2.6. Het bestreden besluit is een besluit omtrent de afgifte van een visum. Dit besluit is genomen op basis van het Soeverein Besluit van 12 december 1813. Op grond van artikel 72, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een dergelijk besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep gelijkgesteld met een besluit gegeven krachtens de Vw 2000.

2.6.1. Voor de beoordeling van een visumaanvraag zijn drie Europese rechtsbronnen van toepassing, te weten de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 (Schengenuitvoeringsovereenkomst; Trbl. 1990, 154), de Schengengrenscode en de Gemeenschappelijke instructies aan de diplomatieke en consulaire beroepsposten (Gemeenschappelijke Visuminstructie; PB C 326 van 22 december 2005).

2.6.2. Op grond van artikel 15 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst mag een visum in beginsel slechts worden afgegeven, voor zover de vreemdeling voldoet aan de toegangsvoorwaarden genoemd in artikel 5, eerste lid, van de Schengengrenscode, met uitzondering van de onder b) genoemde voorwaarde. Artikel 5 van de Schengengrenscode luidt – voor zover thans van belang – als volgt:

“1. Voor onderdanen van derde landen gelden de volgende toegangsvoorwaarden voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden:

(…)

(c) het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden kunnen staven, alsmede beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven;

(…)

3. Bij de beoordeling van de bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met de duur en het doel van het verblijf, alsmede met de gemiddelde prijzen voor kost en inwoning in de betrokken lidstaat of lidstaten, bepaald op basis van een goedkoop verblijf, vermenigvuldigd met het aantal verblijfsdagen. De door elk van de lidstaten vastgestelde richtbedragen worden meegedeeld aan de Commissie, overeenkomstig artikel 34. De aanwezigheid van voldoende bestaansmiddelen kan worden beoordeeld aan de hand van contant geld, reischeques en creditcards die de onderdaan van een derde land in bezit heeft. Borgstellingen, voor zover de nationale wetgeving daarin voorziet, en garantstellingsverklaringen van de gastheer/-vrouw als gedefinieerd in de nationale wetgeving, ingeval de onderdaan van een derde land bij een gastheer/-vrouw verblijft, kunnen eveneens als bewijs van voldoende middelen van bestaan gelden.”

2.7 De rechtbank is van oordeel dat artikel 5 van de Schengengrenscode door de verwijzing naar de nationale wetgeving in relatie tot borgstellingen en garantstellings-verklaringen slechts bepaalt dat dit mogelijk is indien de nationale wetgeving ook in die mogelijkheden voorziet. Aan welke eisen een dergelijke borgsteller of garantsteller dient te voldoen, kan in nationale wetgeving verder worden ingevuld. De rechtbank acht vervolgens echter evident dat bij de vraag of een borgsteller of garantsteller solvabel is te achten, betrokken dient te worden welke eisen de Schengengrenscode in artikel 5 stelt aan het begrip beschikken over voldoende middelen van bestaan.

2.8 De rechtbank overweegt vervolgens dat zij heeft kennis genomen van een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 18 februari 2009 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN-nummer BH 3841). Daarin is onder meer overwogen:

“6.5 In de nationale regelgeving is de garantstelling geregeld in artikel 2.11 van het Vb 2000. Dit artikel vormt een nadere uitwerking van artikel 3, eerste lid, onder c, van de Vw 2000, waarin staat dat de toegang tot Nederland wordt geweigerd aan de vreemdeling die niet beschikt over voldoende middelen van bestaan om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang is gewaarborgd. Volgens het eerste lid van artikel 2.11 van het Vb 2000 dient de vreemdeling die een visum aanvraagt voor deze kosten zekerheid te stellen. Volgens het tweede lid kan deze zekerheid bestaan uit een verklaring van een solvabele derde die zich voor de kosten garant stelt.

De rechtbank constateert allereerst dat artikel 2.11 van het Vb 2000 het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000 niet van overeenkomstige toepassing verklaart. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de parlementaire geschiedenis van artikel 3 van de Vw 2000 eenduidig blijkt dat de wetgever heeft beoogd dat het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000 in een situatie als de onderhavige niet zou worden gesteld. Zij verwijst daartoe naar de Nota naar aanleiding van het verslag inzake het wetsvoorstel Algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000). Daarin wordt door de verantwoordelijke bewindslieden in antwoord op vragen over artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 het volgende meegedeeld.

“De leden van de fractie van GroenLinks vragen of bij de behandeling van de visumaanvraag niet al is beoordeeld of de vreemdeling beschikt over voldoende middelen om te voorzien in de kosten van het verblijf in Nederland.

Wij beantwoorden deze vraag bevestigend. De Schengenuitvoeringsovereenkomst stelt in artikel 5, eerste lid, onder c als voorwaarde voor afgifte van een visum dat de aanvrager dient te beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van oorsprong of voor de doorreis naar een derde Staat, waar de toelating is gewaarborgd. De vreemdeling behoeft niet altijd zelf in deze middelen te voorzien. Ook een verklaring van een garantsteller (bijvoorbeeld de gastheer/vrouw) dat deze zal voorzien in de verblijfskosten kan voldoende zijn. Deze garantsteller dient echter wel over voldoende middelen van bestaan te beschikken.

De fracties van RPF en GPV vragen of met het criterium voldoende middelen van bestaan hetzelfde wordt bedoeld als elders in de regelgeving (bijvoorbeeld artikel 14, 16 en 19).

In de artikelen 14, 16 en 19 is het uitgangspunt neergelegd dat de vreemdeling of de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven of verblijft (zelfstandig en) duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. In artikel 3 dat betrekking heeft op toegang van de vreemdeling wordt slechts gesproken over voldoende middelen van bestaan om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is. Het duurzaamheidsvereiste wordt derhalve niet gesteld.

(Tweede Kamer, 1999-2000, 26 732, nr. 7, blz. 89)”

6.6 Blijkens de hiervoor weergegeven parlementaire geschiedenis heeft de wetgever uitdrukkelijk beoogd dat bij de beoordeling of de vreemdeling dan wel de garantsteller over de bedoelde middelen beschikt het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000 niet wordt gesteld.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat beleidsonderdeel A2/4.3.3.1 van de Vc 2000 strijdig is met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, voor zover in dat beleidsonderdeel is bepaald dat een garantsteller alleen solvabel is indien (onder meer) aan het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000 is voldaan. De rechtbank acht dit beleidsonderdeel wegens strijd met de wet dan ook niet verbindend.

6.7 Uit het bovenstaande volgt dat de nationale regelgeving niet toestaat dat de toegang wordt geweigerd op de grond dat het inkomen van een garantsteller niet voldoet aan het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000. Dat brengt mee dat evenmin kan worden volgehouden dat om te kunnen spreken van ‘garantstellingsverklaringen van de gastheer-/vrouw als gedefinieerd in nationale wetgeving’ in de zin van artikel 5, derde lid, van de SGC, moet zijn voldaan aan het bedoelde duurzaamheidsvereiste. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de afwijzing van de visumaanvraag niet zelfstandig rusten op het standpunt van verweerder dat eiseres niet heeft aangetoond duurzaam over voldoende middelen van bestaan .”

Voor een verordening zoals de Schengengrenscode zijn echter geen nationale handelingen nodig (zoals een wet) om die verordening voor de betreffende lidstaat in werking te laten treden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat niet de vraag voorligt of beleidsonderdeel A2/4.3.3.1 van de Vc 2000 strijdig is met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, voor zover in dat beleidsonderdeel is bepaald dat een garantsteller alleen solvabel is indien (onder meer) aan het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000 is voldaan. Naar dezerzijds oordeel ligt enkel de vraag voor of de wijze waarop verweerder heeft beoordeeld of er sprake is van een solvabele derde zich verdraagt met het bepaalde in die Schengengrenscode ten aanzien van het beschikken over voldoende middelen. Het vorenstaande laat uiteraard onverlet dat de Nederlandse wetgever blijkens de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis kennelijk ook niet beoogd heeft dat bij de toegang van een vreemdeling het zogenoemde duurzaamheidsvereiste een rol speelt. Met betrekking tot de voormelde vraag overweegt de rechtbank vervolgens als volgt.

2.9. In hoofdstuk A2/4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is het door verweerder gevoerde beleid neergelegd ten aanzien van de overschrijding van de buitengrenzen en de toegangsvoorwaarden. Paragraaf A2/4.2.3.2 behandelt de middelen van bestaan en bepaalt, overigens onder verwijzing naar artikel 2.11 van het Vb 2000, dat aan vreemdelingen van wie niet zeker is dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikken onder voorwaarden toegang kan worden verleend. Een van die voorwaarden is dat de vreemdeling zekerheid stelt doordat een solvabele derde zich garant stelt. Voor een nadere uitwerking van dat begrip solvabele derde wordt vervolgens verwezen naar paragraaf A2/4.3.3.1 van de Vc 2000. Daarin is bepaald dat ingeval de vreemdeling zelf niet over voldoende middelen beschikt, desondanks aan het middelenvereiste kan worden voldaan, indien een in Nederland rechtmatig verblijvende solvabele derde zich garant stelt voor de kosten die voor de staat of voor andere openbare lichamen uit het verblijf van de vreemdeling kunnen voortvloeien, alsmede voor de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar de toelating van de vreemdeling is gewaarborgd. Deze derde kan aangemerkt worden als solvabel indien hij zelfstandig én duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Onder voldoende wordt in dit kader verstaan een netto maandinkomen minimaal gelijk aan het bestaansminimum voor de categorie echtparen en gezinnen in de zin van de Wet werk en bijstand. De begrippen zelfstandig en duurzaam zijn nader uitgewerkt in artikel 3.73 van het Vb 2000 en artikel 3.75 van het Vb 2000 en zijn overeenkomstig van toepassing op de verlening van kort verblijf.

2.9.1. Artikel 3.75 van het Vb 2000 luidt als volgt.

“1. De in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan zijn duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.

2. Middelen van bestaan verkregen uit eigen vermogen zijn duurzaam, indien zij gedurende een aaneengesloten periode van een jaar beschikbaar zijn geweest en nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.

3. In afwijking van het eerste lid, zijn middelen van bestaan verkregen uit arbeid in loondienst eveneens duurzaam, indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven gedurende een ononderbroken periode van drie jaren middelen van bestaan uit arbeid in loondienst zijn verworven en de middelen van bestaan gedurende nog zes maanden beschikbaar zijn. Indien tijdens de periode van drie jaren gedurende een periode van in totaal niet langer dan zesentwintig weken een werkloosheidsuitkering is ontvangen, wordt die uitkering gelijkgesteld met inkomen uit arbeid in loondienst.”

4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de duurzaamheid van middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige.”

2.9.2. In onderdeel A/4.2.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is met betrekking tot de toereikendheid van de middelen - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“ (…) De middelen dienen toereikend te zijn om te voorzien in zowel de kosten van het verblijf in Nederland als in de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar de toegang gewaarborgd is. Of de middelen waarover de vreemdeling kan beschikken toereikend zijn, hangt af van verschillende (persoonsgebonden) factoren, waaronder de duur van het voorgenomen verblijf, het reisdoel, de persoonlijke omstandigheden en de aard van het gebruikte vervoermiddel. Vaste maatstaven zijn in dit verband niet te geven. Ter indicatie kan worden aangenomen dat vreemdelingen die zelfstandig reizen, moeten kunnen voorzien in de kosten van hun verblijf en onderdak, hetgeen voor Nederland neerkomt op een bedrag van ten minste € 34 per persoon per dag. Dit bedrag is exclusief de eventuele kosten voor een vliegreis naar een plaats buiten Nederland waar de toegang is gewaarborgd. ”

2.9.2. Het door verweerder gevoerde beleid ter zake van de duurzaamheid van middelen van bestaan is uitgewerkt in onderdeel B1/4.3.4 van de Vc 2000. In B1/4.3.4 van de Vc 2000 is vermeld dat middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige eerst als duurzaam worden beschouwd indien zij gedurende tenminste anderhalf jaar zijn verworven en nog een jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend. Het algemene uitgangspunt bij behandeling van aanvragen om een verblijfsvergunning is dan ook dat de zelfstandige ten tijde van de aanvraag aantoont dat hij nog een jaar over voldoende middelen van bestaan kan beschikken. Hier kan de zelfstandige over het algemeen echter niet aan voldoen.

Immers, de inkomensvorming van een zelfstandige verloopt over het algemeen niet regelmatig over een jaar en het inkomen in zijn administratie wordt over een boekjaar vastgesteld. Aan de hand van zijn inkomsten uit het verleden dient daarom, aldus het door verweerder gevoerde beleid, te worden vastgesteld of de duurzaamheid van zijn inkomen voor de toekomst gewaarborgd kan worden geacht. Verder is in het beleid het volgende vermeld:

“Het inkomen van een startende ondernemer

Als startende ondernemer wordt aangemerkt diegene die nog niet anderhalf jaar inkomsten uit arbeid als zelfstandige heeft verworven. Immers, hij kan nog niet ten minste anderhalf jaar inkomsten uit arbeid als zelfstandige hebben verworven. De omstandigheid dat de ondernemer een reeds langere tijd bestaande onderneming overneemt, maakt niet dat hij geen startend ondernemer is in de zin van artikel 3.20 VV. Uitgangspunt van artikel 3.20 VV is immers het inkomen van de zelfstandige zelf, en niet het inkomen van diegene die voorheen de onderneming dreef.

De inkomsten van een startende ondernemer worden, ongeacht de hoogte ervan, vanwege de onzekerheid van de levensvatbaarheid van de onderneming en het ontbreken van een inzicht in de inkomsten van het verleden, niet aangemerkt als duurzame inkomsten in de zin van de Vw.”

2.10. In de vragenlijst visum kort verblijf heeft referent onder meer aangegeven dat hij tot 1 maart 2007 in loondienst is geweest en in verband met een reorganisatie is ontslagen. In dit verband heeft referent een jaaropgave 2006 overgelegd. Eiser heeft verder gesteld over een eigen huis te beschikken van circa € 400.000,= en een hypotheekschuld van € 25.000,= en tevens te beschikken over aandelen en spaartegoeden ad € 100.000,=.

Na het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst heeft hij van 1 maart 2007 tot begin 2008 een WW-uitkering ontvangen, hetgeen hij eveneens met schriftelijke stukken heeft onderbouwd. Daarna is hij gaan werken als interim-manager, op basis van een contract met een looptijd van 14 januari 2008 tot 31 juli 2008 en een tarief ad € 2.800,= per week exclusief BTW. Verder heeft referent, geboren op 25 juni 1943, in bezwaar te kennen gegeven per 1 juni 2008 recht te krijgen op pensioen (en naar verwachting te zullen doorwerken) maar tevens recht te gaan krijgen op AOW.

2.11. Verweerder heeft geconstateerd dat referent van 1 maart 2007 tot begin 2008 een WW-uitkering heeft ontvangen en heeft aangetoond vanaf 14 januari 2008 tot 31 juli 2008 een (nieuwe) opdrachtgever te hebben, welke laatste periode door verweerder dan ook wordt aangemerkt als een periode waarover referent inkomen uit arbeid als zelfstandige heeft verworven. Met kennelijke toepassing van het beleid zoals neergelegd in B1/4.3.4 van de Vc 2000 heeft verweerder vervolgens geconcludeerd dat referent niet heeft aangetoond de afgelopen anderhalf jaar een zelfstandig verworven inkomen gehad te hebben. Om die reden worden zijn middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige niet als voldoende duurzaam aangemerkt en is volgens verweerder – kort gezegd - niet gebleken dat referent als een solvabele derde is aan te merken.

2.12. Uit de door referent in het kader van de visumaanvraag van eiser verstrekte gegevens blijkt dat referent in de door verweerder gehanteerde periode van anderhalf jaar voorafgaand aan de visumaanvraag van 15 januari 2008 tot een jaar daarna verschillende inkomstenbronnen heeft. Hij is immers tot 1 maart 2007 in loondienst is geweest. Vervolgens heeft hij tot begin 2008 een WW-uitkering ontvangen. Daarna heeft hij met ingang van 14 januari 2008 een opdracht aanvaard om te gaan werken als interim-manager, op basis van een contract dat liep tot 31 juli 2008.

Eiser heeft nog gesteld dat zijn WW-uitkering weer zou herleven indien hij niet langer als zelfstandige werkzaam zou kunnen zijn. Die stelling heeft referent echter niet verifieerbaar onderbouwd. Wat daarvan echter ook moge zijn, voor wat betreft zijn toekomstige inkomen heeft hij aangekondigd per 1 juni 2008 met pensioen te gaan. Bij de beoordeling van de vraag of het inkomen van referent voldoende duurzaam is, heeft verweerder enkel gekeken naar de beschikbaarheid van inkomsten uit arbeid als zelfstandige in de voor dergelijke inkomsten relevant geachte periode. In de visie van verweerder is immers van doorslaggevend belang geacht dat een gevestigde ondernemer een persoon is die langer dan anderhalf jaar een bedrijf uitoefent en dat middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige eerst als duurzaam worden beschouwd indien zij gedurende tenminste anderhalf jaar zijn verworven.

2.13. Aldus is verweerder geheel voorbij gegaan aan de door referent gestelde inkomenspositie in de periode voorafgaande aan de aanvraag, alsmede aan het in de bestuurlijke fase gestelde ten aanzien van de toekomstige inkomenspositie van referent inclusief de pensioenaanspraken van referent. Uit de in dit verband door referent overgelegde stukken, welke stukken de rechtbank aanmerkt als stukken ter onderbouwing van het standpunt dat referent wel als solvabele derde is aan te merken, blijkt onomstotelijk dat referent over een inkomen beschikt en zal beschikken dat de van toepassing zijnde inkomensnorm ruimschoots overschrijdt.

2.14. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden en het van toepassing zijnde beoordelingskader is de rechtbank is van oordeel dat verweerder met vorenstaande – geïsoleerde - benadering van de inkomsten van referent door daarbij de maatstaven te hanteren die gelden voor inkomsten als zelfstandige en de vraag of deze inkomsten als zelfstandige als duurzaam zijn aan te merken, niet heeft kunnen volstaan en naar het gehele financiële plaatje van referent had dienen te kijken ter beoordeling van de vraag of deze solvabel was te achten. Hierbij heeft de rechtbank uitdrukkelijk in overweging genomen dat het door verweerder toegepaste beleid ter zake van de vraag of een derde solvabel is te achten, een beleid is bestemd voor verblijfsaanvragen met een langdurige karakter, terwijl het in het onderhavige geval een aanvraag voor een visum voor kort verblijf betreft en de vraag of de derde - die bereid is zich garant te stellen - solvabel is, bezien dient te worden in relatie tot de kosten van dat kort verblijf in Nederland en de kosten van de reis van de vreemdeling naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang is gewaarborgd. Daarenboven is in dat beleid zelf, in navolging van het bepaalde in artikel 5, derde lid, van de Schengengrenscode, ook uitdrukkelijk vermeld dat bij de vraag of sprake is van voldoende middelen gekeken dient te worden naar de omstandigheden van het geval, waaronder onder meer de duur van het voorgenomen verblijf en het reisdoel. Tot slot overweegt de rechtbank onder verwijzing naar het reeds in onder deel 2.8 (voorlaatste zin) overwogene dat ook de wetgever, anders dan bij verlening van een verblijfsvergunning, het duurzaamheidsvereiste niet van belang acht bij de beoordeling van de vraag of er toegang kan worden verleend aan een vreemdeling.

2.15. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het door verweerder gevoerde beleid ter zake van de vraag of een derde solvabel is te achten strijdig is met het bepaalde in artikel 5 van de Schengengrenscode en het bestreden besluit ook overigens niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank acht tevens termen aanwezig om te bepalen dat verweerder binnen uiterlijk zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiser dient te nemen.

2.16. Door eiser zijn geen proceskosten gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen en de rechtbank is evenmin van dergelijke kosten gebleken.

2.17. Wel ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat aan eiser het betaalde griffierecht ten bedrage van EUR 145,00 dient te worden vergoed.

2.18. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van verweerder van 24 april 2008;

bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het gestorte griffierecht ten bedrage van EUR 145,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van mr. W.A.M. Bocken als griffier bij verhindering van mr. E.M.J. Clermonts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2009.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier,

verzonden op: 26 maart 2009

Tegen deze uitspraak staat op grond van het bepaalde in artikel 84, aanhef en onder b, van de Vw 2000 geen hoger beroep open.