Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI0237

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
06-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/1537
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BL7350, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Grondwaterbelasting, art. 3 en 8 van de Wet belastingen op milieugrondslag, onttrekkingen van grondwater zijn vrijgesteld i.v.m. geringe pompcapaciteit van de inrichting. Met de pomp die wordt gebruikt voor de onttrekkingen zoals die in het bedrijfsmiddel (de betonmixer) is geïntegreerd, kan, ongeacht de wijze waarop het arbeidsvermogen van de pomp daarin wordt aangewend, feitelijk niet meer dan 8,5m3 grondwater per uur aan de bodem kan worden onttrokken. De maximale pompcapaciteit van de inrichting bedraagt derhalve minder dan 10m3 per uur. Dat de pomp theoretisch een hogere pompcapaciteit heeft, welke extra capaciteit zou kunnen worden benut indien de pomp op een andere wijze en in een andere constructie zou worden gebruikt, maakt dit niet anders. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0828
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/1537

Uitspraakdatum: 25 februari 2009

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 27 september 2005 over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag in de grondwaterbelasting opgelegd naar een bedrag van € 4.724. Daarbij heeft verweerder bij afzonderlijke beschikkingen een bedrag van € 419 aan heffingsrente aan eiseres in rekening gebracht en een verzuimboete van aan eiseres opgelegd ten bedrag van € 472.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 januari 2008 de naheffingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 4 maart 2008, ontvangen bij de rechtbank op 5 maart 2008, beroep ingesteld. Bij brief van 31 maart 2008 heeft eiseres haar beroepschrift aangevuld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009 te 's-Gravenhage.

Namens eiseres is daar verschenen [A] en [B], bijgestaan door mr. [C] en [D]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [E] en [F].

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. In 2005 is bij eiseres een onderzoek ingesteld naar haar belasting- en administratieplicht over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004 volgens de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm), meer in het bijzonder de mogelijke belastingplicht voor de grondwaterbelasting. De bevindingen en standpunten van de belastingdienst naar aanleiding van dat onderzoek zijn neergelegd in een controlerapport, waarvan een kopie als bijlage 1 bij het verweerschrift is overgelegd.

2.2. Eiseres exploiteert een betonmortelcentrale in [plaats]. In het kader hiervan onttrekt zij grondwater voor de productie van betonmortel.

2.3. Voor de onttrekking van het grondwater maakt eiseres gebruik van een centrifugaalpomp van het merk [merk], met een theoretische maximale capaciteit van 17,1m³ per uur. In het bedrijf van eiseres wordt het onttrokken grondwater nadat het aan de oppervlakte is gebracht tot verdere hoogte opgepompt teneinde in de betonmixers te worden geleid. Gemeten ter hoogte van het punt waar het water in de betonmixers wordt geleid, kan er maximaal 8,5m³ per uur worden onttrokken.

2.4. Eiseres heeft nimmer aangifte gedaan voor de grondwaterbelasting en heeft geen registratie bijgehouden van de onttrokken hoeveelheden grondwater.

3 Geschil

3.1. In geschil is of de onttrekkingen van grondwater door eiseres zijn vrijgesteld op grond van artikel 8, onderdeel a, van de Wbm (teksten 2000-2005).

3.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de belastingaanslag en de boetebeschikking.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4 Beoordeling van het geschil

4.1. De artikelen 3 en 8 van de Wbm luiden - voor zover hier van belang - als volgt:

"Art. 3 [tekst 01-01-2000 - 31-12-2007]

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

c. een inrichting: een inrichting als bedoeld in de Grondwaterwet, bestemd tot het onttrekken van grondwater;

d. onttrekken van grondwater: het onttrekken van grondwater aan de bodem door middel van een inrichting;

(...)

f. pompcapaciteit: het maximum wateropbrengend vermogen van een inrichting in kubieke meters per uur;

(...)

2. Inrichtingen tot het onttrekken van grondwater die een samenhangend geheel vormen, worden als één inrichting aangemerkt.

(...)

4. Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen omtrent de wijze waarop de pompcapaciteit van een inrichting bepaald wordt."

"Art. 8 [tekst van 01-01-2000 - 31-12-2005]

Vrijgesteld zijn de volgende onttrekkingen van grondwater:

a. onttrekking door middel van een inrichting met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan 10 kubieke meters per uur;

(...)"

4.2. Verweerder stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat voor de pompcapaciteit zoals bedoeld in voornoemd artikel 8 van de Wbm moet worden uitgegaan van de theoretische pompcapaciteit van de inrichting die eiseres voor de onttrekking van het grondwater gebruikt, waarbij als inrichting heeft te gelden het samenstel van de door eiseres gebruikte gemotoriseerde pomp en de ondergrondse leidingen die worden gebruikt om het grondwater aan de oppervlakte - ter hoogte van het maaiveld - te brengen en waarbij tevens ervan uit dient te worden gegaan dat de inrichting wordt gebruikt voor het onttrekken van grondwater tot aan een maximale hoogte van het maaiveld. De installatie(s) na de pomp dienen, evenals de invloed daarvan op het wateropbrengend vermogen van de pomp, volgens verweerder bij de bepaling van de pompcapaciteit buiten beschouwing te worden gelaten. Verweerder verwijst daarbij onder meer naar het besluit van de Staatsecretaris van Financiën van 31 december 1996, Mededeling 5, VB96/3708, en naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 15 februari 2005, nr. 02/04340.

Daarvan uitgaande stelt verweerder dat de inrichting een (theoretische) pompcapaciteit heeft van 17,1m³ per uur, derhalve meer dan 10m³ per uur, zodat de onttrekkingen niet zijn vrijgesteld op grond van artikel 8 van de Wbm.

4.3. Naar het oordeel van de rechtbank is het onder 4.2. weergegeven standpunt van verweerder onjuist. Daarbij overweegt de rechtbank als volgt.

4.4. Ingevolge het voornoemde artikel 8, eerste lid, van de Wbm is vrijgesteld een onttrekking door middel van een inrichting met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan 10m³ per uur, waarbij de pompcapaciteit ingevolge artikel 3, eerste lid, onderdeel f, van de Wbm het maximum wateropbrengend vermogen van een inrichting in kubieke meters per uur bedraagt. Vaststaat - naar ter zitting door beide partijen is bevestigd - dat met de pomp die eiseres gebruikt voor het onttrekken van het grondwater zoals die in het bedrijfsmiddel (de betonmixer) is geïntegreerd, ongeacht de wijze waarop het arbeidsvermogen van de pomp daarin wordt aangewend, feitelijk niet meer dan 8,5m³ grondwater per uur aan de bodem kan worden onttrokken. Daaraan verbindt de rechtbank de conclusie dat de maximale pompcapaciteit van de inrichting als bedoeld in voornoemde artikelen in het onderhavige geval minder dan 10m³ per uur bedraagt.

4.5. Hierbij is niet relevant of het begrip 'inrichting' beperkt wordt uitgelegd overeenkomstig het standpunt van verweerder, en wel in die zin dat de installaties na de pomp buiten beschouwing moeten blijven. Immers, ook indien in het onderhavige geval een (fictieve) scheiding bij de pomp zou worden aangebracht kan er - gelet op hetgeen hiervoor over de feitelijke maximale capaciteit van de pomp is overwogen - met die inrichting feitelijk niet meer dan 8,5m³ grondwater per uur aan de bodem worden onttrokken.

4.6. Dat met de pomp, indien de constructie van het bedrijfsmiddel waarin deze is geïntegreerd zou worden gewijzigd, wellicht meer dan 8,5m³ grondwater per uur aan de bodem worden onttrokken, brengt in het vorenoverwogene geen verandering. De rechtbank vermag niet in te zien dat de omstandigheid dat de pomp die eiseres gebruikt theoretisch een hogere pompcapaciteit heeft, welke extra capaciteit zou kunnen worden benut indien de pomp op een andere wijze en in een andere constructie zou worden gebruikt, dienaangaande tot een andere conclusie behoort te leiden. Deze opvatting vindt ook geen steun in de letterlijke tekst van de wet; deze spreekt immers van "een pompcapaciteit" en niet van "een theoretische pompcapaciteit". Evenmin blijkt uit de wettekst dat de invloed van de installatie(s) na de pomp bij de bepaling van de feitelijke maximale pompcapaciteit buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Voor zover verweerder stelt dat uit het onder 4.2. genoemde besluit van de staatssecretaris blijkt dat het begrip "pompcapaciteit" dient te worden uitgelegd als "theoretische pompcapaciteit waarbij de installatie(s) na de pomp bij de bepaling van de pompcapaciteit buiten beschouwing dienen te worden gelaten", kan de rechtbank hem daarin niet volgen. De rechtbank overweegt hierbij dat artikel 3, vierde lid, van de Wbm de Minister specifiek de mogelijkheid biedt om bij ministeriële regeling regels te stellen omtrent de wijze waarop de pompcapaciteit van een inrichting wordt bepaald. Nu de Minister van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, ziet de rechtbank geen reden om het begrip pompcapaciteit zodanig aanscherpt (en beperkt) uit te leggen als de staatssecretaris doet in het interpretatieve beleid, dat is neergelegd in zijn onder 4.2. genoemde besluit. Ook overigens ziet de rechtbank, mede gelet op de door partijen aangedragen jurisprudentie, geen aanleiding om de begrippen 'pompcapaciteit' of 'installatie' anders uit te leggen dan hiervoor is vermeld.

4.7. Nu ervan moet worden uitgegaan dat de pompcapaciteit van de inrichting als bedoeld in de onder 4.1. genoemde artikelen in dit geval minder dan 10m³ per uur bedraagt, is er hier sprake van een inrichting als bedoeld in voornoemd artikel 8, eerste lid, van de Wbm, zodat de onttrekkingen van grondwater door eiseres op grond van dat artikel zijn vrijgesteld en is het beroep gegrond. De overige beroepsgronden van eiseres behoeven derhalve geen verdere behandeling.

4.8. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard en dienen de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente te worden herroepen.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 973,80 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Voor de overige proceskosten, te weten reiskosten wordt verweerder, eveneens met toepassing van dat besluit, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 7,80.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- herroept de belastingaanslag, de verzuimboete en de beschikking heffingsrente en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 973,80 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) als de rechtspersoon aan die dit bedrag aan eiseres moet voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 285 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 25 februari 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. H. Ollermann en mr. M.M. Smorenburg in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.