Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH9948

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-04-2009
Datum publicatie
03-04-2009
Zaaknummer
09/758554-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BP3638, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BP3752, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ1410, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van tenlastegelegde moord c.q. doodslag. Geen overtuigend bewijs voor de aanwezigheid van verdachte op de plaats delict. Sinds het moment dat is vastgesteld dat er uit biologische sporen op de plaats delict DNA-profielen zijn verkregen die matchen met het DNA-profiel van verdachte, heeft het politieonderzoek zich met name gericht op bevestiging van de met die DNA-sporen (terecht) gerezen verdenkingen jegens verdachte, met als uitgangspunt dat het hier om dadersporen ging. Dit onderzoek, zo blijkt uit het voorgaande, heeft met name veel mogelijke scenario's opgeleverd. Maar zelfs het door politie en OM gepresenteerde meest waarschijnlijke scenario, wordt - behalve met een groot aantal DNA-matches - met geen ander valide gebleken bewijsmiddel overtuigend onderbouwd. Andere mogelijke verklaringen voor de aangetroffen DNA-sporen worden daarom door de officier van justitie ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Op grond van de onderzoeksresultaten kunnen alternatieve scenario's - waaronder de door de verdediging geschetste gang van zaken waarbij de verdachte weliswaar ooit de eigenaar van het wapen en munitie was, maar niet de schutter is geweest - onvoldoende worden uitgesloten. Er zijn wel heel veel verhalen, er zijn veel praatjes, er zijn vermoedens. Maar er is, met andere woorden, niet met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat verdachte het feit heeft gepleegd of dat verdachte op 7 november 2007 wapens voorhanden heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/758554-07

Datum uitspraak: 3 april 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte X],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

adres: [adres].

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 15 juli 2008, 9 september 2008, 2 en 5 december 2008, 24 februari 2009, 16, 17, 18 en 20 maart 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mr. Boersma en Rijsdorp en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. Kuijpers, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 07 november 2007 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten

rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers

heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad

en rustig overleg, althans met dat opzet,

met een of meer, vuurwapen(s) (op korte afstand) tenminste vier, althans een

of meer, kogel(s) afgevuurd op/naar, althans in de richting van, de hals/nek

en/of borst en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer], tengevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 07 november 2007 te 's-Gravenhage en/of Voorburg een of

meer wapens van categorie III, te weten een vuurwapen(s) in de vorm van een

pistool (merk BBM), kaliber 6.35 mm en/of een pistool (merk Taurus), kaliber 9

mm, en/of (voor voornoemd()e wapen(s) geschikte) munitie van categorie III, te

weten een of meer patro(o)(en) van het kaliber 6.35 mm Browning (7 stuks)

en/of 9 mm Parabellum (5 stuks), voorhanden heeft gehad;

3.

hij in of omstreeks de periode van 17 maart 2008 tot en met 1 april 2008 te

Honselersdijk en/of Poeldijk, althans gemeente Westland, en/of te

's-Gravenhage en/of Voorburg, althans elders in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft

vervoerd en/of aanwezig heeft gehad ongeveer 20 (witte) dozen, inhoudende 200

kilogram, althans 21 kilogram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer

dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

4.

hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2007 tot en met 26 oktober 2007

te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een

parkeergarage ([naam]) aan de [adres] heeft weggenomen

een motor (merk Yamaha, type XT600E, kleur zwart), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft

en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht

door middel van braak en/of verbreking, te weten door een stuurslot en/of

kettingslot van die motor te forceren;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2007 tot en met 1 april 2008 te

's-Gravenhage en/of Voorburg, althans elders in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een motor, merk Yamaha,

type XT600E, kleur zwart heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van die motor wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat

het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3. Het bewijs

3.I De zaak [slachtoffer] (feiten 1 en 2)

3.I.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte betrokken is geweest bij de moord/doodslag op [slachtoffer]. Volgens de officier van justitie heeft verdachte de dodelijke schoten gelost en aldus de betreffende wapens voorhanden gehad.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte feit 1 en feit 2 heeft begaan.

De officier van justitie heeft als bewijsmiddelen met name genoemd:

- het aangetroffen DNA van verdachte op de plaats delict;

- het signalement, de compositietekening en de gedeeltelijke herkenning van verdachte;

- de verklaring van de echtgenote van het slachtoffer, de getuige [B], over de gang van zaken rond de moord cq doodslag;

- beelden van verdachte bij de Texaco en de aan de hand van de telefoongegevens van verdachte en zijn medeverdachten vastgestelde tijdlijn;

- verklaringen van de medeverdachte [Y] en de getuige [C] en

- een afgeluisterd gesprek tussen medeverdachte [Y] en aanvankelijke medeverdachte [V].

3.I.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld, dat verdachte moet worden vrijgesproken van elke betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] en daarmede van de feiten 1 en 2.

Verdachte heeft scenario's geschetst ter verklaring van de mogelijke aanwezigheid van zijn DNA op de plaats delict, scenario's die niet kunnen worden uitgesloten. De herkenning door de getuige [B] is onbetrouwbaar en de overige genoemde bewijsmiddelen zijn niet meer dan speculaties en veronderstellingen, gebaseerd op onbetrouwbare getuigen.

3.I.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Op 7 november 2007 tussen 18.07 u. en 18.11 u. is [slachtoffer] door schoten om het leven gebracht in zijn woning aan de Bezuidenhoutseweg te Den Haag. Zijn echtgenote, de getuige [B], was daarbij aanwezig. Deze getuige heeft verklaard dat haar man bij thuiskomst werd opgewacht en gevolgd toen hij de woning betrad door een man met een bivakmuts. Er is een worsteling ontstaan tussen het slachtoffer en de dader, mogelijk nadat het slachtoffer al was beschoten. De getuige heeft getracht haar echtgenoot te ontzetten maar uiteindelijk is de dader er in geslaagd een aantal schoten te lossen op [slachtoffer], die, zoals blijkt uit het sectie rapport, als gevolg daarvan is overleden(1).

Tijdens het technisch onderzoek op de plaats delict is in de nabijheid van het slachtoffer een 6.35 mm pistool aangetroffen en ook daarbij behorende munitie. Eveneens is munitie aangetroffen van kaliber 9 mm. Bij sectie zijn in het lichaam van het slachtoffer twee kogels van kaliber 9 mm aangetroffen. In totaal zijn vier schotbanen in het lichaam aangetroffen.

Alle op de plaats delict aangetroffen munitie, het wapen en de kleding van het slachtoffer zijn op mogelijke sporen onderzocht en bemonsterd.

Reeds op 30 november 2007 rapporteert het Nederlands Forensisch Instituut (verder te noemen het NFI) aan de officier van justitie dat na DNA-onderzoek sprake is van een match met het DNA van verdachte(2). In de loop van de maanden daarna zijn het wapen en de munitie verder onderzocht op biologische sporen en zijn meerdere matches met het DNA van verdachte vastgesteld.

Met als uitgangspunt dat het hier dadersporen betreft heeft het onderzoek zich vervolgens op verdachte (en mogelijke opdrachtgevers) gericht. Zijn contacten zijn nagegaan. Zijn historische telefoongegevens zijn verzameld en dit heeft uiteindelijk geleid tot aanhouding van verdachte. Verdachte heeft van meet af aan ontkend.

De rechtbank zal de door de officier van justitie genoemde bewijsmiddelen bepreken en allereerst de aangetroffen DNA sporen op de plaats delict bespreken.

a. de conclusies uit de DNA-onderzoeken.

Het wapen en de munitie

Het eerste spoor dat werd aangetroffen was op het pistool, kaliber 6.35 mm (SVO 516). Daarvan zijn monsters genomen onder nummer CMA524. In de bemonstering CMA524#1 van de ruwe delen van het pistool is een onvolledig DNA-mengprofiel verkregen met daarin kenmerken van minimaal twee personen, waaronder minimaal één man. Uit dit mengprofiel is een hoofdprofiel afgeleid, dat matcht met het DNA-profiel van verdachte. Het NFI heeft gerapporteerd, dat de kans dat een willekeurig gekozen persoon een DNA-profiel heeft dat matcht met dit afgeleide DNA-hoofdprofiel kleiner is dan 1 op 1 miljard(3). De contra-expertise werpt geen ander licht op deze conclusie.

Behalve in dit monster is ook in de bemonsteringen van de bij dit pistool behorende patroonhouder (SVO516#1, CMA525), van een in de woonkamer aangetroffen 6.35 mm patroon (SVO520, CMA529), van de in de hal aangetroffen geluiddemper (SV400, CMA510#1) en van een in de hal van de woning van het slachtoffer aangetroffen 9 mm huls (SVO401, CMA511) een DNA-profiel aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte en waaraan een dergelijke frequentie kan worden verbonden.

Alle andere bemonsteringen van munitie, welke zijn onderzocht op DNA-sporen, hebben geleid tot de conclusie dat daarin wisselend kenmerken voorkomen, welke overeenkomen met die in verdachtes profiel. De daaraan te verbinden frequenties (de kans dat een willekeurig ander gekozen persoon een DNA-profiel heeft dat matcht met het gevonden profiel) zijn echter aanzienlijk kleiner en daarmee ook de bewijswaarde van die sporen.

Bovendien is de vraag of het hier om dadersporen gaat. Met uitzondering van de hiervoor bedoelde 9 mm huls gaat het om sporen op en samenhangend met een wapen waarmee niet de dodelijke schoten zijn gelost. Over de aard van het celmateriaal zijn geen uitspraken te doen en daarmee blijft de vraag of het hier dadersporen betreft niet eenduidig te beantwoorden. Die vraag zal aan de hand van andere bewijsmiddelen moeten worden beantwoord.

Ter verklaring van de mogelijke aanwezigheid van zijn DNA op het aangetroffen wapen heeft verdachte aangevoerd, dat in september 2006 is ingebroken in zijn woning, waarbij met of uit een kluis onder meer een 6.35 mm pistool is buitgemaakt. Van de zijde van het Openbaar Ministerie zijn vraagtekens gezet bij de diefstal van of uit die kluis en de aanwezigheid van een wapen in die kluis. De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld, dat het hier dadersporen betreft.

De rechtbank heeft vastgesteld, dat de beide ter terechtzitting gehoorde DNA-deskundigen, Dr Kal van het NFI en Ing. Eikelenboom van het Independant Forensic Services (verder te noemen het IFS), de mogelijkheid dat zich meer dan een jaar na een dergelijke diefstal nog DNA van verdachte op het wapen bevindt niet kunnen uitsluiten.

De jas van het slachtoffer

Naar aanleiding van de verklaring van de getuige [B], dat de dader op het slachtoffer is gesprongen, is onderzoek gedaan naar mogelijke greep- of contactsporen van de dader op de kleding van het slachtoffer. Daarbij is ervoor gekozen het rechter- en linkervoorpand van het jasje te bemonsteren (respectievelijk CMA500#1en CMA500#2).

In de bemonstering CMA500#1 is een onvolledig DNA-mengprofiel met kenmerken van minimaal twee personen aangetroffen. Het celmateriaal kan afkomstig zijn van het slachtoffer en van verdachte. Het scenario dat het gaat om celmateriaal afkomstig van het slachtoffer en van verdachte, afgezet tegen het scenario dat het gaat om celmateriaal afkomstig van het slachtoffer en een onbekende leidt bij het NFI tot de conclusie dat het eerste scenario 840 miljoen maal waarschijnlijker is dan het tweede(4). Het NFI ziet geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van celmateriaal van een derde persoon.

Ook in de op verzoek van de verdediging door de rechter-commissaris gevraagde contra-expertise van ing. R. Eikelenboom van het IFS5 wordt geconcludeerd, dat een groot deel van de kenmerken van de DNA-profielen van de verdachte en het slachtoffer wordt teruggevonden in dit monster. Daarbij wordt er echter op gewezen dat niet is uitgesloten dat wél een zeer geringe hoeveelheid celmateriaal van een onbekend persoon in de bemonstering aanwezig is.Uit de bij dit rapport gevoegde profieltabellen leidt de rechtbank bovendien af, dat verdachte en de getuige [B] overeenkomstige kenmerken hebben.

In het monster van het linkervoorpand (CMA500#2) heeft het NFI een DNA-profiel van het slachtoffer aangetroffen. Daarbij zijn voorts enkele additionele zwak aanwezige DNA-kenmerken zichtbaar die kunnen duiden op een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van minimaal één andere persoon(6). In het rapport van de contra-expertise heeft het IFS geconcludeerd, dat een aantal van deze kenmerken overeenkomt met het profiel van de verdachte. Ter terechtzitting heeft dr. Kal van het NFI erop gewezen, dat als het hier zou gaan om celmateriaal afkomstig van verdachte juist de aanwezigheid van andere kenmerken zou mogen worden verwacht. Hij relativeert daarmee de conclusie van ing. Eikelenboom.

Door verdachte en zijn advocaat is ter verklaring van de mogelijke aanwezigheid van celmateriaal van verdachte aangevoerd, dat de mogelijkheid bestaat dat sprake is van indirecte overdracht van celmateriaal van verdachte op het slachtoffer. Vast is komen te staan dat verdachte en de getuige [B], vlak na elkaar handelingen hebben verricht bij het betaalloket van het Texaco tankstation in de nabijheid van de plaats delict. Zowel in de rapportage van het NFI als in het rapport van IFS is met kracht van argumenten aangegeven dat het veel waarschijnlijker is dat celmateriaal is achtergebleven door directe overdracht. Ter terechtzitting hebben de beide deskundigen, zowel dr. Kal als ing. Eikelenboom verklaard, dat in weerwil van die conclusie, de mogelijkheid dat celmateriaal van verdachte indirect is overgebracht, niet kan worden uitgesloten.

Beschouwing en tussenconclusie.

Het vorengaande overziende moet worden vastgesteld, dat een groot aantal DNA-sporen op het ter plaatse aangetroffen wapen en op munitie(delen) alsmede een op de jas van het slachtoffer aangetroffen DNA-spoor in zeer sterke mate matchen met het DNA-profiel van verdachte. De rechtbank volgt ten aanzien van het rechtervoorpand van de jas van het slachtoffer het door het NFI meest waarschijnlijk geachte scenario. Dat scenario komt erop neer, dat de kans zeer groot is dat het DNA-profiel van dat spoor kan worden verklaard door een mengsel van DNA van het slachtoffer en verdachte. Het spoor geeft voorts geen aanleiding om te vermoeden dat een willekeurige derde het spoor heeft achtergelaten op de jas. Het op het linkervoorpand van de jas aangetroffen DNA-spoor wordt buiten beschouwing gelaten nu de deskundigen daarover van mening verschillen.

Hoewel de onderzoeksresultaten dus sterk lijken te wijzen in de richting van de conclusie dat verdachte op de plaats delict is geweest, dient de vraag te worden gesteld of op grond van deze onderzoeksresultaten in voldoende mate kan worden uitgesloten, dat er een andere conclusie mogelijk is dan dat de verdachte op de plaats delict is geweest.

In dit verband is illustratief, dat in Bloemendaal op de plaats waar in april 2008 een brute overval heeft plaatsgevonden, ook DNA-sporen van verdachte zijn aangetroffen (op een touw), terwijl vast staat dat verdachte daar niet kan zijn geweest. Verdachte zat immers ten tijde van het plegen van die overval in voorlopige hechtenis.

Het komt de rechtbank daarom voor dat de DNA-onderzoeksresultaten met een zeer grote mate van voorzichtigheid dienen te worden geïnterpreteerd.

De afweging omtrent de aangetroffen DNA-sporen is in dit geval extra gecompliceerd omdat er zowel op het wapen en munitie(onderdelen) DNA-sporen zijn aangetroffen als op de jas van het slachtoffer. Deze combinatie is ten minste opvallend te noemen.

Zoals hiervoor reeds aangegeven zijn door verdachte en zijn raadsman hier twee verklaringen tegenovergesteld. Deze verklaringen kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet afdoende worden weerlegd door hetgeen uit het onderzoek is gebleken. Weliswaar is het vreemd dat verdachte over zijn kluis heeft verklaard dat hij daarin ook zijn handschoenen bewaarde en dat getuige [D] over deze kluis niet consistent heeft verklaard. Desalniettemin acht de rechtbank het gegeven dat de DNA-sporen op het wapen en de munitie zijn terecht gekomen omdat verdachte deze voorwerpen in het verleden in zijn bezit heeft gehad, niet op voorhand onaannemelijk. Voorts is de door de raadsman te berde gebrachte sleeptheorie - hoe weinig waarschijnlijk die theorie ook is - niet van dien aard dat deze eenvoudig terzijde kan worden gesteld.

Het door de verdediging gevoerde verweer noopt er vervolgens toe dat de rechtbank zich buigt over de vraag of er behoudens de DNA-onderzoeksresultaten andere onderzoeksresultaten zijn die (al dan niet in samenhang met de DNA-sporen) kunnen leiden tot het oordeel dat de verdachte aanwezig is geweest op de plaats delict, zoals door de officier van justitie is gesteld.

De bewijsmiddelen die in dat verband van belang zijn, zullen hierna worden besproken.

b. de herkenning door de echtgenote van het slachtoffer.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, dat de verklaringen van de echtgenote van het slachtoffer, de getuige [B], van groot belang zijn voor het bewijs, met name waar het betreft het door haar gegeven signalement, de daaruit voortvloeiende compositietekening en de herkenning via de compositietekening.

De verdediging heeft aangevoerd, dat - zo al sprake is van een herkenning van verdachte - deze herkenning onbetrouwbaar is.

De verklaringen.

Tijdens haar eerste verhoor enkele uren na de moord heeft de getuige [B] verklaard dat zij op enig moment achter de schutter is gaan staan en zijn bivakmuts gedeeltelijk omhoog heeft getrokken waardoor zij de zijkant van zijn gezicht heeft gezien. Het gezicht van de dader heeft zij wel gezien, maar zij kan niet zeggen of zij hem bij weerzien zal herkennen, nu het allemaal zo snel ging. Zij geeft als signalement van de dader op dat het een blanke man betreft, tussen de 25 à 30 jaar oud met een lengte van 1 meter 90. Hij sprak met een Amsterdams accent, had kort peper en zoutkleurig haar en geen baard of snor of een stoppelbaard. Wat haar opviel waren de vouwen in zijn gezicht. Verder droeg de dader donkere kleding.(7)

Op 11 november 2007 is op aanwijzingen van de getuige [B] door een tekenares een compositietekening gemaakt aan de hand van het door haar opgegeven signalement. Nadat de compositietekening gereed was zei [B] dat de man die op de tekening was afgebeeld de man was die haar echtgenoot [slachtoffer] had vermoord. Ze zei tevens dat ze, nu ze het eindresultaat van de tekening zag, enigszins schrok en de op de tekening afgebeelde man herkende als een persoon van vroeger. Het betrof een persoon van 16 jaar geleden, die toentertijd ook wel eens bij haar en haar echtgenoot thuis was geweest. Deze persoon was een "gokvriend" van [slachtoffer] uit Amsterdam. De getuige herinnerde zich dat [slachtoffer] toen wel eens ruzie heeft gehad met deze man. Voorts vertelde zij dat de man toen in een BMW reed en een kind had van 4 jaar. De man was iets ouder dan [slachtoffer].(8)

Op dinsdag 1 april 2008 is de getuige [B] door familierechercheurs op de hoogte gesteld van het feit dat onder meer [verdachte] uit [woonplaats] is aangehouden in verband met zijn betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer] en dat hij de vermoedelijke schutter zou zijn. Op 9 april 2008 heeft de getuige samen met haar dochter over dit bericht nagedacht. Zij heeft ook haar zuster hierover gesproken en geconcludeerd dat zij op de 3e of 4e verjaardag van de zoon van haar zuster is geweest en dat verdachte daar toen ook aanwezig was. Op 3 april 2008 is getuige [B] naar haar zuster gegaan om twee foto's van die betreffende verjaardag, waarop ook verdachte stond, te bekijken. Toen de getuige [B] deze twee foto's zag zou zij meteen tegen haar zuster hebben gezegd "Ja, dat is hem". De man op deze twee foto's herkent zij als de man die op 7 november 2007 [slachtoffer] heeft doodgeschoten. (9)

De getuige is ook uitvoerig gehoord bij de rechter-commissaris. Zij heeft daar over de totstandkoming van de compositietekening verklaard dat toen ze het eindresultaat zag, zij schrok en de schutter herkende. Een minuutje of tien nadat zij de compositietekening had gezien dacht zij "ik heb dat gezicht eerder gezien". Zij heeft zich toen bedacht dat zij zijn gezicht 15 of 16 jaar geleden wel eens eerder had gezien. Zij had toen geen concrete gokvriend in gedachten. Het kwartje viel toen haar zus op hem kwam en haar later de foto's van het feestje liet zien. Toen zij de foto's zag herkende zij verdachte als schutter. Over de avond van de moord heeft getuige [B] verklaard dat zij de bivakmuts van de schutter heeft afgetrokken en dat zij toen schuin voor hem stond. Ze heeft zijn hele gezicht kunnen zien en ook wel een deel van zijn haar. De bivakmuts heeft zij omhoog gekregen tot boven op zijn hoofd. Zij heeft het gezicht niet lang gezien, ook omdat zij toen direct langs de schutter is gelopen om te trachten hem van [slachtoffer] af te trekken. Voorts heeft zij verklaard dat ze de linkerkant van het gezicht van de schutter heeft gezien. Toen zij met de schutter in de hal zat had hij de bivakmuts nog omhoog zitten. De schutter keek haar toen aan, dus zij heeft hem in het gezicht gezien. Zij dacht toen niet: "dit gezicht herken ik".

Zij herhaalt het signalement van de schutter dat zij eerder bij de politie heeft opgegeven. In aanvulling daarop geeft zij aan dat de vouwen in de vorm van halve maantjes over de wangen liepen. Specifiek aan het gezicht vond zij het haar en de vouwen. Dat vond zij ook specifiek aan de compositietekening. (10)

De deskundige.

Prof. dr. P.J. Van Koppen, hoogleraar rechtspsychologie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Maastricht, is door de verdediging gevraagd als deskundige te rapporteren over voormelde herkenningen en de compositietekening door getuige [B](11). Hij is ook ter terechtzitting als getuige-deskundige gehoord. Hij heeft de nodige opmerkingen gemaakt over het nut van compositietekeningen en de voorwaarden waaraan bij de totstandkoming ervan moet zijn voldaan. Daarbij heeft hij met name gewezen op de gevaren verbonden aan de 'vertaling' van holistische beelden in een verbale beschrijving en de daaropvolgende omvorming daarvan tot een tekening. Bij dat proces kan niet uitgesloten worden dat een getuige na het maken van de compositietekening zich de gemaakte compositietekening gaat herinneren als het uiterlijk van de dader. De oorspronkelijke herinnering wordt als het ware beïnvloed of misschien wel vervangen door de compositietekening(12).

Beoordeling door de rechtbank.

De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande van uit dat de getuige [B] de schutter op het moment dat hij in de woning was korte tijd heeft gezien. De rechtbank laat hierbij in het midden of de getuige hem en profile of en face heeft gezien. Op grond van haar eerste verklaring op 7 november 2007 en gelet op haar verklaring tegenover de rechter-commissaris staat vast dat zij de schutter op dat moment níet heeft herkend. Voorts staat vast dat twee dagen later op haar aanwijzing door een tekenaar een compositietekening is gemaakt die de schutter en face toont en dat zij deze persoon wél heeft herkend, namelijk als een persoon van vroeger, een gokvriend van haar echtgenoot.

De rechtbank begrijpt de waarschuwingen van de deskundige Van Koppen rond de totstandkoming van een compositietekening aldus, dat de hiervoor omschreven "omweg" er noodzakelijkerwijs toe leidt dat de geproduceerde tekening minder in overeenstemming is met het uiterlijk van de dader dan de oorspronkelijke herinnering. De kans dat de tekening dan bij toeval beter op het werkelijke uiterlijk van de dader zal lijken dan de oorspronkelijke herinnering van de getuige is gering.

De rechtbank leidt hieruit af, dat het onwaarschijnlijk moet worden geacht dat de getuige [B], die bij het zien van de schutter in haar woning hem niet heeft herkend, op grond van de zelf gemaakte compositietekening de dader wél heeft herkend. Dit leidt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de herkenning door de getuige [B] van de persoon op de compositietekening als een gokvriend van vele jaren geleden van [slachtoffer] niet voor het bewijs te gebruiken is.

Met Van Koppen en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat vorenstaande eveneens geldt met betrekking tot de herkenning door de getuige [B] van verdachte als schutter aan de hand van twee verjaardagsfoto's waarop hij te zien is. Daarbij is van belang dat pas nadat zij te horen had gekregen van de politie wie als verdachte en als mogelijke schutter was aangehouden, de getuige bij haar zus naar hem heeft geïnformeerd en uiteindelijk via deze zus de twee verjaardagsfoto's waarop hij te zien was, onder ogen heeft gekregen. Een dergelijke herkenning is naar het oordeel van de rechtbank evenmin van enigerlei waarde, nu zij, wetende wie de verdachte op dat moment was, een zodanig sterk verwachtingseffect had, dat achteraf niet meer kan worden vastgesteld of zij door herkenning of door andere factoren [verdachte] als schutter heeft herkend.

Conclusie.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie, dat - hoe betrouwbaar de verklaringen van de getuige met betrekking tot de gang van zaken rond de dood van haar echtgenoot ook zijn - haar verklaringen niet bijdragen aan het bewijs van verdachtes aanwezigheid op de plaats delict.

c. het OVC-gesprek.

De aanwezigheid van verdachte op de plaats van het delict wordt volgens de officier van justitie ondersteund door een gesprek dat op 10 juni 2008 is opgenomen in een arrestantenbus waarin de medeverdachten [Y] en medeverdachte [V] werden vervoerd (verder: het OVC-gesprek).

De meest relevante passage uit dat gesprek(13) is de volgende:

[V]: Wat denk ik krijg dan dinges. Van de... van die auto diefstal, dit dat. Motordiefstal. Ik denk met die motor gedaan of niet? Van eh..

[Y]: nee, was kapot

[V]: andere motor?

[Y]: nee, is niet gedaan met motor

[V]: ja, loopt gewoon

[Y]: wij fietsen met [verdachte], wij poem poem, wij klaar.

[V]: wie ja ja

[Y]: (..lacht.., ..klapt in handen..)

[V]: volgens mij zeggen, weet je wat is, hij zegt net, misschien jij [Y] brengen opzetten daar is. Ik zeg, kan toch niet, ik zeg, ik breng voor hem auto's, hij woont daar. Ik heb geen hele hotel

[Y]: nee!

[V]: ik zeg, anders ik ben (onverstaanbaar). Hij zegt misschien jij gedaan help van [verdachte]. Die dag [verdachte] gezien. Ik zeg nee.

[Y]: nee, ik ook niet. Luister, dit wist ik niet. Dit [verdachte] mij nooit verteld he, [verdachte] nooit gezegd ik ga moord op wat dan ook. Ik denk ook niet [verdachte] gedaan.

[V]: nee, [verdachte] niet gedaan.

[Y]: ik denk het postool zit DNA, misschien iemand met een lapje gedaan, zo, schoongemaakt, misschien zijn DNA op.

[V]: DNA is niet bewijs, één DNA, echt niet, kan toch niet? Eén bewijs, niet bewijs.

In het hiernavolgende worden enkele fragmenten uit dit gesprek besproken.

Vooropgesteld wordt dat het OVC-gesprek in gebroken Nederlands is gevoerd. Dat bemoeilijkt de interpretatie. Voorts is van het gesprek alleen een geluidsopname beschikbaar. Een opname van de non-verbale communicatie ontbreekt, hetgeen de interpretatie van het gesprek eveneens bemoeilijkt.

Verder gaat de rechtbank ervan uit dat uit de context van het OVC-gesprek blijkt dat [V] en [Y] in het OVC-gesprek hebben gesproken over de moord op [slachtoffer].

de kapotte motor en de verklaringen van de getuige [C]

In het OVC-gesprek wordt door [V] allereerst gevraagd "Ik denk met die motor gedaan of niet?" Door [Y] is daarop geantwoord: "nee, die was kapot".

De getuige [C] heeft over deze motor verschillende verklaringen afgelegd die in dit verband relevant zijn. De verklaringen komen erop neer dat hij in oktober 2007 in opdracht van [verdachte] een Yamaha XT motor heeft gestolen en dat hij had gehoord dat deze motor voor iets ergs gebruikt zou gaan worden.

De verdediging heeft veel kanttekeningen geplaatst bij de verklaringen van [C]. De rechtbank laat hier echter in het midden welke in dit verband relevante onderdelen van de verklaring van [C] juist zijn. In ieder geval is het voor de rechtbak duidelijk dat de motor waarover in het OVC-gesprek wordt gesproken, de Yamaha XT betreft, waarover [C] heeft verklaard. Uit het onderzoek is voorts gebleken dat deze Yamaha XT door de politie is aangetroffen in de berging van de ouders van verdachte en dat deze kapot was. Deze 'off the road' motor is in oktober 2007 gestolen (zie ook feit 4).

de fiets

Vervolgens is van belang dat [V] in het OVC-gesprek aan [Y] vraagt of het met een andere motor is gebeurd. Daarop heeft [Y] geantwoord dat het niet met een motor is gedaan.

Deze opmerking roept de vraag op of [Y] wetenschap heeft gehad van de omstandigheden waaronder de moord op [slachtoffer] heeft is gepleegd. Dat klemt temeer daar [Y] kort daarop zegt dat het met een fiets is gedaan.

De inhoud van het hiervoor genoemde fragment doet - zeker tegen de achtergrond van de verklaringen van [C], [Y] en de verdachte over de Yamaha - vermoeden dat [Y] meer moet hebben geweten over het voornemen om een moord te plegen en de wijze waarop de moord op [slachtoffer] is gepleegd.

enige kanttekeningen

Echter, bij een dergelijk vermoeden passen de volgende kanttekeningen.

* Dat [Y] in het OVC-gesprek beweert dat de Yamaha niet voor de moord gebruikt is, behoeft geen daderwetenschap te zijn maar kan ook een conclusie zijn. [Y] wist immers dat de Yamaha stuk was en dat deze dus niet gebruikt kán zijn bij de moord. Dat blijkt uit zowel de verklaring van [Y](14) als uit de verklaringen van [C].

* Dat [Y] ermee bekend was dat [verdachte] mogelijk iets slechts in de zin had met de te stelen Yamaha, zoals door [C] is verklaard, betekent nog niet dat er op het moment van de opdracht en het stelen van de motor enig verband was tussen de Yamaha en een concreet voornemen om [slachtoffer] te vermoorden.

* Dat [Y] achteraf conclusies heeft getrokken op grond van een combinatie van feiten die hij zelf wist en feiten die hem door de politie werden gepresenteerd, kan steun vinden in het feit dat [Y] voorafgaand aan het OVC-gesprek uitvoerig is ondervraagd over de gepleegde moord waarbij ook de verklaring van [C] uitgebreid aan de orde is gekomen. Dat onderzoek concentreerde zich met name op [verdachte] als schutter. Niet uitgesloten is dat [Y] in het OVC-gesprek de (mogelijk verkeerde) conclusie heeft getrokken dat er in het geheel geen motor is gebruikt en dat [verdachte], voor zover deze dan de dader zou zijn zoals door de politie werd beweerd, op de fiets naar de plaats delict gegaan is.

* [Y] heeft ontkend dat zijn uitlating "wij fietsen met [verdachte], poem, poem, wij klaar" serieus was bedoeld. Dat vindt steun in het feit dat [Y] in zijn handen klapt en lacht nadat hij dit heeft gezegd. Uit de context van het gesprek kan onvoldoende blijken dat de opmerking wel serieus bedoeld was. De uitleg die [Y] bij de politie heeft gegeven hoeft niet onaannemelijk te zijn.

* Uit het hiervoor geciteerde fragment kan voorts worden afgeleid dat [Y] tegen [V] zegt, dat hij [verdachte] op de dag van de moord niet gezien heeft, dat [verdachte] hem nooit over de moord verteld heeft en dat [verdachte] het niet gedaan heeft. Onduidelijk is of [Y] [V] heeft verteld wat hij heeft verklaard bij de politie of dat dit een verzuchting is omdat hij echt niet weet wat er is gebeurd. De officier van justitie heeft zich nog op het standpunt gesteld dat [Y] deze opmerking ten behoeve van een derde arrestant heeft gemaakt die ook in de arrestantenbus zat om zodoende voor te wenden dat hij niets wist. Deze opvatting is echter niet meer dan een suggestie. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank wel van oordeel dat de opmerking over het schieten en fietsen strijdig lijkt te zijn met de opmerking dat [Y] van niets wist. Onduidelijk is echter, hoe de beide opmerkingen juist geïnterpreteerd dienen te worden. Wat waarheid en wat verdichtsel is, valt ook uit de context van het gesprek niet af te leiden. Uit dit onderdeel van het gespreksfragment valt dus niets met enige mate van zekerheid te concluderen. Niet uitgesloten is dat deze passage voor [Y] ontlastend moet worden uitgelegd. Dat klemt temeer nu [Y] ook verderop in het OVC-gesprek verzucht wat hij nu met de moord te maken heeft.(15)

* Behoudens een enkele vage aanwijzing zoals een getuigenverklaring over een rood en een wit licht, is niet gebleken van enig concreet aanknopingspunt dat duidt op het gebruik van een fiets ten tijde van de moord. De technische recherche heeft geen sporen veiliggesteld die steun bieden voor een dergelijk scenario. Ook de verklaringen van de getuigen die rond het tijdstip van de moord rond de plaats delict aanwezig waren, bieden geen steun voor de aanname dat er een fiets is gebruikt door de dader(s).

de conclusie ten aanzien van het OVC-gesprek

Deze kanttekeningen doen dermate veel afbreuk aan het vermoeden dat [Y] door zijn betrokkenheid meer weet van de moord, dat het OVC-gesprek niet kan bijdragen aan het bewijs. Daarvoor is het een te wankele basis. Er is ook overigens geen steun voor de stelling, dat [Y] een fiets ter beschikking heeft gesteld en met verdachte op de fiets naar de plaats delict is gereden alwaar hij op de uitkijk heeft gestaan terwijl verdachte [slachtoffer] heeft dood geschoten, zoals door de officier van justitie gesuggereerd.

d. de tijdlijn en de communicatie.

De historische verkeersgegevens van de mobiele telefoons van [verdachte] en zijn medeverdachten en van het slachtoffer zijn onderzocht en in kaart gebracht. In het dossier bevindt zich per verdachte een overzicht van deze gegevens. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie deze gegevens gebundeld, zodat inzichtelijk is geworden wat de verplaatsingen van alle verdachten tezamen zijn geweest op 7 november 2007.

Aan de hand van deze telefoongegevens/tijdlijn staat vast dat verdachte op 7 november 2007 om 17.11 zijn laatste telefonische contact had. Hij straalt op dat moment de zendmast aan de Monseigneur van Steenlaan te Voorburg aan(16).

Vervolgens is verdachte om 17.26 uur te zien op camerabeelden van het Texaco benzinestation aan de Bezuidenhoutseweg te Den Haag. Om 17.27 uur koopt hij daar twee pakjes sigaretten. Om 17.28 uur rijdt hij weer weg, de Bezuidenhoutseweg op in de richting van de Hofzichtlaan(17).

Het standpunt van de officier van justitie komt er kort gezegd op neer dat voormelde gegevens laten zien dat verdachte de mogelijkheid heeft gehad om [slachtoffer] te vermoorden. Daartoe acht zij van belang dat verdachte een half uur voor de moord, te weten om 17.28 uur, in de buurt van de plaats delict was. Voorts heeft hij tussen 17.11 en 18.55 uur geen telefonische contacten gehad, hetgeen volgens de officier van justitie opmerkelijk is voor iemand die gedurende de dag wel 100 telefonische contacten heeft. Tevens is van belang dat verdachte geen aannemelijk alibi heeft voor die dag.

Naar het oordeel van de rechtbank laat de tijdlijn wellicht ruimte voor verdachte om zich naar de plaats delict te begeven en daar [slachtoffer] te vermoorden, maar zijn er ook andere verklaringen mogelijk met betrekking tot de vraag wat verdachte rond de tijd van de moord heeft gedaan. Zo heeft hij zelf aangevoerd dat hij op woensdag altijd voor zijn kinderen zorgt en dat in ieder geval zijn dochter de hele middag en avond bij hem is geweest. Verdachte kan dit weliswaar niet nader bewijzen, maar de officier van justitie kan evenmin aan de hand van concrete aanknopingspunten aantonen waar verdachte zich vanaf 17.28 tot na de moord heeft bevonden en wat hij in die tijd heeft gedaan. Het standpunt van de officier van justitie berust slechts op een veronderstelling.

Van belang is nog, dat de officier van justitie er van uit gaat, dat verdachte het feit heeft gepleegd tezamen en in vereniging met medeverdachte [Y]. In de tijdlijn wordt aangegeven, dat het mogelijk is dat deze medeverdachte, komende vanuit Papendrecht, rond 18.00 uur door [V] is afgezet nabij de plaats delict. Daarbij wordt betrokken het feit, dat [Y] eerder die middag ook bij het tankstation is gesignaleerd. De politie gaat er van uit, dat dit te maken zou kunnen hebben met het verkennen van de plaats delict. De tijdlijn overziende, waarbij, zoals reeds aangegeven, ook de bewegingen van het slachtoffer zijn betrokken, roept dit scenario echter even zo vele vragen op. Alleen al het feit, dat [Y] die middag op en neer naar Papendrecht is gereden roept de vraag op, hoe en wanneer de noodzakelijke communicatie tussen verdachte en [Y] heeft plaatsgevonden. Niemand wist te voren of en zo ja hoe laat het slachtoffer naar zijn woning zou gaan. Niet ondenkbaar is dat [Y] rond dat tijdstip met [V] nog in de file zou hebben gestaan gestaan ergens tussen Papendrecht en Den Haag. Bovendien kan er niet aan worden voorbijgezien, dat het tankstation aan de Bezuidenhoutseweg zodanig is gelegen ten opzicht van hun beider woningen, dat het voor zowel [Y], als voor verdachte bepaald niet een ongebruikelijke plaats is om te tanken of om bijvoorbeeld sigaretten te kopen. Daarmee kan niet worden uitgesloten, dat verdachtes bezoek aan het tankstation in de nabijheid van de plaats delict, ruim een half uur voor het tijdstip van de aanslag een toevalligheid was.

Veronderstellingen rond de mogelijkheid dat [verdachte] de gelegenheid heeft gehad om het delict te plegen, kunnen met alle vragen die worden opgeroepen naar het oordeel van de rechtbank niet tot het bewijs bijdragen.

Ook hetgeen de officier van justitie in dat verband nog heeft aangevoerd met betrekking tot een mogelijke skype-telefoonverbinding berust op niet meer dan een veronderstelde mogelijkheid. Uit de bewijsmiddelen blijkt vervolgens in het geheel niet dat verdachte daadwerkelijke gebruik heeft gemaakt van een skype-telefoonverbinding.

e. overige aspecten (getuigenverklaringen, geld)

Behalve op de hiervoor besproken bewijsmiddelen heeft de officier van justitie nog gewezen op de verklaring van de getuigen [C] en [E].

Zoals hiervoor onder c al ter sprake is gekomen heeft [C] op 9 november 2007 verklaard, dat hij in oktober 2007 samen met medeverdachte [Y] een Yamaha XT motor heeft gestolen (zie hierna feit 4). De politie en de officier van justitie zijn er op grond van deze verklaring, steeds van uitgegaan, dat de motor bedoeld was om te worden gebruikt bij de aanslag op [slachtoffer].

De rechtbank acht de verklaringen van [C] op zichzelf niet onbetrouwbaar. Uit de verschillende verhoren bij politie en tegenover de rechter-commissaris kan worden afgeleid, dat deze getuige een zekere overdrijving, waar het betreft zijn eigen rol en wetenschap over wat er zo al om hem heen gebeurt, niet kan worden ontzegd. In dit licht bezien is de bewijswaarde van zijn verklaringen, waar het de betrokkenheid van verdachte bij de dood van [slachtoffer] betreft, gering. De getuige heeft geen wetenschap over de gebeurtenissen op 7 november 2007.

Ook de verklaring van de getuige [E]., dat verdachte in de zomer van 2007 ineens over geld beschikte en de verklaringen van medeverdachte [Y], dat hij geld van verdachte heeft geleend, worden door de officier van justitie aangehaald om aan te geven, dat verdachte kennelijk veel geld tot zijn beschikking had. Meer dan als een suggestie dat verdachte dat bedrag als een voorschot voor 'een klus' zou hebben ontvangen kan dit niet worden beschouwd.

f. slotsom

Het vorenstaande leidt tot de conclusie, dat geen overtuigend bewijs is voor de aanwezigheid van verdachte op de plaats delict.

Sinds het moment dat is vastgesteld dat er uit biologische sporen op de plaats delict DNA-profielen zijn verkregen die matchen met het DNA-profiel van verdachte, heeft het politieonderzoek zich met name gericht op bevestiging van de met die DNA-sporen (terecht) gerezen verdenkingen jegens verdachte, met als uitgangspunt dat het hier om dadersporen ging. Dit onderzoek, zo blijkt uit het voorgaande, heeft met name veel mogelijke scenario's opgeleverd. Maar zelfs het door politie en OM gepresenteerde meest waarschijnlijke scenario, wordt - behalve met een groot aantal DNA-matches - met geen ander valide gebleken bewijsmiddel overtuigend onderbouwd.

Andere mogelijke verklaringen voor de aangetroffen DNA-sporen worden daarom door de officier van justitie ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Op grond van de onderzoeksresultaten kunnen alternatieve scenario's - waaronder de door de verdediging geschetste gang van zaken waarbij de verdachte weliswaar ooit de eigenaar van het wapen en munitie was, maar niet de schutter is geweest - onvoldoende worden uitgesloten.

Er zijn wel heel veel verhalen, er zijn veel praatjes, er zijn vermoedens. Maar er is, met andere woorden, niet met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat verdachte het feit heeft gepleegd of dat verdachte op 7 november 2007 wapens voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

3.II De zaak Roos (feit 3)

3.II.1 het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 17 maart 2008 tot en met 1 april 2008 samen met anderen 20 dozen met hennep heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad.

3.II.2 het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.II.3 de beoordeling van de tenlastelegging.

In het kader van het onderzoek rond de dood van [slachtoffer] zijn op 17 maart 2008, de mobiele telefoonnummers [nummer 1] en [nummer 2], in gebruik bij één en dezelfde persoon, die zowel "[F]" als "[G]" genoemd wordt, onder auditieve observatie geplaatst.

Uit opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken van bovengenoemde nummers is gebleken dat "[F]" op 17 maart 2008 om 15.00 uur met een onbekende vrouw belt en over een inbraak/beroving praat(18). Hierop volgden twee gesprekken tussen "[F]" verdachte. De mobiele telefoons van "[F]" en verdachte stralen op 17 maart 2008 tussen 13.05 en 15.40 uur zendmasten aan die in het Westland zijn gelegen. Rond 15.30 stralen zij locaties aan die zijn gelegen op het bloemenveilingterrein Flora Holland te Honselersdijk(19).

Navraag bij de bloemenveiling leert dat er op 17 maart 2008 rond 15.30 uur inderdaad een diefstal heeft plaatsgevonden bij de firma "[firma]" te Honselersdijk. Op 3 april 2008 heeft de eigenaar van het bloemenexpert bedrijf "[firma]", [H], aangifte gedaan van de diefstal van een partij bloemen. De partij zou zijn weggehaald door een werknemer van aangever(20).

Uit de beelden van de bewakingscamera van de bloemenveiling kan worden opgemaakt dat er op 17 maart 2008 om 13.02 uur een witte kleine vrachtwagen en een donkerkleurige Audi het bloemenveilingterrein op komen rijden en dat korte tijd later de bestuurders van beide voertuigen uitstappen en aan de achterzijde van de witte vrachtauto knielen. Om 15.18 is een blauwe elektrische wagen met aanhanger te zien waarin ongeveer 20 dozen zijn geplaatst. Om 15.33 uur verlaten de witte vrachtwagen en de Audi het veilingterrein via de achteruitgang(21).

Op 1 april 2008 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in het bedrijfspand van verdachte. Daarbij is een witte vrachtwagen (Mercedes) met kenteken [kenteken] aangetroffen met in de laadruimte ongeveer 16 langwerpige lege witte dozen. Voorts is in de garage in totaal 21,25 kilogram wiettoppen aangetroffen.

In de periode van 17 maart tot en met 22 maart 2008 zijn er verschillende telefoongesprekken van verdachte en zijn medeverdachte getapt. (22)

Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd(23), namelijk dat hij op verzoek van een medeverdachte voor het busje heeft gezorgd en dat hij van deze medeverdachte heeft vernomen dat hij daarmee hennep moest vervoeren. Na de dozen met hennep op de bloemenveiling te hebben ingeladen, is verdachte met een medeverdachte naar zijn loods gereden(24). Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard, dat hij met zijn medeverdachte heeft geprobeerd om de hennep te verkopen. Dit wordt bevestigd door de inhoud van de tapgesprekken van verdachte en een medeverdachten(25). Bij een doorzoeking van het pand van verdachte is 21,25 kilo hennep en een aantal witte dozen aangetroffen.(26)

Ook medeverdachte [W] heeft verklaard dat verdachte die 17e maart 2008 op het veilingterrein samen met medeverdachte [V] aanwezig was en betrokken is geweest bij de diefstal van 20 dozen met inhoud. Deze dozen zijn door verdachte en zijn medeverdachte in een witte grote bestelauto geladen en zij zijn daarmee weggereden.

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren en aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep.

3.III feit 4: diefstal dan wel heling van de Yamaha

3.III.1 het standpunt van de officier van justitie.

De officier heeft gevorderd, dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het onder 4 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat hij door opdracht te geven voor de diefstal van een motor (Yamaha) zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met braak.

3.III.2 het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.III.3 beoordeling van de telastlegging.

Op grond van de volgende bewijsmiddelen acht de rechtbank het subsidiair tenlastegelegde, te weten opzetheling, wettig en overtuigend bewezen.

a) Aangeefster [eigenaar] heeft verklaard dat de motor is gestolen waarbij het stuurslot en een kettingslot zijn verbroken.(27)

b) In de berging van verdachte [verdachte] is deze motor teruggevonden.(28)

c) De getuige [C] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de motor met medeverdachte [Y] in opdracht van verdachte heeft gestolen en dat verdachte de motor heeft opgehaald.(29)

d) Medeverdachte [Y] heeft erkend dat hij over deze motor met [verdachte] en [C] gesproken heeft.(30)

De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel, dat het medeplegen bewezen is.

3.4 De bewezenverklaring

hij in de periode van 17 maart 2008 tot en met 1 april 2008 te

Honselersdijk en Poeldijk en 's-Gravenhage en Voorburg tezamen en in

vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad ongeveer 20 dozen, inhoudende een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

hij in de periode van 14 oktober 2007 tot en met 1 april 2008 te

's-Gravenhage een motor, merk Yamaha, type XT600E, kleur zwart, heeft verworven, terwijl hij ten tijde van het verwerven van die motor wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier heeft terzake van de door haar bewezen geachte feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar gevorderd.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met verwijzing naar artikel 67a, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering aangevoerd, dat verdachte terzake van de feiten 3 en 4 lang genoeg gedetineerd is geweest.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het vervoeren en het voorhanden hebben van hennep. Zodoende heeft verdachte bijgedragen aan de verspreiding van softdrugs. Kennelijk heeft hij daarbij geen oog gehad voor de risico's die het gebruik van softdrugs kan hebben voor de volksgezondheid en de schade voor de samenleving die uit het gebruik van dergelijke middelen kan voortvloeien. Verdachte heeft hierbij uit louter financieel gewin gehandeld. Voorts heeft hij zich schuldig gemaakt aan opzetheling. Hij heeft daardoor bewust bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen. Hij heeft zich niets aangetrokken van het feit dat het slachtoffer, de oorspronkelijke eigenaar van het gestolen goed, daar veel schade en overlast van ondervindt.

Bij het bepalen van de op te leggen straf is acht geslagen op het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 april 2008.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat na te melden straf passend en geboden is.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

Mevrouw [B] (gemachtigde Mr A.H. Westendorp) (feit 1) heeft zich als benadeelde partij gevoegd terzake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 55.784,06 (€ 10.000,-- immateriële schadevergoeding, € 8.092,-- rechtsbijstandskosten en € 37.692,06 begrafeniskosten).

Voorts heeft zich gevoegd mevrouw [eigenaar motor] (feit 4) met een vordering tot schadevergoeding van € 675,-- (€ 110,- vanwege een betaald eigen risico en € 500,- voor het verschil tussen de nieuwwaarde en de dagwaarde en € 65,- voor de vervanging van een kettingslot).

7.1. het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van [B] tot een bedrag van € 22.281,55 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met niet-ontvankelijkverklaring voor het overige.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering van [eigenaar motor] hoofdelijk dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 175,- en dat de vordering voor het overige dient te worden afgewezen, omdat de nieuwwaarde van het kettingslot niet gedeclareerd kan worden.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vordering betwist nu hij zich op het standpunt heeft gesteld dat verdachte van het tenlastegelegde onder 1, dient te worden vrijgesproken.

De raadsman heeft zich gerefereerd met betrekking tot de vordering van [eigenaar motor].

7.3. Het oordeel van de rechtbank

a) benadeelde partij [B]

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, wordt vrijgesproken.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

b) benadeelde partij [eigenaar motor]

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op het betaalde eigen risico en het kettingslot, van zo eenvoudige aard dat dit deel van de vordering zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit deel van de vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen, aangezien de gestelde schade weliswaar is veroorzaakt door het bewezenverklaarde feit, maar redelijkerwijs niet aan de verdachte kan worden toegerekend. De nieuwwaarde van de motor kan niet gedeclareerd worden.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 175, -.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

8. De inbeslaggenomen goederen

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) onder 2 genummerde voorwerp zal worden onttrokken aan het verkeer, dat het onder 1 genummerde voorwerp zal worden teruggeven aan de eigenaar [eigenaar motor] en dat de onder 16 tot en met 21 en onder 23 tot en met 60 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte .

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft terzake geen standpunt ingenomen.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genummerd voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp (hennep) is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot dit voorwerp het onder 3 bewezen verklaarde feit is begaan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, aan verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 16 tot en met 21 en onder 23 tot en met 60 genummerde voorwerpen.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36b, 36c, 36f, 47, 57 en 416 van het Wetboek van Strafrecht;

- 3 en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij gewijzigde dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

ten aanzien van feit 4, subsidiair:

opzetheling

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 1 april 2008,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 3 april 2008,

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte en beveelt diens onmiddellijke invrijheidstelling;

verklaart niet-ontvankelijk de vordering van de benadeelde partij [B];

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [eigenaar motor] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [eigenaar motor], een bedrag van € 175, -, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 175, - ten behoeve van het slachtoffer genaamd [eigenaar motor];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 2 genummerde voorwerp, te weten: hennep;

gelast de teruggave aan [eigenaar motor] van het op de beslaglijst onder 3 genummerde voorwerp;

gelast de teruggave aan veroordeelde van de op de beslaglijst onder 16 tot en met 21 en onder 23 tot en met 60 genummerde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Poustochkine, voorzitter,

de Bruijn en Meijers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr den Braber, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 april 2009.

1 Obductieverslag NFI dd 11 januari 2008 van F.R.W. v.d. Goot, arts-patholoog, Forensisch dossier, bijlage PP, blz 336 t/m 345.

2 Forensisch dossier, bladzijde 314

3 Deskundigen rapport NFI van 21 februari 2008, Forensisch dossier, bladzijde 356 t/m 373, bijlage TT;

4 Idem;

5 Rapportage IFS van 12 maart 2009.

6 Zie noot 3.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 november 2007 te 21.45 uur, VGL/G/03 t/m 05.

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 november 2007, VGL/AH/22 en 23.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 april 2008 te 19.00 uur, VGL/G/109 en 110.

10 Verhoor van getuige [B] bij rechter-commissaris d.d. 9 en 12 januari 2009

11 Rapport van 12 maart 2009

12 Proces-verbaal ter terechtzitting.

13 Proces-verbaal uitluisteren OVC VGL/AH/548 (blz. 6)

14 5e verhoor verdachte [Y], blz. 64 persoonsdossier

15 [Y]: "ik begrijp überhaupt eigenlijk niet waarvoor ze ons met die moord eh..." [V]: "wat met die moord?" [Y]: "wat (...) hebben wij daarmee te maken dan!" VGL/AH/567(blz. 25).

16 Proces-verbaal van bevindingen Historische verkeersgegevens [verdachte], VGL/AH, blz. 477.

17 Proces-verbaal van bevindingen Uitkijken videobeelden Texaco benzinestation VGL/AH/250 e.v.

18 Zaaksdossier "ROOS I", tap pv-gesprek, 0/ZD/roos/AH/05

19 Zaaksdossier "ROOS I", proces-verbaal van bevindingen, 2/ZD/roos/AH/49-51

20 Zaaksdossier "ROOS I", proces-verbaal van aangifte, 1/ZD/roos/A 5-6

21 Zaaksdossier "ROOS I", proces-verbaal van bevindingen, 2/ZD/roos/AH/52-55, fotobijlage beelden bloemenveiling binnen en buiten gedateerd 17 maart 2008

22 Zaaksdossier "ROOS II", tap pv-gesprek, 1/ZD/ROOS/T 1-41.

23 Verklaring [verdachte] bij de rechter-commissaris, d.d. 26 aug. 2008

24 Zaaksdossier "ROOS II", proces-verbaal 6e verhoor verdachte [verdachte] d.d. 9 april 2008, 4/ZD/roos/V/175-179

25 Zaaksdossier "ROOS II", tap pv-gesprek, 5/ZD/roos/T/17-18, 19, 24.

26 Zaaksdossier "ROOS I", proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, 0/ZD/roos/AH/22-25, proces-verbaal van bevindingen doorzoeken Mercedes vrachtwagen, 0/ZD/roos/AH/26, en proces-verbaal d.d. 1 april 2008 1/ZD/roos/AH/30.

27 Het proces-verbaal van aangifte, aangeefster [eigenaar] (1/VGL/AG/1)

28 Het proces-verbaal van bevindingen (1/VGL/AH/140 t/m 146)

29 Het proces-verbaal verhoor verdachte [C] (2/VGL/G/152 niet genummerd)

30 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting