Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH9849

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-04-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
09-900553-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2009:BL8983, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met twee jongens die toen tussen de 11 en 12 jaar oud waren door over hun lichamen te wrijven en tevens op één moment het geslachtsdeel van één van de jongens te betasten.

Verdachte had als volwassene een verantwoordelijkheid ten opzichte van deze jongens die bij hem thuis kwamen, die, gelet op hun intelligentie en ontwikkeling, kwetsbaar waren en waarmee het leeftijdsverschil 20 jaar bedroeg. De slachtoffers bevonden zich in een afhankelijke positie van verdachte toen de ontuchtige handelingen plaatsvonden. Verdachte heeft het vertrouwen dat de slachtoffers in hem mochten stellen ernstig geschonden. Voorts heeft verdachte de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden. Dat de slachtoffers van het handelen van verdachte nog immer de schadelijke gevolgen ondervinden, is wel gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaringen zoals deze ter terechtzitting zijn voorgelezen. De gedragingen van verdachte hebben bovendien gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij veroorzaakt.

Taakstraf 100 uur, schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/900553-08

Datum uitspraak: 2 april 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] 1965,

[adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 19 maart 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.T.W. van Ravenstein en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. F. van Schaik, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 1 mei 2008 te [plaats]

met [slachtofferA.], geboren op [geboortedatum] 1996, die toen de leeftijd van zestien

jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en)

heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van het geslachtsdeel van die

[A.] en/of het (onder de kleding) wrijven over de billen en/of de buik

en/of de rug van die [A.];

art 247 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 1 mei 2008 te [plaats]

met [slachtoffer B.], geboren op [geboortedatum] 1995, die toen de leeftijd van zestien

jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en)

heeft gepleegd, bestaande uit het (onder de kleding) wrijven over de borst

en/of de buik van die [B.];

art 247 Wetboek van Strafrecht

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging omdat door het openbaar ministerie een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een goede procesorde. De inbreuk bestaat daaruit dat er onder verdachte een schrijfmap in beslag is genomen waarin zich aantekeningen bevonden die verdachte had gemaakt tijdens een gesprek met zijn raadsman ter voorbereiding van zijn verhoor door de politie. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het voor de opsporingsambtenaren overduidelijk moet zijn geweest dat het aantekeningen betrof die vielen onder het verschoningsrecht van de advocaat, zodat deze aantekeningen niet in beslag hadden mogen worden genomen. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat voornoemde inbeslaggenomen aantekeningen vervolgens de reden zijn geweest om tot huiszoeking en inbeslagname van de computers van verdachte over te gaan. Omdat de officier van justitie niet terstond is overgegaan tot vernietiging van de processen-verbaal waarin de betreffende aantekeningen waren gevoegd en waarna deze aantekeningen ter beschikking zijn gesteld aan de rechter-commissaris en de deskundige, heeft de officier van justitie gehandeld in strijd met het verschoningsrecht.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij het weliswaar betreurenswaardig acht dat de processen-verbaal waarin de aantekeningen van verdachte waren opgenomen niet terstond uit het dossier zijn gehaald en wel aan de deskundige zijn verstrekt, maar dat dit een eenmalige omissie betrof, welke niet op juiste wijze is hersteld. Deze omissie kan niet worden aangemerkt als een grove veronachtzaming van de beginselen van een goede procesorde.

De officier van justitie heeft medegedeeld dat voornoemde stukken - in tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft aangevoerd - niet in het dossier van de rechter-commissaris zijn terechtgekomen.

Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet in zijn belangen is geschaad omdat er bij het onderzoek aan de computers van verdachte geen belastend materiaal (kinderporno) is aangetroffen.

3.3 Het oordeel van de rechtbank (1)

Uit het proces-verbaal en de kennisgeving van inbeslagneming blijkt dat op 29 juli 2008 onder verdachte een schrijfmap in beslag is genomen.(2) Zoals blijkt uit het proces-verbaal bevatte de schrijfmap aantekeningen met daarop geschreven - onder andere - 'computer opschonen', 'huis opruimen', 'kinderporno vernietigen'.(3) Naar aanleiding van het aantreffen van deze schrijfmap heeft de officier van justitie toestemming gegeven om de computer van verdachte in beslag te nemen.(4) De inbeslagneming van de computers heeft op 30 juli 2008 plaatsgevonden.(5)

Uit onderzoek is vervolgens gebleken dat zich op de computers van verdachte geen kinderporno bevond waarna de systeemkasten aan verdachte zijn teruggegeven.(6)

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich na daartoe te zijn uitgenodigd op 29 juli 2008 heeft gemeld bij het politiebureau, waarna hij terzake van de tenlastegelegde feiten is aangehouden. Na zijn aanhouding hebben er - behoudens de verhoren van verdachte - terzake van de tenlastgelegde feiten geen onderzoekshandelingen meer plaatsgevonden.

Uit het dossier blijkt dat de bedoelde aantekeningen uitsluitend zijn gebruikt als basis voor een onderzoek naar de betrokkenheid van verdachte bij andere strafbare feiten dan in de tenlastelegging zijn opgenomen, te weten het in bezit hebben van kinderporno. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, voor zover er sprake is van een schending van het verschoningsrecht, in deze strafzaak niet in zijn belangen is geschaad. De vraag of de zich in de schrijfmap bevindende aantekeningen van verdachte, die kennelijk door verdachte zijn gemaakt tijdens een gesprek met zijn raadsman, behoren tot de beschermwaardige vertrouwelijke communicatie tussen verdachte en zijn raadsman en dienen te worden geschaard onder het verschoningsrecht, kan derhalve onbeantwoord blijven.

De rechtbank acht de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

4. Het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd bestaande uit:

- het betasten van het geslachtsdeel en het (onder de kleding) wrijven over de billen, de buik en de rug van de 11-jarige [A.] en

- het wrijven over de borst en buik van de 11 tot 12-jarige [B.] .

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte deze feiten heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af.

Op 3 april 2008 heeft [moeder A.] zich op het politiebureau te [plaats] gemeld. Zij vertelt dat haar zoontje, [A.], haar heeft verteld dat hij een keer naast verdachte heeft geslapen, dat verdachte toen aan zijn kruis heeft gezeten en dat hij dat niet prettig vond. Zij heeft ook de moeder van [B.], een vriendje van haar zoontje, gesproken en [moeder B.] heeft later van haar zoontje [B.] gehoord dat verdachte ook aan hem had gezeten en dat hij dat ook niet fijn vond.(7)

Op 14 mei 2008 heeft [moeder A.] aangifte gedaan van seksueel misbruik van haar zoon, [A.]. De moeder heeft verklaard dat [A.] in de zomer van 2007 verdachte heeft leren kennen. [A.] heeft verdachte leren kennen via [B.]. [A.] en [B.] hebben in de nacht van 30 op 31 december 2007 bij verdachte geslapen. Zes weken later heeft [A.] haar verteld dat verdachte in die nacht naast hem had geslapen en aan zijn kruis heeft gezeten en dat hij dat niet prettig had gevonden. Daarna heeft [A.] nog verteld dat verdachte in zijn broek had gezeten.(8)

[A.] is geboren op [geboortedatum 1996] en is in juni 2004 op een speciale basisschool geplaatst - onder andere - omdat er sprake was van een beneden gemiddelde intelligentie.(10)

Op 4 juni 2008 heeft het studioverhoor met [A.] plaatsgevonden.

[A.] heeft daarbij verklaard dat verdachte de eerste keer over zijn buik en rug wreef. En dat hij in de nacht van 30 op 31 december 2007 samen met [B.] bij verdachte bleef slapen, dat [B.] op de bank lag en dat verdachte naast hem lag. Verdachte masseerde hem toen over zijn buik, wreef over zijn kont en betastte met één hand zijn piemel.(11) Ook heeft hij verklaard dat verdachte bijna elke keer dat hij daar was onder zijn shirt ging masseren. [A.] heeft voorts verklaard dat verdachte ongeveer vijf keer op zijn broek maar bij zijn kruis wreef; soms over zijn kont en soms over zijn kruis.(12)

Op 27 april 2008 heeft [moeder B.] aangifte gedaan van ontucht gepleegd door verdachte bij haar zoon, [B.]. De moeder heeft verklaard dat zij, nadat zij van [moeder A.] had gehoord dat verdachte aan het kruis van [A.] had gezeten, op 2 april 2008 in de avond met haar zoon is gaan praten. [B.] vertelde haar toen dat verdachte hem ook had gemasseerd, dat het wel allemaal 'boven de gordel' was gebleven, maar dat hij zich er niet prettig bij had gevoeld. Verdachte had wrijvende bewegingen gemaakt over zijn gehele bovenlichaam tot de rand van zijn onderbroek.(13)

[B.] is geboren op [geboortedatum 1995] en is in mei 2003 op een speciale basisschool geplaatst - onder andere - omdat hij vanwege forse achterstanden op het gebied van lezen, rekenen en spelling, het vermoeden van dyslexie, een zwakke werkhouding en veel conflicten op school en thuis meer individuele begeleiding nodig heeft. Ondanks dat zijn IQ op 93 (gemiddeld niveau) is getest, is [B.] toch op een speciale basisschool geplaatst omdat een gewone basisschool handelingsverlegen was.(15)

Op 4 juni 2008 heeft het studioverhoor met [B.] plaatsgevonden. [B.] heeft daarbij verklaard dat hij verdachte heeft ontmoet doordat verdachte in het huis van zijn tante kwam wonen, hij kwam daarna wel eens bij hem thuis. Later ging [A.] ook mee naar verdachte. [B.] heeft verder verklaard dat verdachte hem en [A.] over en onder hun shirt masseerde.(16) Het masseren gebeurde bijna elke dag in de woonkamer van verdachte.(17) Het masseren vond plaats over zijn borst, armen en tot aan zijn onderbroek. [B.] vond het niet prettig aanvoelen. Hij trok dan wel een gezicht dat hij het niet prettig vond, maar verdachte ging dan gewoon door. Verdachte zei dan wel: 'Als je het niet prettig vindt moet je het zeggen', maar [B.] was bang om dat te zeggen omdat hij bang was dat verdachte dan boos zou worden.(18)

Verdachte heeft [B.] ook met één hand over zijn buik gemasseerd nadat ze gestoeid hadden en verdachte op de grond op de benen van [B.] was gaan zitten. Omdat [B.] het niet prettig vond trok hij zijn benen weg.(19)

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat het klopt dat hij in de periode van 1 juni 2007 tot en met 1 mei 2008 in [plaats] met [A.] ontuchtige handelingen heeft gepleegd. Verdachte heeft verklaard dat hij [A.] één keer aan zijn geslachtsdeel heeft betast en meermalen over zijn billen, buik en rug heeft gewreven.

Voorts heeft hij bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in die periode, eveneens te [plaats], ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [B.]. Verdachte verklaart dat hij [B.] meermalen over zijn borst en buik heeft gewreven.(20)

Verdachte heeft ter terechtzitting zijn verklaring zoals hij die bij de rechter-commissaris heeft afgelegd in grote lijnen herhaald. Verdachte heeft verklaard dat het verrichten van de handelingen is ontstaan uit vriendschap. De handelingen bij [B.] zijn verricht met het verloop van de tijd. Het begon met het om hem heen slaan van een arm wanneer [B.] zijn verhaal deed over hoe het bij hem thuis ging en op een gegeven moment heeft verdachte hem ook meermalen over zijn buik en borst gewreven.

Voorts heeft verdachte verklaard dat [B.] en [A.] in de nacht van 30 op 31 december 2007 samen met hem in één ruimte wilden slapen en dat de matrassen van [A.] en hemzelf die nacht tegen elkaar aan lagen. Verdachte heeft [A.] toen gestreeld onder zijn kleding, waarbij hij is begonnen op de buik van [A.]. Vervolgens heeft verdachte aan [A.] gevraagd of hij het prettig vond. [A.] zei toen: 'U moet wat meer naar boven toe, op mijn borst'. Verdachte heeft verklaard dat hij [A.] over zijn hele lijf streelde, over zijn buik, benen, met één hand en dat hij daarbij een fractie van een seconde de piemel van [A.] heeft aangeraakt op het moment dat hij de buik van [A.] in zijn pyjamabroek en in zijn onderbroek masseerde.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen die [A.] en [B.] hebben afgelegd betrouwbaar zijn en ook worden ondersteund door de aangiftes van hun moeders en de verklaringen van verdachte zelf.

Verdachte heeft verklaard dat hij bij de handelingen geen seksuele gevoelens heeft gehad en dat hij dit deed uit vriendschap/kameraadschap ten opzichte van [A.] en [B.].

Verdachte heeft verder verklaard dat hij de jongens bijna elke keer heeft gevraagd of zij het vervelend vonden, maar dat zij daar nooit op hebben gereageerd door middel van woorden of lichaamstaal. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij per ongeluk het geslachtsdeel van [A.] heeft aangeraakt.

Verdachte heeft tenslotte verklaard dat hij weet dat wat hij heeft gedaan vanuit maatschappelijk oogpunt verkeerd is en dat hij ook zijn eigen normen en waarden heeft overtreden met betrekking tot de vriendschap die hij ten opzichte van [A.] en [B.] voelde.

De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte 20 jaar ouder is dan [A.] en [B.], dat zij verdachte met 'U' aanspraken, dat verdachte zelf steeds vroeg of de jongens het niet vervelend vonden en dat [B.] heeft verklaard dat hij via lichaamstaal heeft laten blijken dat hij de handelingen onprettig vond. De rechtbank concludeert hieruit, ondersteund door de verklaringen hieromtrent van verdachte zelf, dat het verdachte bekend was dat de handelingen die hij bij de jongens verrichtte, in strijd met de sociaal-ethische norm zijn en dat hij de grenzen van het maatschappelijk onbetamelijke die hieromtrent worden gehanteerd heeft overschreden.

De rechtbank is van oordeel dat de handelingen die verdachte heeft verricht als ontuchtig zijn te kwalificeren.

4.4 De bewezenverklaring

1.

hij in de periode van 1 juni 2007 tot en met 1 mei 2008 te [plaats]

met [slachtofferA.], geboren op [geboortedatum] 1996, die toen de leeftijd van zestien

jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen

heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van het geslachtsdeel van die

[A.] en het (onder de kleding) wrijven over de billen en de buik

en de rug van die [A.];

2.

hij in de periode van 1 juni 2007 tot en met 1 mei 2008 te [plaats]

met [slachtoffer B.], geboren op [geboortedatum] 1995, die toen de leeftijd van zestien

jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen

heeft gepleegd, bestaande uit het (onder de kleding) wrijven over de borst

en de buik van die [B.];

5. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7. De straf/maatregel

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek van de tijd door verdachte in voorarrest doorgebracht, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen hem te geven door de stichting reclassering, ook indien dit inhoudt een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling en een contactverbod met [A.] en [B.].

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd dat de strafeis van officier van justitie, gelet op de straffen die er in vergelijkbare zaken plegen te worden opgelegd, hoog is. De raadsman heeft derhalve geconcludeerd tot oplegging van een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met twee jongens die toen tussen de 11 en 12 jaar oud waren door over hun lichamen te wrijven en tevens op één moment het geslachtsdeel van één van de jongens te betasten.

Verdachte had als volwassene een verantwoordelijkheid ten opzichte van deze jongens die bij hem thuis kwamen, die, gelet op hun intelligentie en ontwikkeling, kwetsbaar waren en waarmee het leeftijdsverschil 20 jaar bedroeg. De slachtoffers bevonden zich in een afhankelijke positie van verdachte toen de ontuchtige handelingen plaatsvonden. Verdachte heeft het vertrouwen dat de slachtoffers in hem mochten stellen ernstig geschonden. Voorts heeft verdachte de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden. Dat de slachtoffers van het handelen van verdachte nog immer de schadelijke gevolgen ondervinden, is wel gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaringen zoals deze ter terechtzitting zijn voorgelezen. De gedragingen van verdachte hebben bovendien gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij veroorzaakt.

De rechtbank neemt in aanmerking dat de gepleegde handelingen wat betreft ernst en inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers relatief beperkt zijn gebleven.

De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapport, opgesteld door prof.dr. R.A.R. Bullens, d.d. 13 november 2008. Uit dit rapport komt naar voren dat verdachte een pedofiele geaardheid heeft waardoor er kan worden gesproken van een ziekelijke storing van de geestvermogens. Daarnaast is sprake van een schizoïde persoonlijkheidsstoornis zodat tevens van worden gesproken van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Verdachte lijkt zich niet daadwerkelijk te hebben bekommert om de nadelen die zijn handelingen voor de slachtoffers zouden kunnen meebrengen. Hoewel verdachte zich op het moment van de handelingen wel bewust was van hoe er vanuit maatschappelijk oogpunt tegen zijn handelen zou worden aangekeken en welke mogelijke gevolgen zijn handelen zou kunnen hebben voor hemzelf, ziet hijzelf het laakbare van zijn handelen niet daadwerkelijk in. Naar het oordeel van de onderzoeker kan verdachte daarom ook als enigszins verminderd toerekeningvatbaar worden aangemerkt. Er wordt geadviseerd aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een zo langdurig mogelijk reclasseringstoezicht. De behandeling zal vooral gericht moeten worden op cognitieve vervormingen en op terugvalpreventie.

De rechtbank heeft acht geslagen op het voorlichtingsrapport van de reclassering d.d. 24 oktober 2008 betreffende verdachte waarin eveneens wordt geadviseerd tot oplegging van reclasseringstoezicht en de verplichting tot het volgen van een behandeling bij De Waag, gericht op zedendelinquenten.

Voorts is komen vast te staan dat verdachte, blijkens het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister, d.d. 30 juli 2008, niet eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten.

In het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens enig strafbaar feit, alsmede het relatief beperkt blijven van de ernst van de handelingen van verdachte, ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte een werkstraf op te leggen.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, als een duidelijk signaal aan verdachte dat zijn gedrag onacceptabel is en dat hem, mocht hij opnieuw de grenzen overschrijden, zijn vrijheid zal worden ontnomen. Teneinde te bewerkstelligen dat verdachte zich bewust wordt van de cognitieve vervormingen en de kans op recidive te verkleinen, zal de rechtbank aan deze voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarde stellen van reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling, alsmede een contactverbod met de slachtoffers.

Gelet op de bewezenverklaring, de ernst van het gepleegde feit en de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de navolgende straf passend en geboden is.

8. De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft zich om hem moverende redenen onthouden van het voeren van verweer tegen de vorderingen van de benadeelde partijen. Verdachte heeft toegezegd de bedragen te zullen betalen zodra het vonnis in kracht van gewijsde gaat, zodat er geen reden is om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

[slachtofferA.], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.000,00, als voorschot immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade.

De rechtbank acht deze vordering als voorschot op een vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar en in zoverre eenvoudig vast te stellen, nu door of namens de verdachte de omvang daarvan niet is betwist en nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

Nu de vordering als voorschot zal worden toegewezen, ziet de rechtbank geen aanleiding de gevorderde wettelijke rente toe te wijzen. Voor zover de benadeelde partij heeft bedoeld wettelijke rente te vorderen over reeds nu geleden immateriële schade wordt deze geacht in het voorschot te zijn begrepen en voor het overige zal pas in de toekomst kunnen worden vastgesteld in hoeverre wettelijke rente is verschuldigd.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

[slachtoffer B.], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.000,00, als voorschot immateriële schade.

De rechtbank acht deze vordering als voorschot op een vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar en in zoverre eenvoudig vast te stellen, nu door of namens de verdachte de omvang daarvan niet is betwist en nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.000,00 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtofferA.] en een bedrag groot € 1.000,00 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer B.].

Door oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voorkomt de rechtbank dat de slachtoffers en verdachte op enigerlei wijze met elkaar in contact behoeven te treden over de betaling van de respectievelijke bedragen en derhalve aan de tweede bijzondere voorwaarde van de voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf gehoor kan worden gegeven.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel is gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plagen, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 100 (HONDERD) UREN;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag, zodat 96 (ZESENNEGENTIG) uren resteren;

in verzekering gesteld op: 29 juli 2008,

in vrijheid gesteld op : 31 juli 2008;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 48 (ACHTENVEERTIG) DAGEN;

veroordeelt verdachte te dier zake voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (TWEE) MAANDEN;

bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 3 (DRIE) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden;

- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, zoland die instelling zulks nodig acht, ook indien dit inhoudt een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling;

- dat hij op geen enkele wijze contact zal trachten op te nemen of zal hebben met [slachtofferA.] ([A.]) en/of met [slachtoffer B.] ([B.]);

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

- [slachtofferA.], een bedrag van € 1.000,00,

- [slachtoffer B.], een bedrag van € 1.000,00;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

€ 1.000,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtofferA.] en een bedrag groot

€ 1.000,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer B.];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 respectievelijk 20 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Van der Poort-Schoenmakers, voorzitter,

Bakker en Hink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van Rhijn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2009.

(1) Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door een of meer daartoe bevoegde (opsporings)ambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het doorgenummerde (pagina's 1 t/m 54 en 58 t/m 220) proces-verbaal van de Politie Haaglanden, Bureau [plaats] met het nummer PL 1581/2008/8115

(2) Proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming p. 10 t/m/ 12

(3) Proces-verbaal p. 7, achtste alinea

(4) Proces-verbaal p. 8, derde alinea

(5) Proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming, p. 16 t/m 18

(6) Proces-verbaal van bevindingen, p. 220

(7) Proces-verbaal van bevindingen, p. 37

(8) Proces-verbaal van aangifte, p. 39, 40, vierde alinea en 41, derde alinea.

(9) Akte van geboorte, p. 98

(10) Verklaring van drs. M. de Bloois, namens de Permanente Commissie Leerlingenzorg, d.d. 27 mei 2008, p. 47

(11) Proces-verbaal van bevindingen, p. 120, 123, 124

(12) Proces-verbaal van bevindingen, p. 120

(13) Proces-verbaal van aangifte, p. 74, 75, vierde alinea

(14) Akte van geboorte, p. 99

(15) Verklaring van drs. M. de Bloois, namens de Permanente Commissie Leerlingenzorg, d.d. 27 mei 2008, p. 82

(16) Proces-verbaal van bevindingen, p. 85

(17) Proces-verbaal van bevindingen, p. 88

(18) Proces-verbaal van bevindingen, p. 90, eerste helft en p. 89, onderaan

(19) Proces-verbaal van bevindingen, p. 95

(20) Verhoor verdachte ter inbewaringstelling, d.d. 31 juli 2008