Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH9344

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
AWB 07/47035, 07/47037
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1F

De rechtbank stelt vast dat verweerder gemotiveerd en onderbouwd heeft geconcludeerd dat als vaststaand dient te worden beschouwd dat in de periode van april tot en met juni 1994 in de provincie Kibuye genocide op de Tutsi bevolking heeft plaatsgevonden. Eiser heeft deze conclusie niet weersproken. Vervolgens is de vraag aan de orde of sprake is geweest van knowing participation én personal participation van eiser ten aanzien van bovengenoemde genocide. Verweerder heeft aan zijn standpunt dat hiervan sprake is het navolgende ten grondslag gelegd. Uit onderzoek van Buiza naar eisers gedragingen ten tijde van de massamoorden in Rwanda in 1994 blijkt onder meer dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser betrokken is geweest bij moordpartijen in Rwanda in 1994. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen door eiser is aangevoerd geen concrete aanknopingspunten oplevert voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de individuele ambtsberichten. Met name vormt eisers stelling dat in zijn strafzaak hier te lande opnieuw getuigen worden gehoord, omdat getuigen in de strafzaak tegenstrijdige verklaringen zouden hebben afgelegd, op zichzelf geen concreet aanknopingspunt voor twijfel. Het verzoek om aanhouding vanwege het onderzoek in de strafzaak wordt daarom afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de conclusies van de individuele ambtsberichten aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Verweerder heeft erop gewezen dat uit het voormelde onderzoek naar voren is gekomen dat eiser de volgende handelingen persoonlijk heeft verricht, te weten het voorbereiden van aanvallen op, het doden en het opdracht geven tot doden van Tutsi burgers. Verweerder is van mening dat aannemelijk wordt geacht dat eiser heeft gehandeld met het bijzondere oogmerk om de bevolkingsgroep der Tutsi's, of een deel daarvan, uit te roeien. Deze handelingen moeten worden beschouwd als oorlogsmisdrijven, genocide en misdrijven tegen de menselijkheid. Het betreft hier misdrijven die dusdanig ernstig van aard zijn dat het ook voor eiser evident moet zijn geweest dat hij ernstige misdrijven heeft gepleegd, aldus verweerder. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van de ten aanzien van eiser uitgebrachte individuele ambtsberichten, de uitspraak in de zaak Niyitegeka en hetgeen uit openbare bron bekend is over de provincie Kibuye in de periode van april tot en met juni 1994 terecht heeft geconcludeerd dat ten aanzien van eiser sprake is van personal and knowing participation. Derhalve heeft verweerder terecht en op goede gronden geconcludeerd dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser zich schuldig gemaakt heeft aan mensenrechtenschendingen in Rwanda ten tijde van de massamoorden 1994. Verweerder heeft derhalve op goede gronden artikel 1(F) van het Verdrag aan eiser tegengeworpen.

Artikel 3 EVRM

Verweerder heeft vastgesteld dat artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen uitzetting van eiser naar Rwanda. Vervolgens is getoetst aan het duurzaamheidsvereiste (of artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting). Geconcludeerd is dat hieraan niet is voldaan, omdat eiser zich niet gedurende een groot aantal jaren in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet, nu eerst bij besluit van 20 november 2007 is vastgesteld dat eiser in verband met artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat voor de beoordeling van het duurzaamheidsvereiste bepalend is de datum van de asielaanvraag, in dit geval 11 november 1998. Daarbij is gewezen op de 1F-notitie van 6 juni 2008. Uit deze notitie blijkt tevens dat bij de invulling van de term 'een groot aantal jaren', gezien de bijzondere ernst van artikel 1(F) voornoemd, in beginsel uit wordt gegaan van een termijn van ten minste tien jaren. Ten tijde van het bestreden besluit was in het onderhavige geval geen sprake van een periode van ten minste tien jaren, zodat in dit geval niet is voldaan aan het duurzaamheidsvereiste, aldus verweerder.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit er blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting. Met de door verweerder ter zitting gegeven toelichting kan de rechtbank zich verenigen. Daarmee heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat ten tijde van het bestreden besluit niet was voldaan aan het duurzaamheidsvereiste.

De door eiser naar voren gebrachte omstandigheid dat thans de termijn van tien jaren inmiddels is verstreken, betreft geen feit of omstandigheid in de zin van artikel 83 van de Vw 2000, zodat dit niet bij de boordeling van het onderhavige beroep kan worden betrokken. Indien eiser van mening is dat hij op grond van het voormelde beleid in aanmerking dient te worden gebracht voor een verblijfsvergunning, dient hij daarvoor, gelet op de voormelde notitie van 6 juni 2008, een reguliere aanvraag in te dienen.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummers:

AWB 07/47035

AWB 07/47037

Uitspraak van de meervoudige kamer van 19 maart 2009

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1968,

nationaliteit Rwandese,

eiser,

gemachtigde mr. L.E.J. Vleesenbeek,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. G.M.H. Hoogvliet.

Procesverloop

In deze uitspraak wordt waar nodig onder verweerder tevens verstaan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dan wel de minister van Justitie.

Eiser heeft op 11 november 1998 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend.

Bij besluit van 12 augustus 1999 is voornoemde aanvraag afgewezen. Wel is aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend, met ingang van 11 november 1998, geldig tot 11 november 1999. Tegen voornoemd besluit heeft eiser op 20 september 1999 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 maart 2001 is de aan eiser verleende voorwaardelijke vergunning tot verblijf ingetrokken. Hiertegen heeft eiser op 10 april 2001 bezwaar gemaakt.

Eiser is op 19 maart 2003 op zijn bezwaar van 20 september 1999 door een ambtelijke commissie gehoord.

Op verzoek van verweerder is op 14 februari 2006 door de minister van Buitenlandse Zaken een individueel ambtsbericht uitgebracht, welk ambtsbericht is aangevuld bij een individueel ambtsbericht van 16 maart 2006 en gecorrigeerd bij een individueel ambtsbericht van 23 juni 2006.

Eiser is op 22 juni 2006 wederom op zijn bezwaar van 20 september 1999 door een ambtelijke commissie gehoord. Bij die gelegenheid is eiser tevens gehoord op zijn bezwaar van 10 april 2001.

Bij besluit van 20 november 2007 – voor zover hier van belang – zijn eisers voornoemde bezwaren ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 13 december 2007 tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep ligt thans ter beoordeling voor.

Bij beslissing van 10 juli 2008 heeft de rechtbank op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat de beperking van de kennisneming van de in die beslissing genoemde stukken die ten grondslag liggen aan voornoemde ambtsberichten, gerechtvaardigd is.

De zaak is behandeld op de zitting van de meervoudige kamer van 23 januari 2009, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de plaats getreden van de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40), verder te noemen Vw (oud). Nu het bestreden besluit is bekendgemaakt na 1 april 2001, is op de beoordeling daarvan het thans geldende materiële recht van toepassing.

2. Aan de orde is de vraag of het besluit van 20 november 2007, voor zover daarbij eisers bezwaren tegen de weigering tot toelating als vluchteling alsmede tegen de intrekking van de aan eiser verleende voorwaardelijke vergunning tot verblijf ongegrond zijn verklaard, in rechte stand kan houden.

3. Ter onderbouwing van zijn aanvraag en beroep heeft eiser – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Eiser, behorende tot de Hutu-bevolkingsgroep, heeft vanwege de gevechten tussen de Hutu's en de Tutsi's op 17 juli 1994 Rwanda verlaten en is naar het voormalige Zaïre vertrokken, waar hij tot november 1995 is gebleven. Daarna is eiser, tezamen met zijn broer, naar Kenia vertrokken. Via het Rode Kruis heeft eiser vernomen dat zijn ouders en zijn zuster sinds december 1994 in de gevangenis verblijven. Zijn zuster is door de rechtbank veroordeeld tot de doodstraf. In september 1996 is eisers broer door Interpol in Kenia opgepakt, omdat hij werd verdacht van genocide en misdaden tegen de menselijkheid. Van 13 augustus 1998 tot 22 augustus 1998 is eiser in Tanzania geweest om voor het International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR) in de rechtszaak van zijn broer [naam broer] te getuigen. Eiser heeft in deze zaak tegen de regeringspartij FPR getuigd. Voorts heeft eiser verklaard dat hij sympathisant is van de verboden politieke partij MRND. Hij heeft vergaderingen van de MRND bijgewoond en daarbij hand-en-spandiensten verricht. Op 10 november 1998 heeft eiser Kenia verlaten, nadat zijn verzoek om toelating als vluchteling op 7 september 1998 was afgewezen.

4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat er volgens hem ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven of handelingen als bedoeld in artikel 1(F) aanhef en onder a en b, van het Verdrag van Genève van 28 Juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1967, 76) (hierna: het Verdrag). Derhalve is het Verdrag niet op hem van toepassing en kan hij geen aanspraak maken op bescherming als vluchteling in de zin van het Verdrag. Evenmin kan hem ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) een verblijfsvergunning worden verleend op een van de andere gronden van het eerste lid van artikel 29 van de Vw 2000. Daarnaast heeft verweerder de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 gehandhaafd.

Ten slotte heeft verweerder geconcludeerd dat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) zich verzet tegen uitzetting naar zijn land van herkomst. Volgens verweerder is geen sprake van de omstandigheid dat dit artikel zich duurzaam verzet tegen uitzetting zodat reeds daarom geen grond bestaat voor verlening van een verblijfsvergunning.

5. Eiser heeft in de gronden van beroep – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. Naar de mening van eiser kan uit het aangedragen materiaal niet de conclusie worden getrokken dat sprake is van een 1(F) situatie. Er is geen enkel bewijs voor deelname aan de verweten l(F) handelingen. Eiser heeft ook geen wetenschap gehad ten aanzien van de verweten handelingen. Het feit dat eisers moeder in Frankrijk asiel heeft gekregen is wel degelijk van belang voor eisers zaak, nu dit aangeeft dat niet de gehele familie mogelijk bij l(F) kwesties is betrokken. De strafzaak tegen eiser is nog steeds aanhangig, zodat verweerder vooruitloopt op een situatie die er nog niet is en die waarschijnlijk ook niet komt. Uit het feit dat sommige getuigen eiser kennelijk beschuldigen, kan in elk geval niet worden afgeleid dat eiser in staat van beschuldiging is of wordt gesteld. Op geen enkele wijze blijkt dat de kennelijke verklaringen tegen eiser beoordeeld zijn. Er is sprake van het louter overnemen van uitlatingen aangaande eiser. Verder is in de strafzaak inmiddels gebleken dat sprake is van dubieuze getuigen en dubbele getuigennissen en dat thans voor de vierde maal getuigen in Rwanda worden gehoord en ook nog getuigen in Zwitserland en Frankrijk worden gehoord. Daarom heeft eiser de rechtbank verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden. Naar de mening van eiser is het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het onderhavige besluit onvolledig, onjuist en onzorgvuldig. Ten aanzien van eiser is er dan ook ten onrechte toepassing aan artikel l (F), onder a en b, van het Verdrag gegeven. Naar de mening van eiser heeft verweerder ten onrechte geen verblijfsvergunning verleend in verband met artikel 3 van het EVRM. Tevens heeft verweerder ten onrechte de intrekking van eisers verblijfsvergunning gehandhaafd. Ten onrechte is aan eiser ook geen andere verblijfsvergunning verleend.

Daarnaast is – naar de rechtbank aanneemt als subsidiair standpunt – door eiser aangevoerd dat het feit dat hij rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland niet impliceert dat daarmee niet is voldaan aan het duurzaamheidsvereiste in het kader van het door verweerder aangenomen gevaar op schending van artikel 3 van het EVRM.

Verblijfsvergunning asiel artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vw 2000

6. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 is Onze Minister bevoegd een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te trekken.

7. Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 – voor zover hier van belang – worden ingetrokken indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen.

8. Verweerder heeft de intrekking van de aan eiser verleende voorwaardelijke vergunning tot verblijf, thans verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, gehandhaafd. Voormelde intrekking heeft verweerder gebaseerd op de beëindiging van het door verweerder sedert 24 mei 1995 gevoerde vvtv-beleid (categoriale beschermingsbeleid) ten aanzien van Rwandese asielzoekers, waarmee de grond voor verlening van deze verblijfsvergunning aan eiser is komen te vervallen. Voornoemde beleidswijziging heeft verweerder bij brief van 22 februari 2001 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal medegedeeld. In voornoemde brief is de afschaffing van het voormelde beleid gebaseerd op het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 1 augustus 2000. Blijkens dit ambtsbericht was de situatie in Rwanda niet zodanig dat gedwongen verwijdering van afgewezen Rwandese asielzoekers van bijzondere hardheid zou zijn. De rechtbank stelt vast dat door eiser niet is betwist dat verweerder voornoemd beleid heeft kunnen beëindigen, zodat verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning terecht heeft ingetrokken. De rechtbank stelt vast dat eiser weliswaar in beroep grieven heeft gericht tegen de intrekking van deze vergunning. Echter nu deze grieven betrekking hebben op verweerders conclusie dat artikel 1(F) van het Verdrag op hem van toepassing is en geen betrekking hebben op de beëindiging van het categoriale beschermingsbeleid kunnen deze grieven niet tot het door eiser beoogde resultaat leiden.

Verblijfsvergunning asiel op een van de andere gronden van artikel 29, eerste lid, Vw 2000

9. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

10. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder k en l, van die wet, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Verdrag.

11. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

12. Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de vreemdeling, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

13. In artikel 1(F) van het Verdrag is – voor zover hier van belang – bepaald dat de bepalingen van het Verdrag niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat:

“ a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten, welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten”.

14. Volgens paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) – ten tijde hier van belang – acht verweerder het zijn taak om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Verdrag valt. Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag, past hij de "personal and knowing participation test" toe. Beoordeeld wordt of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf of de betreffende misdrijven ("knowing participation") én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen ("personal participation"). Indien hiervan sprake is kan de betrokkene artikel 1(F) worden tegengeworpen.

15. Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vb 2000 wordt, indien artikel 1(F) van het Verdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden, als bedoeld in artikel 29 van die wet.

16. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op grond van de "personal and knowing participation test" eiser artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Verdrag dient te worden tegengeworpen.

17. De rechtbank stelt vast dat verweerder gemotiveerd en onderbouwd heeft geconcludeerd dat als vaststaand dient te worden beschouwd dat in de periode van april tot en met juni 1994 in de provincie Kibuye genocide op de Tutsi bevolking heeft plaatsgevonden. Eiser heeft deze conclusie niet weersproken.

18. Vervolgens is de vraag aan de orde of sprake is geweest van knowing participation én personal participation van eiser ten aanzien van bovengenoemde genocide.

19. Ingevolge paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc 2000 is sprake van knowing participation indien de betrokkene heeft deelgenomen aan handelingen waarvan hij wist of had behoren te weten dat het hier misdrijven betrof als bedoeld in artikel 1(F), zonder dat hij deel uitmaakte van een aldaar genoemde orgaan of organisatie.

20. Ingevolge paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc 2000 is sprake van personal participation als aan één van de volgende situaties is voldaan. Indien uit verklaringen van betrokkene of uit ontvangen informatie blijkt dat betrokkene het misdrijf als bedoeld in 1(F) persoonlijk heeft gepleegd of indien uit verklaringen van betrokkene of uit ontvangen informatie blijkt dat het misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) onder verantwoordelijkheid van betrokkene als meerdere is gepleegd of indien uit verklaringen van betrokkene of uit ontvangen informatie blijkt dat het misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) door betrokkene direct is gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen. Onder wezenlijke bijdrage dient te worden verstaan dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van betrokkene had vervuld dan wel indien betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen.

21. Verweerder heeft aan zijn standpunt dat in het onderhavige geval sprake is van personal and knowing participation het navolgende ten grondslag gelegd.

22. Verweerder heeft de minister van Buitenlandse Zaken verzocht onderzoek te doen naar eisers gedragingen ten tijde van de massamoorden in Rwanda in 1994, uit welk onderzoek twee individuele ambtsberichten zijn voortgekomen. Uit dit onderzoek blijkt onder andere dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser betrokken is geweest bij moordpartijen in Rwanda in 1994. Tegen eiser is een reeks aan beschuldigingen geuit, te weten dat hij:

“- illegaal een vuurwapen heeft gedragen;

- heeft deelgenomen aan aanvallen in Murambi, Ngoma district, in Bisesero en in Kizenga;

- zelf geschoten heeft op Tutsi's die in kamp Kizenga verbleven;

- eigenhandig een persoon genaamd [...] heeft gedood;

- opdracht heeft gegeven Tutsi's te doden in een ambulance in de buurt van de blokkade in Mugonero;

- opdracht heeft gegeven aan een militair om iemand in koelen bloede te doden.”

Voorts is uit het onderzoek naar voren gekomen dat eiser volgens zegslieden in de provincie Kibuye heeft deelgenomen aan bijeenkomsten waar plannen werden gemaakt voor het uitroeien van de Tutsi’s in Rwamatamu, Gitesi, Gishyita en Gisovu. Eiser heeft deelgenomen aan bijeenkomsten georganiseerd door de autoriteiten op het hoofdkantoor van de prefectuur in Kibuye. Eiser is vele malen gesignaleerd in het gezelschap van personen die door verschillende rechtbanken veroordeeld zijn voor het plegen van genocide. Vrijwel alle ondervraagde bronnen waren stellig over het feit dat eiser heeft deelgenomen aan de massamoord in Mugonero. Eiser is in de regio Kibuye in staat van beschuldiging gesteld voor deelname aan de genocide, aldus de individuele ambtsberichten. Verder is eiser de broer van [naam broer] die door het ICTR in Arusha is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 25 jaar wegens genocide (kenmerk: ICTR-95-1-T). Uit de genoemde individuele ambtsberichten blijkt dat deze broer van eiser bijeenkomsten heeft gehouden in de prefectuur van Kibuye. In de woning van eiser vonden ook bijeenkomsten plaats. Aansluitend op deze bijeenkomsten werden aanvallen uitgevoerd. Het is zeer wel mogelijk dat eiser aan de bijeenkomsten heeft deelgenomen. Daarnaast blijkt uit de uitspraak in de zaak Niyitegeka van het ICTR (kenmerk: 96-14-T, r.o. 216) dat eiser samen met zijn broer [naam broer] aanwezig is geweest bij de voorbereiding op de moord op Tutsi's in Bisesero.

23. Bij brieven van 23 februari 2006, 27 april 2006 en 29 juni 2006 heeft verweerder aangegeven dat inzage in de onderliggende stukken van de bovengenoemde individuele ambtsberichten, zoals bedoeld in de uitspraken van de Rechtseenheidskamer van 16 april 1998 (de zogenaamde REK-check), tot de conclusie heeft geleid dat de voornoemde ambtsberichten qua inhoud en procedure zorgvuldig tot stand zijn gekomen en inhoudelijk inzichtelijk zijn.

24. De rechtbank overweegt dat ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) een ambtsbericht als een deskundigenbericht dient te worden opgevat en dat verweerder van de juistheid van de daarin neergelegde informatie mag uitgaan tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan dat aan de juistheid of de volledigheid daarvan moet worden getwijfeld. Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 11 oktober 2002 (LJN: AH8813, JV 2002/470) geldt dit ook ten aanzien van individuele ambtsberichten.

25. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen door eiser is aangevoerd geen concrete aanknopingspunten oplevert voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van voormelde individuele ambtsberichten. De enkele stelling van eiser dat naar zijn mening uit het aangedragen materiaal niet de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van een 1(F) situatie, dat er geen enkel bewijs is voor deelname aan de verweten 1(F) handelingen, dat eiser ook geen wetenschap heeft gehad ten aanzien van de verweten handelingen alsmede dat op geen enkele wijze blijkt dat de verklaringen tegen eiser zijn beoordeeld, is in dit verband onvoldoende. Evenmin is voldoende de enkele stelling dat er geen Gacaca-zaak loopt tegen eiser en dat er sprake zou zijn van dubieuze getuigen en dubbele getuigenissen. Voorts is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de stelling dat de moeder van eiser thans in het bezit is van een asielvergunning in Frankrijk niet betekent dat hierdoor sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van voormelde individuele ambtsberichten. Met verweerder is de rechtbank verder van oordeel dat de stelling dat eiser door het ICTR niet wordt genoemd als verdachte alsmede dat het Openbaar Ministerie in Nederland niet tot vervolging overgaat niet kan afdoen aan de conclusies van de individuele ambtsberichten. Immers, de vraag of een vreemdeling in strafrechtelijke zin als verdachte is aan te merken, wordt niet beantwoord aan de hand van dezelfde criteria als de vraag of, bezien in samenhang met hetgeen overigens bekend is over het land van herkomst, de conclusie gerechtvaardigd is dat sprake is van personal and knowing participation. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2004 (LJN: AQ6049, JV2004/347) waarin geoordeeld is dat de toepassing van artikel l(F) van het Verdrag geen beslissing van het OM omtrent een opsporingsonderzoek vereist. Tevens wordt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2005 (LJN: AT8926, JV2005/375), erop gewezen dat de vraag of aan een vreemdeling artikel 1(F) van het Verdrag dient te worden tegengeworpen door verweerder zelfstandig dient te worden beantwoord.

26. Eisers stelling dat in de strafzaak opnieuw getuigen worden gehoord, omdat getuigen in de strafzaak tegenstrijdige verklaringen zouden hebben afgelegd, vormt op zichzelf geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van de individuele ambtsberichten. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat het hier gaat om vijf getuigen die in Ngoma worden gehoord. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat dit onderzoek blijkbaar enkel ziet op Ngoma. Het verzoek om aanhouding van de behandeling van de onderhavige zaak vanwege het onderzoek in de strafzaak wordt daarom afgewezen.

27. Ook na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de volledige inhoud van de onderliggende stukken, de vertrouwelijke stukken inbegrepen, die ten grondslag liggen aan de individuele ambtsberichten, heeft de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van die ambtsberichten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de conclusies van de individuele ambtsberichten aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

28. Verweerder heeft erop gewezen dat uit het voormelde onderzoek naar voren is gekomen dat eiser de volgende handelingen persoonlijk heeft verricht, te weten het voorbereiden van aanvallen op, het doden en het opdracht geven tot doden van Tutsi burgers. De blote ontkenning van eiser wordt door verweerder niet geloofwaardig geacht. Verweerder is van mening dat aannemelijk wordt geacht dat eiser heeft gehandeld met het bijzondere oogmerk om de bevolkingsgroep der Tutsi's, of een deel daarvan, uit te roeien. Hiertoe heeft verweerder verwezen naar de inhoud van de individuele ambtsberichten, de processtukken van het ICTR inzake Niyitegeka (kenmerk: 96-14-T), alsmede de algemene rapporten over de genocide in Rwanda en die met betrekking tot de genocide in de provincie Kibuye in het bijzonder, welke stukken in het bestreden besluit uitvoerig is besproken. Deze handelingen moeten worden beschouwd als oorlogsmisdrijven, genocide en misdrijven tegen de menselijkheid. Het betreft hier misdrijven die dusdanig ernstig van aard zijn dat het ook voor eiser evident moet zijn geweest dat hij ernstige misdrijven heeft gepleegd. Nu eiser gedurende de genocide op verschillende plaatsen in Rwanda is geweest, dient, aldus verweerder, aannemelijk geacht te worden dat hij wist dat er in Rwanda een genocide plaatsvond. Nu vaststaat dat eiser gedurende de genocide in Rwanda de hiervoor beschreven handelingen persoonlijk heeft verricht, dient aangenomen te worden dat eiser zich bewust was – of bewust kon zijn – van zijn gedragingen. Voorts is verweerder van mening dat het aannemelijk wordt geacht dat eiser als meerdere wist, of had moeten weten, dat zijn ondergeschikten genocide pleegden. Derhalve is er geen grond voor de stelling dat eiser als meerdere geen verantwoordelijkheid draagt voor het plegen van misdrijven om de enkele reden dat hij geen militair is, aldus verweerder.

29. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van de ten aanzien van eiser uitgebrachte individuele ambtsberichten, de uitspraak in de zaak Niyitegeka voornoemd en hetgeen uit openbare bron bekend is over de provincie Kibuye in de periode van april tot en met juni 1994 terecht heeft geconcludeerd dat ten aanzien van eiser sprake is van personal and knowing participation.

30. Nu eiser blijkens al het voorgaande voldoet aan de voorwaarden voor ‘personal and knowing participation’ heeft verweerder terecht en op goede gronden geconcludeerd dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser zich schuldig gemaakt heeft aan mensenrechtenschendingen in Rwanda ten tijde van de massamoorden 1994. Verweerder heeft derhalve op goede gronden artikel 1(F) van het Verdrag aan eiser tegengeworpen. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

31. Nu artikel 1(F) van het Verdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, heeft verweerder eiser terecht op de voet van artikel 3.107 van het Vb 2000 een verblijfsvergunning onthouden op één van de andere gronden, als bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000.

32. Ten aanzien van eisers beroep op artikel 3 van het EVRM overweegt de rechtbank het volgende.

33. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling.

34. Gelet hierop dient – ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer uitspraken van 2 juni 2004 (LJN: AP2043, JV 2004/279 en LJN: AP2055) – te worden beoordeeld of aannemelijk is dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van eiser (het zogenoemde duurzaamheidsvereiste) en, indien dat het geval is, of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning in het geval van eiser disproportioneel is. In dit verband wijst de rechtbank erop dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer uitspraak van 18 juli 2007 (nr. 200701663/1, LJN:BB1436, JV 2007/392), volgt dat de term 'duurzaam' aldus dient te worden begrepen dat de vreemdeling zich gedurende een groot aantal jaren in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet en dat er geen vooruitzicht is op verandering in deze situatie binnen niet al te lange termijn. Eerst indien dit het geval is en de vreemdeling voorts aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog altijd niet kan worden uitgezet, dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst ondanks voldoende inspanningen om te voldoen aan zijn vertrekplicht niet mogelijk is en de vreemdeling zich daarnaast in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt, is er voor verweerder aanleiding om te beoordelen of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is.

35. Verweerder heeft vastgesteld dat artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen uitzetting van eiser naar Rwanda. Blijkens het betreden besluit is vervolgens getoetst aan het duurzaamheidsvereiste. Geconcludeerd is dat hieraan niet is voldaan, omdat eiser zich niet gedurende een groot aantal jaren in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet, nu eerst bij besluit van 20 november 2007 is vastgesteld dat eiser in verband met artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet. Aan de vraag of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is, wordt niet toegekomen, aldus verweerder.

36. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit dat hij rechtmatig verblijf heeft gehad niet betekent dat hij niet voldoet aan het duurzaamheidsvereiste. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat eiser van mening is dat hij aan voornoemd vereiste voldoet.

37. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat voor de beoordeling van het duurzaamheidsvereiste bepalend is de datum van de asielaanvraag, in dit geval 11 november 1998. Daarbij is gewezen op de notitie van de minister en de staatssecretaris van Justitie van 6 juni 2008 betreffende de toepassing van artikel 1(F) van het Verdrag, bij brief van 9 juni 2008 aangeboden aan de Tweede Kamer. Uit voormelde notitie blijkt dat bij de invulling van de term 'een groot aantal jaren', gezien de bijzondere ernst van artikel 1(F) voornoemd, in beginsel uit wordt gegaan van een termijn van ten minste tien jaren. Ten tijde van het bestreden besluit was in het onderhavige geval geen sprake van een periode van ten minste tien jaren, zodat in dit geval niet is voldaan aan het duurzaamheidsvereiste, aldus verweerder.

38. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit er blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting. Met de door verweerder ter zitting gegeven toelichting kan de rechtbank zich verenigen. Daarmee heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat ten tijde van het bestreden besluit niet was voldaan aan het duurzaamheidsvereiste.

39. De door eiser naar voren gebrachte omstandigheid dat thans de termijn van tien jaren inmiddels is verstreken, betreft geen feit of omstandigheid in de zin van artikel 83 van de Vw 2000, zodat dit niet bij de boordeling van het onderhavige beroep kan worden betrokken. Indien eiser van mening is dat hij op grond van het voormelde beleid in aanmerking dient te worden gebracht voor een verblijfsvergunning, dient hij daarvoor, gelet op de voormelde notitie van 6 juni 2008, een reguliere aanvraag in te dienen.

40. Nu niet is voldaan aan het voormelde vereiste van duurzaamheid heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de vraag of het onthouden van een verblijfsvergunning aan eiser disproportioneel is, niet wordt toegekomen.

41. Het beroep is derhalve ongegrond.

42. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries als voorzitter en mr. E.M. de Stigter en mr. drs. T.L. Fernig als leden in tegenwoordigheid van mr. D.S. Arjun Sharma als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2009.