Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH9275

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/31448
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BK0456, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Iran / bekering tot het christendom in Nederland / 3 EVRM

Verweerder kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat eiser zijn vrees voor vervolging dan wel vrees voor problemen met de Iraanse autoriteiten of medeburgers vanwege zijn wens om bij (eventuele) terugkeer in Iran te gaan evangeliseren, op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd. Dit klemt te meer nu op grond van WBV 2007/15 ten aanzien van voormalig moslims die zich in Iran tot het christendom hebben bekeerd is aangegeven dat minder eisen worden gesteld ten aanzien van de aannemelijkheid van het individuele relaas. Dit betekent dat wanneer een vreemdeling in Iran vanwege zijn geloof problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten of van medeburgers en deze met geringe indicaties geloofwaardig kan maken, het door verweerder aannemelijk wordt geacht dat sprake is van negatieve aandacht bij terugkeer naar het land van herkomst. Bovendien heeft het Iraanse parlement inmiddels (een eerste lezing van) het wetsvoorstel van de Iraanse president van 23 december 2007 goedgekeurd. Dat de definitieve vaststelling en goedkeuring van dit wetsvoorstel thans nog niet heeft plaatsgevonden, doet niet af aan de omstandigheid dat de situatie in Iran zich mogelijk in de zeer nabije toekomst sterk lijkt te ontwikkelen in een richting waarin er voor moslims die zich hebben bekeerd een reëel risico bestaat op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder de minister van Buitenlandse Zaken nader onderzoek moet laten doen naar de vraag binnen welke termijn een definitief wetsvoorstel is te verwachten en op welke wijze deze wet voor moslims die zich tot het christendom hebben bekeerd, consequenties heeft. Voor zover een dergelijk onderzoek door de minister van Buitenlandse Zaken thans niet goed mogelijk is, bijvoorbeeld omdat hij geen invloed op het Iraanse wetgevingsproces heeft en hij wellicht te weinig inzicht daarin heeft, zou dit door verweerder kunnen worden gezien als een periode van onzekerheid over de situatie van tot het christendom bekeerde moslims in Iran, een periode die naar verwachtring (relatief) kort zal zijn. De rechtbank geeft verweerder daarom in overweging dat zij op grond daarvan de mogelijkheid heeft een besluitmoratorium in te stellen, opdat er thans geen onomkeerbare stappen worden gezet. Beroep gerond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/31448

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2009

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1984,

nationaliteit Iraanse,

verblijvende te Almelo,

eiser,

gemachtigde mr. drs. P.B.P.M. Bogaers,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. A.M.H.W. van Heerebeek.

Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft op 29 augustus 2008 tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 30 januari 2009, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat eiser reeds drie keer eerder, te weten op 4 juli 1994, 7 november 1998 en 3 december 2004, een asielaanvraag heeft gedaan. In de loop van de eerste twee asielprocedures is eiser teruggekeerd naar Iran. Ter onderbouwing van zijn derde asielaanvraag heeft eiser aangevoerd dat hij in 2002 in Iran in militaire dienst is gegaan. Vervolgens werd hij geselecteerd voor een speciale missie. Hij werd met een groepje over de grens met Irak gebracht om daar (als bewaker) Irakese milities te helpen met het plegen van aanslagen. Omdat hij bij een geplande aanval op een Amerikaanse of Engelse kazerne geen mensen wilde doodschieten, werd hij opgesloten. Met hulp van een Irakees is eiser gevlucht en teruggekeerd naar Iran. Doordat hij werd gezocht door de Iraanse autoriteiten heeft hij zijn land van herkomst op illegale wijze verlaten.

2. De derde asielprocedure is afgesloten met de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 mei 2006 (AWB 05/42972), waarbij het beroep van eiser tegen het besluit van 30 augustus 2005 ongegrond is verklaard, omdat – kort gezegd – verweerder ongeloofwaardig heeft kunnen achten dat eiser als dienstplichtig militair in Irak zou hebben gediend. Deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in haar uitspraak van 13 juli 2006 (nr. 200604189/1).

3. Op 13 november 2006 heeft eiser andermaal een asielaanvraag gedaan om de ongeloofwaardigheid van zijn relaas in de eerdere procedure weg te nemen en vanwege het feit dat hij zich in Nederland heeft bekeerd tot het christendom.

4. De rechtbank overweegt ambtshalve als volgt.

5. Ingevolge artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, indien na een geheel of deels afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvragen gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

6. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit en besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing (het ‘ne bis in idem’ beginsel). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel dat uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

7. De rechtbank dient derhalve zelfstandig te onderzoeken of aan de onderhavige aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd voordat tot een eventuele beoordeling van het door verweerder genomen besluit op de herhaalde aanvraag kan worden overgegaan. Onder nieuw gebleken feiten en omstandigheden moeten onder andere worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit – in casu van 30 augustus 2005 – of feiten en omstandigheden van vóór het eerdere besluit die niet vóór het nemen van dat besluit en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten en omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een inhoudelijke rechterlijke beoordeling rechtvaardiging, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd, kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

8. Slechts op grond van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan noodzaak bestaan om deze in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen (arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45).

9. Om de ongeloofwaardigheid van zijn asielrelaas in de vorige procedure weg te nemen heeft eiser de volgende stukken overgelegd:

- een brief van zijn gemachtigde betreffende de herhaalde asielaanvraag;

- brieven van zijn gemachtigde aan de Britse (d.d. 9 juni 2006 en 25 september 2006) en de Amerikaanse ambassade (d.d. 20 maart 2006 en 18 september 2006);

- een brief van zijn gemachtigde aan het Centre for Strategic and International Studies (CSIS);

- verzoeken van zijn gemachtigde van 25 september 2006 en 13 oktober 2006 om toezending van de minuut van het besluit van 30 augustus 2005, alsmede alle daaronder liggende stukken in de vorige procedure;

- een kopie van de minuut in de vorige procedure;

- het CSIS-rapport van 28 juni 2006 getiteld: “The Gulf Military Forces in an Era of Asymmetric War: Iran”;

- een brief van zijn gemachtigde van 7 september 2006 aan drs. M.W. van Gestel, Directeur Procesvertegenwoordiging;

- een brief van zijn gemachtigde van 31 juli 2006 aan psychiater i.o. J. Goedhart;

- een rapport van psychiater i.o. J. Goedhart van 30 augustus 2006;

- een brief van zijn gemachtigde van 31 juli 2006 aan toenmalig minister Verdonk;

- een onvertaald stuk van 6 oktober 2005 waarin de Britse premier Blair Iran waarschuwt om zich niet in het conflict in Irak te mengen;

- een telefoonnotitie van 1 juni 2006 met de heer Stiphout van de IND, waarin staat vermeld dat laatstgenoemde heeft aangegeven dat ook hij overtuigd is van de gegrondheid van de reden tot vrees voor vervolging; en

- een brief van J, Schnitzel, GZ-psycholoog, werkzaam bij ADAPT, Expertisecentrum voor Angststoornissen, sector gespecialiseerde GGZ Almelo/Hellendoorn van 25 april 2008.

10. Naar het oordeel van de rechtbank zijn voornoemde stukken niet te beschouwen als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Van een aantal stukken is gesteld noch gebleken dat ze, nog daargelaten dat tevens op voorhand is uitgesloten dat zij gelet op hun inhoud op voorhand af kunnen doen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat berust, niet eerder ingebracht hadden kunnen worden. Zo valt niet in te zien dat de Britse en de Amerikaanse niet in de vorige procedure konden worden aangeschreven. Het CSIS-rapport van 28 juni 2006 en het persbericht over premier Blair zijn stukken van algemene aard en zien niet op de persoon van eiser. Van deze stukken is derhalve op voorhand uitgesloten dat zij kunnen afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat berust. De kopie van de minuut van het besluit van 30 augustus 2005, de brief aan de Directeur Procesvertegenwoordiging en de telefoonnotitie van 1 juni 2006 kunnen gelet op hun inhoud evenmin op voorhand afdoen aan het eerder besluit en de overwegingen waarop dat berust.

11. De brief van J. Goedhart, psychiater i.o. van 30 augustus 2006 en de brief van psycholoog J. Schnitzler van 25 april 2008, waarin onder meer staat vermeld dat eiser ten gevolge van mishandelingen binnen het Iraanse leger last heeft gekregen van een postraumatische stressstoornis (PTSS) dateren weliswaar van na het inmiddels rechtens onaantastbare besluit uit de vorige procedure, doch kunnen op voorhand niet afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat berust. Daartoe is redengevend dat eiser reeds in de vorige procedure naar voren heeft gebracht dat hij somberheids- en herbelevingsklachten heeft na de traumatische gebeurtenissen die hij in Iran heeft ondergaan. Zo heeft eiser in de vorige procedure een behandelplan van zijn behandelaar J. Goedhart van 1 november 2005 ingebracht, waarin vermeld staat dat eiser veel klachten heeft gekregen na veelvuldige mishandelingen in het Iraanse leger op 18-jarige leeftijd en de daaropvolgende vlucht naar Nederland. Volgens J. Goedhart passen de symptomen bij een PTSS. De brieven van 30 augustus 2006 en 25 april 2008 hebben dezelfde strekking. Daarbij komt dat niet is gebleken dat de behandelend geneesheren aan waarheidsvinding hebben gedaan.

12. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiser met betrekking tot het relaas in de vorige procedure geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. De rechtbank gaat in zoverre, onder verwijzing naar het inmiddels rechtens onaantastbare besluit van 30 augustus 2005, niet over tot een inhoudelijke beoordeling van het thans voorliggende bestreden besluit. Er is niet gebleken van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden, die ertoe nopen om in dit geval aan het in artikel 4:6 van de Awb voor de bestuursrechter geldende ‘ne bis in idem’-beginsel voorbij te gaan.

13. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij zich inmiddels in Nederland heeft bekeerd tot het christendom, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, nu dit een nieuw feit is dat geen enkel verband houdt met het in de vorige procedure naar voren gebrachte asielrelaas. De rechtbank beschouwt de huidige aanvraag in zoverre dan ook als een eerste dan wel nieuwe aanvraag en verwijst ter ondersteuning voor dit oordeel naar de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2007 (LJN: BC1774 en JV 2008, 39).

14. Het geschil spitst zich vervolgens toe op de vraag of verweerder in de omstandigheid dat eiser is bekeerd tot het christendom geen aanleiding heeft hoeven zien aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000 te verlenen.

15. De bekering van eiser, die door verweerder geloofwaardig wordt geacht, heeft eerst in Nederland plaatsgevonden. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan het zogenaamde continuïteitsvereiste, zodat eiser niet op grond van zijn bekering in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

16. Eiser stelt dat hij vanwege zijn bekering tot het christendom bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat hij in Iran als een afvallige van de islam zal worden beschouwd. Hij stelt daarbij dat het inherent aan het christendom is dat hij hiervan wenst te getuigen en anderen daarvan deelgenoot wenst te maken overeenkomstig de oerchristelijke opdracht dit geloof te verbreiden. Daar komt bij dat zijn familie in Iran op de hoogte is van zijn bekering tot het christendom en het daarmee volstrekt niet eens is. Een tante die hier in Nederland verblijft heeft een andere tante van eiser en haar echtgenoot, die werkzaam is voor de Iraanse inlichtingendienst, hiervan telefonisch op de hoogte gesteld. Tot slot is aangevoerd dat het voor de Iraanse overheid niet van belang is welke rol men binnen het christelijk geloof bekleedt. De enkele bekering tot het christendom en daarmee de afvalligheid van de islam is voldoende om niet alleen volgens de Sharia, maar ook naar komend Iraans wettelijk recht christenen, die bekeerd zijn vanuit de islam, de doodstraf op te leggen. De Iraanse president heeft namelijk daartoe op 23 december 2007 een wetsvoorstel gedaan strekkende tot wijziging van het Iraanse strafrecht.

17. Verweerder twijfelt niet aan eisers bekering tot de Kores kerk, maar gelooft niet dat eiser enkel vanwege zijn bekering heeft te duchten voor een behandeling welke door artikel 3 van het EVRM wordt verboden. Hiertoe acht verweerder van belang dat eiser enkel een beroep doet op zijn bekering hier te lande en voor het overige geen individuele aspecten heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat er in zijn specifieke geval sprake is van een reëel risico op schending van het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Om die reden valt eiser niet onder het beleid van verweerder zoals is neergelegd in WBV 2007/15 van 13 juli 2007. De verklaring van eiser dat hij bij terugkeer naar Iran vreest voor vervolging omdat hij aldaar wenst te evangeliseren, wordt niet door verweerder gevolgd, omdat eiser zijn vrees op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd. Naar de mening van verweerder ontberen de aan deze vrees ten grondslag liggende vermoedens dan ook realiteitsgehalte. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers tante in Nederland niet is te beschouwen als een objectieve bron en dat de brief van deze tante, die door de gemachtigde van eiser bij brief van 20 augustus 2007 is ingebracht, op verzoek en aanwijzing van eiser tot stand kan zijn gekomen. Verweerder wijst voorts op het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van juni 2007, ten dele geactualiseerd op 12 februari 2008, waaruit blijkt dat van enige bijzondere aandacht van de Iraanse autoriteiten voor christenen en tot het christendom bekeerde voormalige moslims onder de terugkerende Iraniërs niets bekend is. Met betrekking tot het wetsvoorstel van de Iraanse president tot wijziging van het Iraanse strafrecht, in die zin dat de doodstraf kan worden opgelegd aan afvalligen van de islam, heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat geen gevallen bekend zijn waarin de doodstraf daadwerkelijk is opgelegd. Het aannemen van het wetsvoorstel van het parlement betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis waaraan thans geen rechten aan kunnen worden ontleend. Het Iraanse parlement zou immers kunnen besluiten het wetsvoorstel af te wijzen, nog daargelaten wat de gevolgen voor eiser zouden zijn na een eventuele inwerkingtreding.

18. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

19. In WBV 2007/15 is in onderdeel 3.7. bepaald dat ten aanzien van Iraanse vreemdelingen die in Nederland zijn bekeerd tot het christendom C2/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) van toepassing is. Voor hen geldt voorts dat zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 in aanmerking kunnen komen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wanneer zij aannemelijk maken dat zij bekeerd zijn en dat zij al problemen hebben ondervonden om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging, die op zichzelf onvoldoende reden vormen om een verblijfsvergunning asiel te verlenen.

20. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet twijfelt aan de bekering van eiser en constateert voorts dat het op grond van dit beleid kennelijk niet van belang is of de Iraanse autoriteiten of anderen in Iran op de hoogte zijn van eisers bekering tot het christendom. Niettemin heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser ingevolge WBV 2007/15 niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, nu bij onherroepelijk geworden uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 mei 2006 (AWB 05/429732), is komen vast te staan dat verweerder de door eiser gestelde problemen, die verband zouden houden met zijn dienstplicht, ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Aangezien eiser in de onderhavige procedure, zoals hiervoor reeds is overwogen, evenmin nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangedragen die tot een ander standpunt ter zake zouden kunnen leiden, dient er derhalve van uit te worden gegaan dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij reeds om andere redenen dan zijn geloofsovertuiging problemen heeft ondervonden. De stelling van eisers gemachtigde dat eiser meer in het bijzonder in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staat omdat hij reeds eerder asielprocedures in Nederland heeft doorlopen, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien niet is gebleken dat eiser als gevolg hiervan bij zijn terugkeer in Iran problemen heeft ondervonden.

21. De rechtbank dient voorts te beoordelen of verweerder, los van het bepaalde in WBV 2007/15, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de enkele bekering tot het christendom en daarmee de afvalligheid van de islam, bij terugkeer van eiser in Iran geen reëel risico voor hem als bedoeld in artikel 3 van het EVRM meebrengt.

22. In beroep zijn namens eiser stukken ingebracht waaruit blijkt dat het Iraanse parlement inmiddels op 9 september 2008 voormeld wetsvoorstel van de Iraanse president heeft goedgekeurd met 196 stemmen voor, 7 stemmen tegen en 2 onthoudingen. Volgens de gemachtigde van eiser staat in dit wetsvoorstel dat afvalligen van de islam de doodstraf moeten krijgen en dient dit wetsvoorstel enkel nog te worden voorgelegd aan de “Council of Guardians” (De Raad van Hoeders).

23. De rechtbank heeft verweerder op grond van deze nieuwe informatie, welke in dit geval relevant kan zijn voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, om een schriftelijke reactie gevraagd als bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Vw 2000.

24. In de brief van 22 januari 2009 heeft verweerder hierop als volgt gereageerd:

“Over bedoeld door het Iraans parlement goedgekeurde wetsvoorstel heeft ruggespraak plaatsgevonden met de Nederlandse ambassade te Teheran. In de brief van 21 oktober 2008 van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (kenmerk 5563577/08) wordt verwezen naar het algemeen ambtsbericht over de situatie in Iran van de minister van Buitenlandse zaken van 22 juli 2008 waarin is vermeld dat de Iraanse president een wetsontwerp tot wijziging van het wetboek van Strafecht aan het parlement ter goedkeuring heeft voorgelegd. Weliswaar heeft het Iraanse parlement op 9 september 2008 aangegeven in principe in te stemmen met de wetswijziging, maar over de bewoordingen van de betreffende wetsartikelen is nog geen akkoord bereikt. De besprekingen daarover dienen nog plaats te vinden en dit proces kan nog enige tijd duren. Formeel heeft goedkeuring van de tekst van de te wijzigen wetsartikelen dan ook nog niet plaats gevonden. Derhalve heeft ook het principe-akkoord van het Iraans parlement geen grond gegeven om het beleid ter zake te wijzigen. ”

25. Verweerder ziet derhalve geen aanleiding om het bestreden besluit te wijzigen of in te trekken, zodat het besluit wordt gehandhaafd.

26. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting naar voren gebracht dat de tekst van het wetsvoorstel door de goedkeuring door het Iraanse parlement definitief is geworden. De enige die zich daar nog over moet buigen is de Raad van Hoeders. Die vindt de tekst zoals die er ligt prima, maar wil dat de religieuze rechters deze zaken straks binnen de reguliere rechtbanken gaan afhandelen. Dat is nog het enige punt van discussie in Iran, aldus eiser.

27. In reactie hierop heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting aangegeven dat zulks in strijd is met de informatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat te beschouwen is als een deskundigenadvies aan verweerder. Verweerder ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen en gaat er derhalve van uit dat over de bewoordingen van het wetsvoorstel nog geen definitief akkoord is bereikt. Formeel ligt er dus geen tekst van wet. De procedure in Iran kan enige tijd duren. De gemachtigde van verweerder kan niet zeggen hoe lang. Zij kan daar geen enkele informatie over verschaffen.

28. Niet in geschil is dat de situatie van christenen, met name van moslims die zich bekeerd hebben tot het christendom, uitermate zorgelijk is te noemen. Uit het ambtsbericht van juni 2007, ten dele geactualiseerd op 12 februari 2008 met betrekking tot de positie van christenen en homoseksuelen, blijkt dat er aanwijzingen zijn dat evangeliserende kerken in de negatieve belangstelling staan van de Iraanse autoriteiten. Leiders van evangeliserende kerken staan onder druk van de autoriteiten om en schriftelijke belofte af te leggen waarin zij verklaren geen moslims te zullen bekeren of toe te laten tot kerkdiensten. De leden van deze evangeliserende christelijke gemeenschappen zeggen echter geen keuze te hebben, omdat de opdracht het evangelie te verkondigen deel uitmaakt van hun geloof.

29. Voorts blijkt uit voornoemd ambtsbericht dat bekend is dat personen die tot het christendom zijn bekeerd zo nu en dan dreigbrieven of dreigtelefoontjes ontvangen en dat vooral actieve bekeerders (tijdelijk) zijn opgepakt en ondervraagd. Ook in de verslagperiode zouden de Iraanse autoriteiten christelijke bekeerlingen hebben gearresteerd, alvorens ze weer op borgtocht vrij te laten.

30. De rechtbank is op grond van het vorenstaande met eiser van oordeel dat verweerder niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat eiser zijn vrees voor vervolging dan wel vrees voor problemen met de Iraanse autoriteiten of medeburgers vanwege zijn wens om bij (eventuele) terugkeer in Iran te gaan evangeliseren, op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd. Dit klemt te meer nu op grond van WBV 2007/15 ten aanzien van voormalig moslims die zich in Iran tot het christendom hebben bekeerd is aangegeven dat minder eisen worden gesteld ten aanzien van de aannemelijkheid van het individuele relaas. Dit betekent dat wanneer een vreemdeling in Iran vanwege zijn geloof problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten of van medeburgers en deze met geringe indicaties geloofwaardig kan maken, het door verweerder aannemelijk wordt geacht dat sprake is van negatieve aandacht bij terugkeer naar het land van herkomst. Bovendien heeft het Iraanse parlement inmiddels (een eerste lezing van) het wetsvoorstel van de Iraanse president van 23 december 2007 goedgekeurd. Uit de vertaling van dit wetsvoorstel blijkt dat de straf voor de Fetri afvallige, zijnde iemand waarvan een van de ouders tijdens zijn verwekking moslim was en die zich na zijn puberteit tot moslim heeft verklaard en daarna is bekeerd, de doodstraf is. Dat de definitieve vaststelling en goedkeuring van dit wetsvoorstel thans nog heeft plaatsgevonden, doet niet af aan de omstandigheid dat de situatie in Iran zich in de mogelijk zeer nabije toekomst sterk lijkt te ontwikkelen in een richting waarin er voor moslims die zich hebben bekeerd een reëel risico bestaat op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder de minister van Buitenlandse Zaken nader onderzoek moet laten doen naar de vraag binnen welke termijn een definitief wetsvoorstel is te verwachten en op welke wijze deze wet voor moslims die zich tot het christendom hebben bekeerd, zoals eiser, consequenties heeft. Voor zover een dergelijk onderzoek door de minister van Buitenlandse Zaken thans niet goed mogelijk is, bijvoorbeeld omdat hij geen invloed heeft op het Iraanse wetgevingsproces en hij wellicht te weinig inzicht daarin heeft, zou dit door verweerder gezien kunnen worden als een periode van onzekerheid over de situatie van tot het christendom bekeerde moslims in Iran, een periode die naar verwachting (relatief) kort zal zijn. De rechtbank geeft verweerder daarom in overweging dat zij op grond daarvan de mogelijkheid heeft een besluitmoratorium in te stellen, opdat er thans geen onomkeerbare stappen worden gezet.

31. Het bestreden besluit is derhalve onvoldoende zorgvuldig voorbereid en berust evenmin op een deugdelijke motivering. Daarom komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb.

32. Het beroep is derhalve gegrond.

33. Hetgeen overigens is aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

34. Ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank erop dat in deze uitspraak het beroep gegrond zal worden verklaard, met als gevolg dat het bestreden besluit (deels) zal worden vernietigd. Niettemin heeft de rechtbank bepaalde gronden van het beroep uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Om te voorkomen dat deze verwerping in rechte komt vast te staan, kan tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep worden ingesteld.

35. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00

• wegingsfactor 1.

35. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. E.M. de Stigter als rechter in tegenwoordigheid van mr. A.A.M.J. Smulders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2009.