Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH9208

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-03-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
AWB 09-7858
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BI6331, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / rechtmatigheid

Ter zitting van de rechtbank blijkt de vreemdeling in het bezit te zijn van een Maatregel van Bewaring welke één dag later is gedateerd dan die waarover de rechtbank en verweerder beschikken.

De zaak is aangehouden teneinde verweerder de gelegenheid te geven hierover duidelijkheid te verschaffen.

Uit het aanvullend proces-verbaal van de hulp-OvJ die eiser in bewaring heeft gesteld blijkt dat deze aanvankelijk per abuis een Maatregel van Bewaring heeft uitgereikt van 12 februari 2009. Nadien heeft hij dat bemerkt en heeft hij dat willen herstellen door alsnog een Maatregel van Bewaring met de juiste datum, 11 februari 2009, op te maken en deze te faxen aan de gemachtigde van eiser en de procesvertegenwoordiging. Aan het bewakingspersoneel van de afdeling waar eiser verbleef heeft verbalisant verzocht de juiste Maatregel van Bewaring alsnog te overhandigen en aan eiser mede te delen dat de eerder uitgereikte maatregel kon worden vernietigd. Blijkbaar heeft de vreemdeling de foutieve maatregel niet vernietigd, maar aan zijn gemachtigde doen toekomen.

Op grond van deze gang van zaken stelt de rechtbank vast dat het er voor moet worden gehouden dat de Maatregel van Bewaring die ter toetsing voorligt, namelijk die van 11 februari 2009, niet aan eiser is uitgereikt en dat daarmee artikel 5.3, eerste lid, van het Vb 2000 is geschonden.

Nu de belangen die dit voorschrift beoogt te beschermen (kenbaar maken van de gronden van inbewaringstelling en het daartegen eventueel aan te wenden rechtsmiddel) in casu voldoende zijn verzekerd geweest en eiser door de geschetste gang van zaken niet in zijn belangen is geschaad, is de rechtbank van oordeel dat de inbewaringstelling van eiser niet onrechtmatig is geschied.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/7858

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2009

inzake

[eiser],

geboren op [1971],

van Algerijnse nationaliteit,

verblijvende te Alphen aan den Rijn in de penitentiaire inrichting,

eiser,

gemachtigde mr. drs. A. Boumanjal,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde G.I. Ramsaroep.

Procesverloop

Op 11 februari 2009 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Bij kennisgeving ex artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van 9 maart 2009, diezelfde datum ontvangen ter griffie van de rechtbank, heeft verweerder bericht dat eiser in bewaring verblijft zonder beroep te hebben ingesteld tegen de inbewaringstelling.

De zaak is behandeld op de zitting van 16 maart 2009, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting is geschorst ten einde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken. Op 17 maart 2009 heeft verweerder deze nadere informatie toegezonden. De reactie van de gemachtigde van eiser is op 18 maart 2009 ontvangen.

Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend tot het doen van een uitspraak zonder een nadere behandeling van het beroep ter zitting. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2. Namens eiser is – kort weergegeven – aangevoerd dat eiser slechts in het bezit is van een Maatregel van Bewaring gedateerd op 12 februari 2009. Aan hem is niet de Maatregel van Bewaring van 11 februari 2009 uitgereikt, zodat eiser, nadat hij op 11 februari 2009, om 00.00 uur, uit zijn strafrechtelijke detentie is vrijgelaten, ruim één dag zonder titel in vreemdelingenbewaring heeft gezeten. Voorts is namens eiser aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt, nu ondanks dat uit een taalanalyse blijkt dat eiser eenduidig tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Algerije te herleiden is, er enkel een aanvraag voor een laissez passer (lp) bij de Marokkaanse autoriteiten loopt. Sinds de verzending van de lp-aanvraag aan de Algerijnse autoriteiten op 9 april 2008 is er in die richting niets meer door verweerder ondernomen. Er is geen reëel zicht op uitzetting naar Algerije binnen redelijke termijn. Verder zijn er slechts standaard rappellen richting de Marokkaanse autoriteiten gezonden. Nu de lp-aanvraag voor Marokko op niets wezenlijks is gebaseerd is er ook geen reëel zicht op uitzetting binnen redelijke termijn.

3. Ter zitting van de rechtbank is gebleken dat eiser in het bezit is van een Maatregel van Bewaring van 12 februari 2009. Blijkens het door verweerder na de zitting overgelegde aanvullend proces-verbaal van 16 maart 2009, opgemaakt door de hoofdinspecteur van politie, tevens hulp-officier van justitie, K. Slingerland, is de verklaring daarvoor als volgt. Nadat deze verbalisant eiser op 10 februari 2009, in het kader van een gehoor op de hoogte heeft gebracht van het feit dat hij de volgende dag, dus op 11 februari 2009, om 08.00 uur, aansluitend aan zijn strafrechtelijke detentie, in vreemdelingenbewaring zou worden genomen, heeft verbalisant aan eiser een Maatregel van Bewaring van 12 februari 2009 uitgereikt. Na afloop van dit gehoor heeft verbalisant ontdekt dat de aan eiser meegegeven Maatregel van Bewaring een verkeerde datum bevatte en heeft hij een en ander proberen recht te zetten door een nieuwe Maatregel van Bewaring, gedateerd 11 februari 2009, met als tijdstip 08.00 uur, aan te maken en deze gecorrigeerde maatregel per fax te zenden aan de gemachtigde van eiser en de procesvertegenwoordiging van verweerder. Aan het bewakingspersoneel van de afdeling waar eiser verbleef heeft verbalisant verzocht de juiste Maatregel van Bewaring aan eiser te overhandigen met de mededeling dat de eerder uitgereikte maatregel kon worden vernietigd. Verbalisant is er vervolgens van uit gegaan dat eiser de juiste Maatregel van Bewaring in zijn bezit zou hebben. Blijkbaar heeft eiser, zo stelt verbalisant in zijn aanvullend proces-verbaal, de foutieve Maatregel van Bewaring niet vernietigd maar deze aan zijn advocaat doen toekomen. De gemachtigde van eiser heeft in reactie op dit aanvullend proces-verbaal gepersisteerd bij zijn stelling dat eiser één dag zonder titel van zijn vrijheid beroofd is geweest. In ieder geval is, volgens hem, onduidelijk gebleven op welke dag de maatregel van bewaring is opgelegd, hetgeen voor rekening en risico van verweerder dient te blijven.

4. Gelet op de gedingstukken en voormelde gang van zaken concludeert de rechtbank dat eiser op 11 februari 2009, om 08.00 uur, aansluitend aan zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring is gesteld. Anders dan de gemachtigde van eiser heeft gesteld, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit gedingstuk B4 niet dat eiser reeds op 11 februari 2009, om 00.00 uur uit zijn strafrechtelijke detentie is ontslagen. Op de tweede pagina van dat stuk staat immers expliciet vermeld dat eiser op 11 februari 2009, om 08.00 uur uit strafrechtelijke detentie komt en daarna vreemdelingenbewaring zal worden gesteld. Ook overigens heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat eiser om middernacht vanuit strafrechtelijke detentie is vrijgelaten.

5. Voorts moet worden vastgesteld dat verbalisant Slingerland niet persoonlijk de Maatregel van Bewaring van 11 februari 2009 aan eiser heeft uitgereikt, noch bij het bewakingspersoneel, waaraan hij zulks heeft verzocht, heeft geverifieerd of de maatregel van 11 februari 2009 daadwerkelijk aan eiser is uitgereikt. Derhalve kan er – ondanks vermelding daarvan in de door verbalisant ondertekende Maatregel van Bewaring van 11 februari 2009 – onder de gegeven omstandigheden niet vanuit worden gegaan dat de Maatregel van Bewaring van 11 februari 2009 aan eiser is uitgereikt. Resteert de vraag welke gevolgen daaraan dienen te worden verbonden.

6. De rechtbank stelt voorop dat blijkens de kennisgeving van eisers inbewaringstelling in onderhavige procedure de rechtmatigheid van de Maatregel van Bewaring van 11 februari 2009 dient te worden getoetst. Nu het er, gelet op voormelde gang van zaken, voor moet worden gehouden dat deze maatregel niet aan eiser is uitgereikt, is daarmee artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (hierna Vb 2000) geschonden. In het Vb 2000 worden aan het niet-nakomen van deze verplichting echter geen gevolgen verbonden. Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat de daaraan te verbinden gevolgen moeten worden bezien in het licht van de belangen ter bescherming waarvan het genoemd voorschrift strekt. De uitreiking van de Maatregel van Bewaring aan de vreemdeling die in bewaring wordt gesteld is van belang om daarmee aan de vreemdeling kenbaar te maken op welke gronden hij in bewaring is gesteld en welk rechtsmiddel hij daartegen kan aanwenden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze belangen in het onderhavige geval voldoende verzekerd geweest en kan niet gezegd worden dat eiser door de gang van zaken in zijn belangen is geschaad. Immers, ook in de wel aan eiser uitgereikte Maatregel van Bewaring van 12 februari 2009 zijn de gronden van zijn inbewaringstelling en het eventueel aan te wenden rechtsmiddel vermeld. Daar komt bij dat eiser reeds in het gehoor op 10 februari 2009 met verbalisant Slingerland mondeling op de hoogte is gebracht van de gronden waarop hij de volgende morgen, 11 februari 2009, om 8.00 uur, in aansluiting op zijn strafrechtelijke detentie, in vreemdelingenbewaring zou worden gesteld, alsook welk rechtsmiddel daartegen aangewend zou kunnen worden. Bovendien heeft eisers gemachtigde de Maatregel van Bewaring van 11 februari 2009 kort na oplegging daarvan toegezonden gekregen.

7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inbewaringstelling van eiser niet onrechtmatig is geschied.

8. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder op goede gronden eiser krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in het belang van de openbare orde en met het oog op de uitzetting, in bewaring heeft gesteld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser

- niet beschikt over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000;

- zich niet heeft aangemeld bij de korpschef;

- niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats;

- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

- is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf;

- zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn;

- ongewenst is verklaard.

Het voorgaande is voldoende grond ernstig te vermoeden dat eiser zich aan zijn uitzetting zal onttrekken.

9. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de aanvraag voor een lp op 8 december 2008 aan de Marokkaanse autoriteiten is verzonden en dat sindsdien regelmatig schriftelijk is gerappelleerd, namelijk op 19 januari 2009, 9 februari 2009 en 3 maart 2009. Op 9 januari 2009 is eiser in persoon gepresenteerd. Voorts zijn er op 10 januari 2009 en 20 februari 2009 nog vertrekgesprekken met eiser gevoerd. Op 29 januari 2009 is de uitslag van de taalanalyse bekend geworden. Daaruit blijkt dat eiser is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Algerije.

10. Uit voormelde gegevens blijkt dat de lp-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten reeds liep voordat de uitslag van de taalanalyse bekend werd. Dat de uitslag van de taalanalyse volgens eiser bevestigt wat hij altijd al heeft beweerd, namelijk dat hij afkomstig is uit Algerije, heeft verweerder er naar het oordeel van de rechtbank niet van hoeven weerhouden de lp-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten te laten doorlopen, noch was verweerder gelet op die uitslag gehouden een lp-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten op te starten. Immers, een taalanalyse is geen bewijs omtrent de nationaliteit van een vreemdeling. Bovendien blijkt reeds uit de M120 (p.9, achter de datum 15 april 2008) dat de consul van Algerije aan verweerder heeft laten weten dat het geen zin heeft om eiser weer te presenteren zolang er geen nieuwe gegevens zijn. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder hier nog aan toegevoegd dat de regievoerder haar desgevraagd heeft medegedeeld dat het resultaat van de taalanalyse geen nieuw gegeven als hiervoor bedoeld is. Eveneens blijkt uit de M120 dat eiser geen enkele bijdrage heeft geleverd aan de vaststelling van zijn nationaliteit en/of identiteit. Gelet op het vorenstaande volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat verweerder eerst ter zitting duidelijkheid heeft gegeven omtrent de stand van zaken met betrekking tot de lp-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten.

11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat vooralsnog niet gesteld kan worden dat geen reëel zicht op uitzetting bestaat of dat met onvoldoende voortvarendheid aan de uitzetting van eiser wordt gewerkt. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat zolang eiser iedere medewerking ter vaststelling van zijn nationaliteit en/of identiteit weigert er niet gezegd kan worden dat reëel zicht op uitzetting, zowel naar Algerije als naar Marokko, ontbreekt.

12. Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

13. Gelet op het voorgaande moet de vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 van de Vw 2000 rechtmatig worden geoordeeld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

14. Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 dient de kennisgeving van 9 maart 2009 tevens te worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit verzoek komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu ingevolge artikel 106 van de Vw 2000 een dergelijk verzoek slechts kan worden toegewezen indien de rechtbank de opheffing van de bewaring beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van de maatregel wordt opgeheven, hetgeen in casu niet het geval is.

15. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

16. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond;

- wijst het verzoek om de Staat der Nederlanden te veroordelen tot schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. E.M. de Stigter als rechter in tegenwoordigheid van mr. P.M. de Kruif als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2009.