Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH8610

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/3617, 08/3613
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw 2000 / ongeloofwaardig / individueel ambtsbericht en valse documenten

De rechtbank overweegt dat verweerder in redelijkheid aan eisers heeft kunnen tegenwerpen dat zij zich niet direct hebben gemeld na aankomst in Nederland. Eisers zijn naar eigen zeggen in de nacht van 16 op 17 juli 2006 Nederland in gereisd. Op 19 juli 2006 zijn zij aangehouden door de politie als illegale vreemdeling. Eisers beschikken voorts niet over een geldig document voor grensoverschrijding. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een vrijwillige melding bij de politie. Eisers zijn immers aangehouden als illegale vreemdeling. Nu verweerder in redelijkheid kan stellen dat eisers geen verschoonbare reden hebben aangevoerd voor de omstandigheid dat zij zich niet onverwijld hebben gemeld, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid deze omstandigheid bij het onderzoek naar de aanvraag heeft betrokken.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het relaas positieve overtuigingskracht ontbeert, onder meer omdat de door eisers ingebrachte geboorteboekjes vals bevonden zijn en omdat uit het onderzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken onder andere naar voren is gekomen dat eiser niet bekend is bij de door hem genoemde bladen voor welke hij artikelen zou hebben geschreven.

De rechtbank ziet, mede gelet op de door verweerder ingebrachte reactie op de contra-expertise van documentdeskundige R. van Ham van 7 maart 2008 en de door verweerder ter zitting gegeven toelichting, geen grond voor het oordeel dat verweerder niet van de juistheid van de bevindingen van het Bureau Documenten heeft mogen uitgaan. De deskundige heeft daarbij toegelicht dat Bureau Documenten bij het onderzoek van verfijndere apparatuur gebruik heeft gemaakt dan de contra-expert. Nu de deskundige van Bureau Documenten kennis heeft genomen van de contra-expertise en gemotiveerd de conclusies heeft gehandhaafd, is de rechtbank van oordeel dat eisers met de contra-expertise onvoldoende concrete aanknopingspunten hebben aangedragen die doen twijfelen aan de juistheid van het onderzoek van Bureau Documenten.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas mede heeft gestoeld op de conclusies zoals opgenomen in het individuele ambtsbericht van 5 juli 2007 ten aanzien van de activiteiten van eiser als schrijver van artikelen in een aantal door hem genoemde kranten. De rechtbank is van oordeel dat door eiser onvoldoende aanknopingspunten naar voren zijn gebracht om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van het individuele ambtsbericht. Eisers hebben in beroep twee brieven van Sobh Iran Dagblad overgelegd, gedateerd 9 februari 2008 en 5 maart 2001, waaruit zou moeten blijken dat eiser wel economische/politiek gevoelige artikelen heeft geschreven voor dit dagblad. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze brieven niet worden aangemerkt als een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van het individuele ambtsbericht. De rechtbank overweegt hiertoe dat- noch daargelaten of deze brieven niet eerder in de besluitvormingsfase ingebracht hadden kunnen worden- de inhoud van deze brieven niet kan afdoen aan het in het individuele ambtsbericht vastgelegde onderzoeksresultaat dat eiser niet bekend is bij de door hem genoemde dagbladen. Eiser heeft het Sobh Iran Dagblad niet eerder genoemd. De brieven weerspreken derhalve de conclusie van het individuele ambtsbericht niet en kunnen reeds hierom niet worden aangemerkt als een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van het individuele ambtsbericht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het individuele ambtsbericht ten grondslag heeft kunnen leggen aan het bestreden besluit. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummers: AWB 08/3617 en 08/3613

Datum uitspraak: 27 maart 2009

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser]

geboren op [geboortedatum] 1979,

v-nummer [nummer],

nader te noemen: eiser,

[eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1979,

v-nummer [nummer],

nader te noemen: eiseres,

beiden van Iraanse nationaliteit,

tezamen te noemen eisers,

gemachtigde mr. P.L.P.M. van Aalst,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluiten van 4 januari 2008 (verder: de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers van 21 juli 2006 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 31 januari 2008 hebben eisers beroep ingesteld tegen deze besluiten.

In deze zaak is op 5 juli 2007 een individueel ambtsbericht uitgebracht. Namens de Minister van Buitenlandse Zaken is verzocht om toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb.

Op 18 juli 2008 heeft de enkelvoudige kamer van deze rechtbank en nevenzittingsplaats bepaald dat beperking van de kennisneming van de vertrouwelijke gedeelten in de onderliggende stukken van het individuele ambtsbericht gerechtvaardigd is.

Bij brieven van 18 juli 2008 heeft de rechtbank toestemming gevraagd om mede op grondslag van de onderliggende stukken van het individuele ambtsbericht uitspraak te doen, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. Bij brief van 22 juli 2008 hebben eisers hiermee ingestemd. Bij brief van 24 juli 2008 heeft verweerder hiermee ingestemd.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting van 9 december 2008. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. V.A.M.W. ’t Hoen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Ter staving van zijn asielaanvraag heeft eiser, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht. Eiser is in 2001, nadat zijn vader Iran verlaten had, drie dagen ondervraagd, mishandeld en bedreigd door de veiligheidsdienst. Eiser moest aan de veiligheidsdienst vertellen waar zijn vader was en hoe diens reis geregeld was. Eisers zijn op 17 januari 2003 getrouwd. Zij woonden bij de ouders van eiseres. Eiser werkte in de bouw. Op aanmoediging van zijn schoonvader is eiser artikelen gaan schrijven. Zijn schoonvader bracht die naar verschillende kranten die de artikelen publiceerden. Eiser schreef over economische/technische onderwerpen. Nadat hij een aantal artikelen had gepubliceerd, is eiser eind 2005/begin 2006 opnieuw bedreigd door de veiligheidsdienst. De veiligheidsdienst zei dat hij moest schrijven wat zij wilden. In maart/april 2006 had eiser een politiek gevoelig stuk geschreven over het witwassen van geld door de veiligheidsdienst. De veiligheidsdienst heeft voorkomen dat dit stuk gepubliceerd werd. Een functionaris van de veiligheidsdienst heeft in juni 2006 geprobeerd hem aan te rijden. Eiser had een uitreisverbod.

De aanvraag van eiseres steunt grotendeels op de problemen die eiser heeft ondervonden en heeft in die zin een afhankelijk karakter. Eiseres is in juni 2006 mishandeld door twee mannen. Daarna zijn eisers gevlucht naar Nederland.

3. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, onder c, van de Vw 2000. Verweerder stelt hiertoe dat eisers geen verschoonbare reden hebben gehad om zich niet onverwijld bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen te melden bij binnenkomst in Nederland. Eisers zijn op 16 juli 2006 Nederland binnengekomen en zijn op 19 juli 2006 als illegale vreemdeling aangetroffen.

Verder stelt verweerder dat het asielrelaas van eisers geen positieve overtuigingskracht heeft en dat het niet geloofwaardig is. Verweerder heeft hierbij verwezen naar de resultaten van het onderzoek van Bureau Documenten naar de door eisers ingebrachte geboorteboekjes alsmede naar de inhoud van het individuele ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

4. Hiermee kunnen eisers zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende, kort samengevat, aangevoerd. Naar de mening van eisers hebben zij tijdig en binnen 48 uur hun asielaanvraag ten overstaan van de politie kenbaar gemaakt. Zij zijn van mening dat zij aangetoond hebben dat hun eventuele te late aanmelding verschoonbaar is, mede omdat zij door het overleggen van hun originele geboorteboekjes voldaan hebben aan de van hen verwachte grotere inspanning. Eisers betwisten de uitkomst van het echtheidsonderzoek. Naar de mening van eisers is het besluit niet op zorgvuldige wijze tot stand gekomen omdat onvoldoende gelegenheid is geboden aan eisers om een contra-expertise op te starten. Eisers stellen zich op het standpunt dat de alsnog door hen in beroep ingebrachte contra-expertise een concrete aanwijzing vormt voor de onjuistheid en onvolledigheid van het onderzoek van Bureau Documenten. Voorts is naar de mening van eisers het onderzoek door het Ministerie van Buitenlandse Zaken niet grondig genoeg geweest gelet op hetgeen door eisers in de gehoren is verklaard omtrent eisers werkzaamheden voor kranten als freelance-journalist. Eisers stellen zich op het standpunt dat de resultaten van dit individuele ambtsbericht niet als basis en motivering kunnen dienen voor de conclusie dat hun relaas ongeloofwaardig zou zijn. Eisers zijn ten slotte van mening dat zij voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en de Vreemdelingenwet.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Blijkens artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag voor een verblijfsvergunning mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling niet beschikt over een voor toegang tot Nederland vereist document voor grensoverschrijding, tenzij hij zich onverwijld onder opgave van de plaats waar of waarlangs hij Nederland is binnengekomen heeft vervoegd bij een ambtenaar, belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel wenst.

7. Uit C4/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (verder: Vc 2000) blijkt dat aan een asielzoeker niet wordt tegengeworpen dat hij geen grensoverschrijdende documenten bezit, indien hij uit eigen beweging zo snel als redelijkerwijs van hem mag worden verwacht heeft gemeld. Voorts volgt hieruit dat de termijn die hiervoor gesteld is op 48 uur na binnenkomst in Nederland.

8. De rechtbank overweegt dat verweerder in redelijkheid aan eisers heeft kunnen tegenwerpen dat zij zich niet direct hebben gemeld na aankomst in Nederland. Eisers zijn naar eigen zeggen in de nacht van 16 op 17 juli 2006 Nederland in gereisd. Op 19 juli 2006 zijn zij aangehouden door de politie als illegale vreemdeling. Eisers beschikken voorts niet over een geldig document voor grensoverschrijding. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een vrijwillige melding bij de politie. Eisers zijn immers aangehouden als illegale vreemdeling. Als reden voor het niet meteen melden hebben eisers opgegeven dat hen aangeraden was te wachten totdat de vierdaagsefeesten waren afgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze reden onvoldoende om als verschoonbaar te kunnen gelden. Nu verweerder in redelijkheid kan stellen dat eisers geen verschoonbare reden hebben aangevoerd voor de omstandigheid dat zij zich niet onverwijld hebben gemeld, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid deze omstandigheid bij het onderzoek naar de aanvraag heeft betrokken.

9. Het niet voldoen aan één van de voorwaarden als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 brengt volgens vaste jurisprudentie en het beleid als opgenomen in C14/3.3 van de Vc 2000 met zich, dat verweerder bij de verdere beoordeling slechts van de juistheid van de verklaringen van eisers hoeft uit te gaan indien in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het asielrelaas moet dus een positieve overtuigingkracht uitgaan.

10. Uit de bestreden besluiten kan worden afgeleid dat verweerder zich op het standpunt stelt dat het relaas positieve overtuigingskracht ontbeert, onder meer omdat de door eisers ingebrachte geboorteboekjes vals bevonden zijn en omdat uit het onderzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken onder andere naar voren is gekomen dat eiser niet bekend is bij de door hem genoemde bladen voor welke hij artikelen zou hebben geschreven.

11. Ten aanzien van de door eisers overgelegde geboorteboekjes overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de verklaring van onderzoek van 6 december 2006 van Bureau Documenten blijkt ten aanzien van het geboorteboekje van eiser het volgende.”Na onderzoek van het document is het volgende gebleken:

1. Het betreft een document waarbij op de persoonsbladzijde een pasfoto is aangebracht ( bladzijde 1). Over deze pasfoto is een afdruk van een inktstempel aangebracht. Deze pasfoto is bevestigd middels twee metalen nietjes. 2. Op bladzijde 1 werd middels daarvoor bestemde apparatuur zichtbaar dat diverse variabele gegevens, aangebracht middels handschrift, zijn verwijderd middels chemische radering. Vervolgens werden deze rubrieken overschreven. ”

Ten aanzien van het geboorteboekje van eiseres wordt het volgende opgemerkt:

“Na onderzoek van het document is het volgende gebleken:

1. Het betreft een document waarbij op de persoonsbladzijde een pasfoto is aangebracht (bladzijde 1). Over deze pasfoto is een afdruk van een ovale inktstempel aangebracht. Deze pasfoto is bevestigd middels twee metalen nietjes.

2. Op de achterzijde (bladzijde 2) van de persoonsbladzijde, zijn beschadigingen en (indruk)sporen zichtbaar, vlak naast de aanwezige metalen nietjes. De beschadigingen wijzen op eerder gebruik van (metalen) nietjes, maar zijn niet zichtbaar op de pasfoto.

3. Met behulp van daarvoor bestemde apparatuur zijn, rechts naast de pasfoto en onderaan bladzijde 1, ronde afdrukken van inktstempels zichtbaar. Deze ronde stempels zijn middels chemische radering verwijderd.

4. De ovale afdrukken van de inktstempels aangebracht op bladzijde 1 zijn van matige kwaliteit.

5. Op bladzijde 1 werd met behulp van daarvoor bestemde apparatuur tevens zichtbaar dat diverse variabele gegevens, aangebracht middels handschrift, zijn verwijderd middels chemische radering. Vervolgens werden deze rubrieken overschreven. “

De onderzoeker van Bureau Documenten komt tot de conclusie dat beide documenten vervalst zijn.

12. In beroep hebben eisers een contra-expertise overgelegd van 8 januari 2008, verricht door Uwe Brocks inhoudende dat de geboorteboekjes van eisers als echt te beschouwen zijn. Eisers menen dat op basis van deze bevindingen verweerder niet zonder meer de conclusie kan trekken dat sprake is van vervalste geboorteboekjes.

13. De rechtbank ziet, mede gelet op de door verweerder ingebrachte reactie op de contra-expertise van documentdeskundige R. van Ham van 7 maart 2008 en de door verweerder ter zitting gegeven toelichting, geen grond voor het oordeel dat verweerder niet van de juistheid van de bevindingen van het Bureau Documenten heeft mogen uitgaan.

Daartoe overweegt de rechtbank dat deze deskundige in zijn reactie gemotiveerd heeft toegelicht dat Bureau Documenten bij de totstandkoming van de onderzoeksresultaten gebruik heeft gemaakt van apparatuur, de zogeheten Docucenter 4500, waarmee verschillende vergelijkingen zoals schrijfmiddeldifferentiaties, mechanische en/of chemische raderingen of manipulaties kunnen worden vastgesteld. De contra-expert Brocks heeft bij zijn onderzoek gebruik gemaakt van een loep om de documenten te onderzoeken, zodat hij mogelijk deze manipulaties niet heeft kunnen vaststellen. Nu de deskundige van Bureau Documenten kennis heeft genomen van de contra-expertise en gemotiveerd de conclusies heeft gehandhaafd, is de rechtbank van oordeel dat eisers met de contra-expertise onvoldoende concrete aanknopingspunten hebben aangedragen die doen twijfelen aan de juistheid van het onderzoek van Bureau Documenten.

14. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat verweerder niet gewacht heeft op de resultaten van de contra-expertise. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet gehouden was de contra-expertise af te wachten. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de gedingstukken naar voren komt dat eisers verweerder eerst bij brief van 5 september 2007 te kennen hebben gegeven dat getracht zal worden een contra-expertise op te starten. Naar het oordeel van de rechtbank had het daarnaast op de weg van eisers gelegen om verweerder op de hoogte te houden van de stand van zaken omtrent de (voortgang van de) contra-expertise. Uit de stukken blijkt bijvoorbeeld niet dat eisers verweerder op de hoogte hebben gesteld dat een contra-expertise daadwerkelijk was opgestart. Onder deze omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook geen aanleiding hoeven zien om bij eisers nog navraag te doen naar de stand van zaken betreffende de contra-expertise.

15. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas mede heeft gestoeld op de conclusies zoals opgenomen in het individuele ambtsbericht van 5 juli 2007 ten aanzien van de activiteiten van eiser als schrijver van artikelen in een aantal door hem genoemde kranten.

16. Gelet op vaste jurisprudentie kan een individueel ambtsbericht worden aangemerkt als een deskundigenadvies waarbij verweerder in beginsel van de juistheid van het ambtsbericht mag uitgaan. Daartoe dient een dergelijk advies op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de besluitvorming op aanvragen voor een verblijfsvergunning van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

17. Na kennis te hebben genomen van de onderliggende stukken van het individuele ambtsbericht is de rechtbank van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat het onderhavige individuele ambtsbericht niet voldoet aan voornoemde vereisten. In dat oordeel betrekt de rechtbank dat verweerder bij brief van 12 juli 2007 heeft aangegeven dat een medewerker van verweerder een zogeheten REK-check heeft uitgevoerd en tot de conclusie is gekomen dat het individuele ambtsbericht qua inhoud en qua procedure zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is.

18. De rechtbank stelt vast dat uit het individuele ambtsbericht van 5 juli 2007 is gebleken dat eiser niet bekend is als schrijver bij de door hem in het nader gehoor opgegeven bladen “Pool”, “Abrar Eghtesadi”, “Eghtesad Pouya”, “Computer”, en “Asia”. Ook was eiser niet bekend bij deze bladen onder de naam [eiser] onder de naam [naam] dan wel een andere naam.

19. De rechtbank is van oordeel dat door eisers onvoldoende aanknopingspunten naar voren zijn gebracht om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van het individuele ambtsbericht. Eisers hebben in beroep twee brieven van Sobh Iran Dagblad overgelegd, gedateerd 9 februari 2008 en 5 maart 2001, waaruit zou moeten blijken dat eiser wel economische/politiek gevoelige artikelen heeft geschreven voor dit dagblad. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze brieven niet worden aangemerkt als een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van het individuele ambtsbericht. De rechtbank overweegt hiertoe dat- nog daargelaten of deze brieven niet eerder in de besluitvormingsfase ingebracht hadden kunnen worden- de inhoud van deze brieven niet kan afdoen aan het in het individuele ambtsbericht vastgelegde onderzoeksresultaat dat eiser niet bekend is bij de door hem genoemde dagbladen. Eiser heeft het Sobh Iran Dagblad niet eerder genoemd. De brieven weerspreken derhalve de conclusie van het individuele ambtsbericht niet en kunnen reeds hierom niet worden aangemerkt als een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van het individuele ambtsbericht.

20. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de overige stellingen van eisers slechts kritische kanttekeningen die niet aangemerkt kunnen worden als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het individuele ambtsbericht.

Gelet op het bovenstaande, heeft verweerder bij de beoordeling van de aanvragen van eisers de bevindingen die in het ambtsbericht zijn neergelegd mogen betrekken. Het doel van een individueel ambtsbericht is er in gelegen de geloofwaardigheid van een asielrelaas te verifiëren. In het onderhavige geval biedt het ambtsbericht evenwel geen ondersteuning aan de door eiser afgelegde verklaringen. Op grond daarvan en omdat eiser zijn relaas niet op andere wijze heeft onderbouwd of aannemelijk heeft gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat - nog daargelaten of eiser onjuiste dan wel tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd - verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege het schrijven van economische danwel politiek gevoelige stukken zijn land van herkomst heeft moeten verlaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het individuele ambtsbericht ten grondslag heeft kunnen leggen aan de bestreden besluiten.

21. Verweerder heeft dan ook in het relaas van eisers geen grond voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw 2000 aanwezig hoeven achten.

22. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser ongegrond. Nu de aanvraag van eiseres een afhankelijk karakter heeft, dient haar beroep eveneens ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Ruinaard, voorzitter, en mr. C. van Linschoten en mr. A.M. Overbeeke, rechters, en in het openbaar uitgesproken door de voorzitter op 27 maart 2009 in tegenwoordigheid van mr. D.G. Wessels-Harmsen als griffier.

de griffier

de voorzitter