Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH8341

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/9316
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8 van het EVRM / belangenafweging

Niet in geschil is dat er sprake is van gezinsleven tussen eiseres en referent en dat er sprake is van inmenging in dit gezinsleven. De rechtbank staat voor de vraag of verweerder in voldoende mate de belangen heeft afgewogen.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend omdat verweerder onvoldoende deugdelijk is ingegaan op hetgeen door eiseres in het kader van artikel 8 van het EVRM is aangevoerd. Immers, verweerder heeft bij zijn beoordeling ten aanzien van artikel 8 van het EVRM enkel betrokken dat, gezien de duur van het verblijf van eiseres en haar kinderen in Nederland, niet gebleken is dat de kinderen van eiseres haar niet kunnen volgen naar het land van herkomst.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op onvoldoende kenbare wijze heeft meegewogen dat het gezinsleven is aangegaan, terwijl eiseres een verblijfsrecht had. Evenmin blijkt uit het bestreden besluit dat verweerder meegewogen heeft dat referent en de kinderen rechtmatig verblijf hebben tot 2011. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op hetgeen is bepaald in paragraaf B2/10.2.3 van de Vc 2000, heeft nagelaten, de belangen van de in Nederland verblijvende minderjarige kinderen expliciet bij zijn beoordeling te betrekken. Meer in het bijzonder wijst de rechtbank in dit verband nog op de omstandigheid dat het jonge kinderen betreft.

Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen en is het niet deugdelijk gemotiveerd. Het besluit dient derhalve wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, Awb te worden vernietigd. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 08/9316

Datum uitspraak: 26 maart 2009

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1964,

v-nummer [nummer]

van Afghaanse nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde mr. G.J. van der Graaf,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 3 juli 2007 heeft eiseres verzocht de geldigheidsduur van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenoot [naam]” te verlengen. Bij besluit van 13 november 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.

Daartegen heeft eiseres op 7 december 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 februari 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 13 maart 2008 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 9 december 2008. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr.V.A.M.W. 't Hoen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende vaststaande feiten en omstandigheden.

De echtgenoot van eiseres is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier tot 8 oktober 2011, Eiseres is op 11 december 2006 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ”verblijf bij echtgenoot [naam] in het kader van gezinshereniging”, met ingang van 4 oktober 2006, geldig tot 4 oktober 2007. Aan de zes (minderjarige) kinderen van eiseres is bij besluit van 11 december 2006 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “gezinshereniging bij ouder(s)” verleend, met ingang van 4 oktober 2006, geldig tot 4 oktober 2011.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daaraan het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij beschikt over voldoende middelen van bestaan. De hoofdpersoon [naam] (verder: de referent) ontvangt sinds 1 april 2007 een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand. Inkomsten uit deze uitkering kunnen niet als zelfstandig worden aangemerkt. Voorts heeft de referent niet aangetoond dat hij beschikt over andere middelen van bestaan, zodat niet aangetoond is dat de referent en eiseres beschikken over voldoende duurzame middelen van bestaan. Niet gebleken is van bijzondere feiten en omstandigheden die ertoe leiden dat op grond van artikel 4:84 van de Awb afgeweken dient te worden van dit beleid. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat artikel 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) niet geschonden is.

4. Hiermee kan eiseres zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende, kort samengevat, aangevoerd. Naar de mening van eiseres heeft verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM onzorgvuldig gemaakt. Verweerder heeft ten onrechte de stellingen van eiseres met betrekking tot de onveilige situatie in Afghanistan niet meegenomen in de belangenafweging. Ook zijn de stellingen van eiseres omtrent haar kinderen ten onrechte niet (kenbaar) meegenomen in deze belangenafweging.

5. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel de persoon bij wie de vreemdeling verblijft niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6. In artikel 3.73 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (verder: Vb 2000) staat beschreven wanneer middelen van bestaan als zelfstandig worden beschouwd. Op grond van het gestelde in hoofdstuk B1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (verder: Vc 2000) - voor zover hier relevant - wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur regulier voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling en degene bij wie verblijf als gezinslid is toegestaan niet gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan.

7. Uit hoofdstuk B2/9.5 van de Vc 2000 blijkt dat als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning wordt afgewezen, omdat de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan, bezien wordt of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Omtrent die afweging van belangen zijn in B2/9.5.2 algemene regels gesteld, die ook hier van toepassing zijn

8. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat referent en eiseres niet voldoen aan het middelenvereiste. Evenmin in geschil is dat referent en eiseres op grond van de in het Vb 2000 en de Vc 2000 weergegeven regelgeving niet in aanmerking komen voor een vrijstelling van het middelenvereiste. Het geschil beperkt zich tot de vraag of verweerder een zorgvuldige belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft gemaakt.

9. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven (‘family life’).

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien, en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

10. Niet in geschil is dat er sprake is van gezinsleven tussen eiseres en referent en dat er sprake is van inmenging in dit gezinsleven. De rechtbank staat voor de vraag of verweerder in voldoende mate de belangen heeft afgewogen.

11. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2007/30, thans opgenomen in B2/10 van de Vc 2000, blijkt dat zowel bij eerste toelating als bij inmenging altijd een volledige belangenafweging dient plaats te vinden. Welke belangen bij de belangenafweging moeten worden betrokken, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus zal verschillen. Om de omvang van de verplichtingen van de overheid te bepalen, moeten alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen en uiteindelijk moet een eerlijk evenwicht worden bereikt tussen de algemene belangen die zijn gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en de weigering van de verblijfsvergunning enerzijds, en de persoonlijke belangen die zijn gediend met het in Nederland uitoefenen van het gezinsleven anderzijds. Van belang zijn in ieder geval de intensiteit van het gezinsleven of, indien het gaat om privé-leven, het gewicht van de aangegane sociale banden, het gewicht dat aan de feitelijke weigeringsgrond in de individuele zaak kan worden toegekend, en de banden die de vreemdeling met Nederland en met het land van herkomst heeft. Indien er sprake is van gezinsleven met (jonge) kinderen die in Nederland zullen achterblijven, moeten ook de belangen van die kinderen worden bezien

12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende deugdelijk is ingegaan op hetgeen door eiseres in het kader van artikel 8 van het EVRM is aangevoerd. Immers, verweerder heeft bij zijn beoordeling ten aanzien van artikel 8 van het EVRM enkel betrokken dat, gezien de duur van het verblijf van eiseres en haar kinderen in Nederland, niet gebleken is dat de kinderen van eiseres haar niet kunnen volgen naar het land van herkomst.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op onvoldoende kenbare wijze heeft meegewogen dat het gezinsleven is aangegaan, terwijl eiseres een verblijfsrecht had. Evenmin blijkt uit het bestreden besluit dat verweerder meegewogen heeft dat referent en de kinderen rechtmatig verblijf hebben tot 2011. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op hetgeen is bepaald in paragraaf B2/10.2.3 van de Vc 2000, heeft nagelaten, de belangen van de in Nederland verblijvende minderjarige kinderen expliciet bij zijn beoordeling te betrekken. Meer in het bijzonder wijst de rechtbank in dit verband nog op de omstandigheid dat het jonge kinderen betreft.

Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen en is het niet deugdelijk gemotiveerd. Het besluit dient derhalve wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, Awb te worden vernietigd. Het beroep is gegrond.

13. Hetgeen eiseres verder heeft ingebracht en wat daar zijdens verweerder over is overwogen, behoeft, gelet op het bovenstaande, derhalve geen verdere bespreking.

14. Het beroep is gegrond wegens schending van het vereiste dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (artikel 3:2 van de Awb) en wegens schending van het motiveringsvereiste (artikel 7:12 van de Awb).

15. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,-- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 28 februari 2008;

draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644, --, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die dit bedrag dient te betalen aan eiseres;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eiseres € 145,--, te betalen ter vergoeding van het door haar betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Linschoten, voorzitter, en mr. E.C. Ruinaard en mr. A.M. Overbeeke, rechters, en in het openbaar uitgesproken door de voorzitter op 26 maart 2009 in tegenwoordigheid van mr. D.G. Wessels-Harmsen als griffier.

de griffier

de voorzitter