Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH8285

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
313745 08-4790
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Alimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2009, 45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 08-4790

Zaaknummer: 313745

Datum beschikking: 17 februari 2009

Alimentatie

Beschikking op het op 20 juni 2008 ingekomen verzoek van:

[man],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.H.C. Morshuis te 's-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[vrouw]

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.A.D. Bloemsma te Huizen.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de brief d.d. 9 januari 2009 van de zijde van de man met bijlagen;

- het faxbericht d.d. 12 januari 2009 van de zijde van de vrouw met bijlagen.

Op 20 januari 2009 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen vergezeld van hun advocaten. Van de zijde van zowel de man als de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] 1986 tot [datum] 1994.

Uit het huwelijk is het volgende kind van partijen geboren:

- [minderjarige], op [datum] 1989, te [plaats]

In het echtscheidingsconvenant d.d. 13 november 1993 aangehecht aan de beschikking van deze rechtbank en kamer d.d. 2 februari 1994 zijn partijen - voor zover hier van belang - de volgende regeling overeengekomen:

"Artikel 2.1: Partijen zijn van mening dat het in het belang is van hun minderjarige kind dat de ouderlijke macht van hen beiden in stand blijft. De hoofdverblijfplaats van het kind is bij de moeder te [plaats]. Noch de man noch de vrouw zal een poging doen het kind op te eisen.

Artikel 2.3: De man zal als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind aan de vrouw betalen een bedrag van Fl. 300,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen. De vrouw zal de kinderbijslag aanvragen en innen en besteden aan uitgaven ten behoeve van het kind. Deze alimentatie is onderworpen aan de wettelijke indexering op grond van artikel 402a boek 1 BW";

Artikel 2.4: De man verplicht zich de onderwijskosten van het kind voor 50% voor zijn rekening te nemen".

Verzoek, grondslag en verweer

Het verzoek van de man luidt:

I de vrouw te veroordelen aan de man te voldoen een bedrag van € 32.349,90;

II de vrouw te veroordelen om als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te bepalen aan de man een bedrag van € 6.600,- terzake van achterstallige alimentatie over de periode 1 augustus 2005 tot 7 juni 2007;

III de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt:

I de man in zijn vorderingen niet ontvankelijk te verklaren dan wel de vorderingen af te wijzen, zijnde ongegrond en onbewezen;

II de man te veroordelen in de kosten van dit geding, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Beoordeling

De man heeft gesteld dat partijen in het convenant weliswaar zijn overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats bij de vrouw is, maar dat de minderjarige feitelijk gedurende de schooljaren 2003-2004 en 2004-2005 op een internaat verbleef en sinds de zomer 2005 bij de man woont. De man verzoekt ten laste van de vrouw met terugwerkende kracht vast te stellen een aan de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van het kind alsmede de vrouw te veroordelen om aan de man te vergoeden de helft van de door hem betaalde onderwijs- en andere kosten ten behoeve van het kind. Ter terechtzitting heeft de man desgevraagd verklaard dat het bepaalde in artikel 1:392 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) alsmede de redelijkheid en billijkheid ten grondslag liggen aan zijn verzoeken. Het verzoek tot vergoeding van de onderwijskosten baseert hij op artikel 2.4 van het echtscheidingsconvenant.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Ontvankelijkheid

De rechtbank oordeelt als volgt.

De vrouw heeft primair betwist dat de man ontvankelijk is in onderhavig verzoek tot betaling van (achterstallige) kosten van het kind. Zij stelt dat deze vordering niet bij verzoekschrift maar bij dagvaarding ingeleid had moeten worden.

De man heeft deze stelling van de vrouw weersproken.

In navolging van de Hoge Raad in zijn arresten van 28 december 1992 (LJN: ZC 0531) en van 2 mei 2003 (LJN: AF8125) is de rechtbank van oordeel dat in zaken betreffende kosten van levensonderhoud van een kind verschuldigd krachtens Boek 1 BW het volgen van de verzoekschriftprocedure als dwingend voorgeschreven moet worden beschouwd, ook indien tussen partijen een alimentatieovereenkomst is gesloten. Nu de man - naar de rechtbank begrijpt - zijn verzoeken (deels) baseert op grond van artikel 1:392 BW en op het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant is de man ontvankelijk.

Verzoek I

Nu de man zijn verzoek tot betaling door de vrouw van € 32.349,90 heeft gesplitst in een bedrag van € 4.135,66 ter zake - naar de rechtbank begrijpt - van vergoeding van (achterstallige) kosten voor levensonderhoud van het kind en een bedrag van € 28.214,21 aan vergoeding van de onderwijskosten die de man stelt te hebben gemaakt, zullen deze posten apart worden behandeld.

Ad 1 de onderwijskosten

De man heeft gesteld dat uit artikel 2.4 van het convenant volgt dat de vrouw gehouden is om 50% van de onderwijskosten van de minderjarige voor haar rekening te nemen.

De man stelt dat de vrouw ten titel van onderwijskosten aan hem verschuldigd is de som van € 28.214,21 te weten de helft van de volgende posten:

tabel

De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist. De rechtbank begrijpt het verweer van de vrouw aldus dat zij erkent dat partijen zijn overeengekomen dat ieder 50% van de onderwijskosten voldoet, echter slechts zolang de minderjarige bij de vrouw woont. Subsidiair stelt de vrouw dat de kosten van het internaat slechts huisvestingskosten betreffen en dat deze geen betrekking hebben op kosten van onderwijs. Voor zover er al sprake zou zijn van onderwijskosten verdisconteerd in de internaatkosten dan zijn deze niet uitgesplitst, aldus de vrouw.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie overeenkomsten niet slechts dienen te worden uitgelegd op basis van hun letterlijke bewoordingen, maar dat het hierbij ook aankomt op de zin die partijen aan het overeengekomene mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635, Haviltex).

De rechtbank is op grond van voornoemd Haviltex-criterium van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2.4 van het convenant met zich brengt dat de vrouw gehouden is om 50% bij te dragen van de kosten die daadwerkelijk zijn besteed aan onderwijs van het kind. Gelet op de redactie van artikel 2.4 in onderlinge samenhang bezien met de laatste zin van artikel 2.1 was het de kennelijke bedoeling van partijen dat iedere ouder de helft van de onderwijs-kosten op zich zou nemen, ongeacht de hoofdverblijfplaats van het kind.

Derhalve ligt de vraag voor of de hiervoor onder a tot en met j aangegeven kosten als onderwijskosten zijn aan te merken en zo ja, welke kosten daarvan door de vrouw aan de man dienen te worden vergoed.

Ad. a en b) de internaatkosten van in totaal € 47.771,30

De vrouw heeft bij faxbericht van 12 januari 2009 onder meer het door beide partijen getekende contract met internaat [A] te [plaats] overgelegd. Gelet op dit contract is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat - zoals door de vrouw is gesteld - de internaatkosten zien op kosten voor huisvesting en niet op onderwijs. Nu de man geen inzicht heeft verschaft of in de internaatkosten mogelijk ook onderwijskosten zijn inbegrepen, welke vraag door de vrouw reeds in haar verweerschrift is opgeworpen, zal de rechtbank het verzoek tot vergoeding van de internaatkosten bij gebrek aan grondslag afwijzen. Gelet hierop behoeft op het verjaringsverweer van de vrouw niet meer te worden beslist.

Ad c, d, e en h) huiswerkcursussen: in totaal € 7.590,-

De rechtbank is van oordeel dat huiswerkbegeleiding zo nauw verbonden is aan het onderwijs dat deze kosten, in tegenstelling tot hetgeen door de vrouw naar voren is gebracht, direct tot de kosten van het onderwijs behoren. Nu de man eveneens heeft aangetoond dat hij deze kosten heeft gemaakt, zal de rechtbank dit deel van het verzoek toewijzen.

Ad f, i en j) boeken en Normandiëreis: in totaal € 951,31

Nu de vrouw zelf heeft gesteld dat voornoemde kosten behoren tot de categorie onderwijskosten en de man heeft aangetoond dat hij deze kosten heeft gemaakt, zal de rechtbank dit gedeelte van het verzoek toewijzen.

Ad g) calculator: € 117,81

De rechtbank is van oordeel dat kosten van een calculator mogelijk onder onderwijskosten vallen, doch zal dit deel van het verzoek afwijzen, nu door de man niet is aangetoond dat deze calculator ten behoeve van het kind is aangeschaft aangezien de nota gesteld is op naam van [B] Accountants- Belastin.

Ad 2 achterstallige kosten van levensonderhoud

De man verzoekt de vrouw te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 4.135,66 betreffende rekeningen (tand)arts, psycholoog, hockeyclubkosten en kinderopvang. Volgens de man hebben deze kosten betrekking op de kosten van levensonderhoud van het kind.

De vrouw heeft dit verzoek gemotiveerd betwist.

De rechtbank stelt voorop dat allereerst aan de orde is de vraag of de man op grond van artikel 1:392 lid 1 BW een verhaalsaanspraak heeft op de vrouw ter zake van de kosten van levensonderhoud van een kind. In navolging van de Hoge Raad in zijn arresten van 23 mei 1975, NJ 1976,412 en 28 april 1995, NJ 1996, 102 is de rechtbank van oordeel dat het systeem van de wet zich verzet tegen een mogelijkheid tot verhaalsrecht van de ene ouder jegens de andere ouder voor uitgaven die hij of zij ten behoeve van en gedurende de minderjarigheid van kinderen heeft besteed.

Het stelsel van de wet (Boek 1 BW, Titel 17, Afdeling 1) inzake de voorziening in de kosten van levensonderhoud van kinderen na echtscheiding verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank evenmin met een rol voor de redelijkheid en billijkheid als door de man bepleit.

Gelet op het vorenstaande wordt het verzoek van de man tot betaling door de vrouw van

€ 4.135,66 afgewezen.

Verzoek II

De man baseert zijn verzoek de vrouw te veroordelen tot betaling van een bijdrage aan hem ter zake van (achterstallige) kosten van verzorging en opvoeding van het kind over de periode 1 augustus 2005 tot 7 juni 2007 op artikel 1:392 lid 1 BW. De man heeft desgevraagd verklaard dat het verzoek niet als een wijzigingsverzoek mag worden aangemerkt.

De rechtbank is op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat artikel 1:392 BW geen grondslag biedt voor onderhavig verzoek. Immers, uit het systeem van de wet volgt dat de man een verzoek tot wijziging ex artikel 1:401 lid 1 BW had behoren in te dienen, gezien de echtscheidingsbeschikking van 2 februari 1994 en het echtscheidingsconvenant waarbij partijen zijn overeengekomen dat het kind zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat voor zover de man de redelijkheid en billijkheid ten grondslag heeft gelegd aan zijn verzoek, de rechtbank van oordeel is dat ook nu uit het systeem van de wet volgt dat deze rechtsgrond in casu geen rol speelt, aangezien de wet de man een andere rechtsingang biedt. Nu de man daarvan bewust heeft afgezien dient dit voor zijn rekening en risico te komen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn en het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing:

De rechtbank:

veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen de som van € 8.541,31 en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.J. Verbeek in tegenwoordigheid van

mr. J.H. van Berkel als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

17 februari 2009.