Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH7646

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
09/758513-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel. Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan mensenhandel. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte een meisje, dat de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, vervoerd voor werk in de prostitutie met als doel de uitbuiting van dit meisje. Daarnaast heeft hij voordeel getrokken uit de seksuele diensten die door het slachtoffer zijn verricht. Gevangenisstraf van 9 maanden met aftrek, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Zie ook BH6934.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/758513-08

Datum uitspraak: 23 maart 2009

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1959,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Midden Holland,

HvB De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 maart 2009.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr C.M.H. van Vliet, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr E.A. Wösten heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 5 (vijf) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging tenlastelegging, gemerkt A1.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 2 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 2 vrijspraak bepleit. Zij is van mening dat de wijze waarop het feit ten laste is gelegd te weinig specifiek is; dat het onduidelijk is op welke afbeelding de tenlastelegging ziet.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging op zich voldoende duidelijk en specifiek is. Desalniettemin zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken, nu zij van oordeel is dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat het beeldmateriaal kinderpornografische afbeeldingen betreft.

De rechtbank heeft zich hierbij verlaten op hetgeen de twee afbeeldingen in kwestie laten zien, te weten een jonge vrouw die in haar ondergoed op een bank ligt, waarbij zij haar benen heeft gespreid. Het gezicht van de vrouw is onherkenbaar gemaakt met een zwarte balk. De afbeeldingen betreffen zwart/wit kopieën van foto's. In het dossier bevinden zich geen originele exemplaren van de foto's. De rechtbank is van oordeel dat uit de foto's, in het bijzonder uit de lichamelijke kenmerken van de afgebeelde vrouw, niet is af te leiden dat sprake is van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt,

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Bewijsoverweging.

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte absoluut geen weet heeft gehad van de situatie van uitbuiting waarin [A] zich heeft bevonden, alsmede van het feit dat zij minderjarig was. Het verweer van de raadsvrouw concentreert zich daarnaast op de stelling dat de uitbuiting los gezien dient te worden van de minderjarigheid. Vooreerst dient het medeplegen van de uitbuiting te worden bewezen in de ogen van de raadsvrouw, dan pas komt de minderjarigheid aan de orde. Ten aanzien van het medeplegen van de uitbuiting stelt de raadsvrouw dat geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen medeverdachte [medeverdachte] en verdachte. Verdachte heeft [A] slechts in zijn auto vervoerd en heeft niets te maken gehad met het werven van [A]. Voor wat betreft de verdeling van het geld merkt de raadsvrouw op dat de verdiensten van verdachte in verhouding stonden ten opzichte van die van de meisjes. Van uitbuiting is in deze situatie volgens haar geen sprake. De raadsvrouw bepleit vrijspraak voor artikel 273f, eerste lid, sub 2 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr). Ten aanzien van artikel 273f, eerste lid, sub 8 WvSr refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank.

In de zaak van [B] heeft de raadsvrouw algehele vrijspraak bepleit gelet op het feit dat er geen bewijs voorhanden is om verdachte hiervoor te veroordelen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het minderjarige slachtoffer [A] door medeverdachte [medeverdachte] is gedwongen om te gaan werken in de seksindustrie. [medeverdachte] heeft er met de hulp van verdachte voor gezorgd dat het slachttoffer zich ook daadwerkelijk beschikbaar heeft gesteld tot het verlenen van seksuele diensten. Verdachte heeft in dit kader foto's van het slachtoffer gemaakt en deze op sekssites op het internet geplaatst. Verdachte heeft klanten geregeld voor het slachtoffer en haar naar deze klanten vervoerd. Nadat het slachtoffer haar seksuele diensten had verricht, diende zij eerst met verdachte en later met medeverdachte [medeverdachte] af te rekenen.

De rechtbank is van oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van uitbuiting nu de menselijke waardigheid, de lichamelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van het minderjarige slachtoffer in het geding zijn. Het slachtoffer verkeerde onvrijwillig in de situatie dat zij diende te werken in de seksindustrie, terwijl zij geen mogelijkheid had om zich hieraan te onttrekken. Verdachte heeft in deze situatie een belangrijke rol gespeeld.

Om in het bijzonder kinderen tegen uitbuiting te beschermen, zijn in lid 1 onder 2 van artikel 273f WvSr dezelfde handelingen strafbaar gesteld als onder 1, zelfs als er geen sprake is geweest van dwang of misleiding. Overigens vormt de minderjarigheid in artikel 273f WvSr een geobjectiveerd bestanddeel. Het feit dat de verdachte stelt dat hij niet heeft geweten dat het hier een minderjarig meisje betrof, doet aldus aan zijn strafbaarheid niets af.

Samengevat is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte, samen met een ander, een minderjarig meisje heeft uitgebuit door haar te vervoeren naar klanten en te delen in de opbrengst die zij verdiende met het verlenen van seksuele diensten.

De rechtbank is van oordeel dat er voor wat betreft [B] onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om verdachte te kunnen veroordelen. Voor het bewijs van dit feit is enkel de verklaring van [C] voorhanden. Naast deze verklaring bevindt zich in het dossier geen steunbewijs waaruit kan worden afgeleid dat [B] door verdachte in zijn auto is vervoerd naar klanten, teneinde prostitutiewerkzaamheden te verrichten. [B] zelf verklaart hieromtrent niets en verdachte ontkent. Uit de tapgesprekken waaraan de officier van justitie in haar requisitoir refereert, blijkt nergens dat verdachte betrokken zou zijn bij het vervoer van [B]. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting van 26 februari 2009, voegt evenmin iets toe nu hij slechts heeft verklaard dat hij [B] heeft doorverwezen naar verdachte.

Verdachte zal voor dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het op de dagvaarding onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan mensenhandel. De verdachte heeft samen met zijn medeverdachte een meisje, dat de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, vervoerd voor werk in de prostitutie met als doel de uitbuiting van dit meisje. Daarnaast heeft hij voordeel getrokken uit de seksuele diensten die door het slachtoffer zijn verricht.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij bij het begaan van het feit op geen enkele manier respect heeft getoond voor het jonge slachtoffer en haar louter en alleen als handelswaar heeft beschouwd. Dusdoende heeft verdachte zijn eigen geldelijke gewin boven de lichamelijke integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van zijn slachtoffer gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat na te melden gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, teneinde verdachte in de toekomst te weerhouden van het plegen van feiten zoals hier in het geding.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 57 en 273f van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

MENSENHANDEL GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op : 27 november 2008,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 1 december 2008,

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 3 (drie) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mrs E. Timmermans, voorzitter,

J.P. Wittop Koning en H.M. van Maurik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr N. Breda, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 maart 2009.

Mr Van Maurik is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.