Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH6962

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
20-03-2009
Zaaknummer
AWB 09/6776
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep mededeling toepassing artikel 50, derde lid, Vw / bevoegdheid rechtbank / begrip besluit / wetsartikelen: Vw 50, 72, 93. Awb 1:3, 8:1

Eiser heeft een brief ingediend tegen een “Mededeling toepassing artikel 50, derde lid, Vreemdelingenwet”. Dit is door verweerder doorgezonden aan de rechtbank om te worden behandeld als beroep. De rechtbank zoekt aansluiting bij het systeem van rechtsmiddelen betreffende de ophouding van artikel 50 van de Vw, nu het hier gaat om een mededeling over de toepassing van dat artikel. Gelet op artikel 93, eerste lid, van de Vw in samenhang gelezen met artikel 8:1 van de Awb dient eisers brief van 13 maart 2008 te worden aangemerkt als een beroep en is de rechtbank bevoegd om daarvan kennis te nemen.

De rechtbank oordeelt vervolgens dat geen sprake is van een besluit ex artikel 1;3 Awb, nu de “Mededeling toepassing artikel 50, derde lid, Vreemdelingenwet”, gelet op de aard en strekking daarvan, niet is gericht op enig rechtsgevolg. Deze mededeling schept geen bevoegdheid voor verweerder tot toepassing van artikel 50, derde lid, van de Vw. Die bevoegdheid van verweerder is ook zonder daaraan voorafgaande mededeling toe te passen. De mededeling is naar het oordeel van de rechtbank louter van informatieve aard. Overigens is niet gebleken dat de bevoegdheid neergelegd in artikel 50, derde lid, van de Vw, zoals aangekondigd in de mededeling, ten aanzien van eiser is toegepast en hij ook daadwerkelijk is overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor en aldaar is opgehouden.

Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/6776 VRONTN

uitspraak op het beroep tegen de aanzegging tot ophouding op grond van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van de enkelvoudige kamer d.d. 19 maart 2009

inzake

[eiser], alias [naam]., alias [naam], geboren op [geboortedatum] 1983, van gestelde Nederlandse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. drs. J. Hemelaar, advocaat te Amsterdam,

tegen een gesteld besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

gemachtigde: mr. R. Jonkman, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Verweerder heeft op 12 maart 2008 aan eiser uitgereikt een “Mededeling toepassing artikel 50, derde lid, Vreemdelingenwet”.

1.2 Eiser heeft hiertegen bij brief van 13 maart 2008 bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij brief van 24 februari 2009 heeft verweerder dit bezwaar doorgezonden aan de rechtbank om te worden behandeld als beroep.

1.3 Het geding is behandeld ter zitting van 16 maart 2009. Eiser en zijn gemachtigde zijn aldaar met kennisgeving niet verschenen. De rechtbank heeft in het voorwaardelijke verzoek van eiser van 11 maart 2009 om aanhouding van de behandeling ter zitting geen aanleiding gevonden om dit verzoek te honoreren. Verweerder heeft ter zitting bij monde van zijn gemachtigde zijn standpunt toegelicht.

Overwegingen

2.1 Ten aanzien van de vraag of de brief van 13 maart 2008 als beroep of als bezwaar dient te worden aangemerkt overweegt de rechtbank als volgt.

2.2 Ingevolge artikel 93, eerste en tweede lid, van de Vw, voor zover thans van belang, wordt de ophouding en de verlenging van de ophouding bedoeld in artikel 50, tweede, derde en vierde lid, voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelijkgesteld met een besluit. Artikel 7:1 van de Awb is niet van toepassing.

2.3 In de brief van 13 maart 2008 wordt beoogd een rechtsmiddel aan te wenden tegen de schriftelijke mededeling van verweerder aan eiser dat hij na invrijheidsstelling/ontslag uit het strafrechtelijke traject, op grond van het bepaalde in artikel 50, derde lid, van de Vw, aansluitend wordt overgebracht naar een plaats van verhoor en aldaar wordt opgehouden.

2.4 De rechtbank is van oordeel dat voor de vraag of zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, aansluiting dient te worden gezocht bij het systeem van rechtsmiddelen betreffende de ophouding van artikel 50 van de Vw, nu het hier gaat om een mededeling over de toepassing van dat artikel. Gelet op artikel 93, eerste lid, van de Vw in samenhang gelezen met artikel 8:1 van de Awb dient eisers brief van 13 maart 2008 te worden aangemerkt als een beroep en is de rechtbank bevoegd om daarvan kennis te nemen.

2.5 Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of dat beroep is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat daar geen sprake van is, nu de “Mededeling toepassing artikel 50, derde lid, Vreemdelingenwet”, gelet op de aard en strekking daarvan, niet is gericht op enig rechtsgevolg. Deze mededeling schept geen bevoegdheid voor verweerder tot toepassing van artikel 50, derde lid, van de Vw. Die bevoegdheid van verweerder is ook zonder daaraan voorafgaande mededeling toe te passen. De mededeling is naar het oordeel van de rechtbank louter van informatieve aard. Overigens is niet gebleken dat de bevoegdheid neergelegd in artikel 50, derde lid, van de Vw, zoals aangekondigd in de mededeling, ten aanzien van eiser is toegepast en hij ook daadwerkelijk is overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor en aldaar is opgehouden.

2.6 Verder heeft eiser geen feiten en omstandigheden aangevoerd die leiden tot het oordeel dat voormelde mededeling is aan te merken als een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw. De handeling, te weten het doen van voormelde mededeling, heeft geen wijziging gebracht in de rechtspositie van eiser.

2.7 Het beroep dient derhalve niet-ontvankelijk verklaard te worden. Gelet hierop bestaat geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

2.8 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M.P. Glerum en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2009.

De griffier: De rechter

mr. P. Bruins-Langedijk mr. M.P. Glerum

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.