Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH6934

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
20-03-2009
Zaaknummer
09/752060-08 09/931494-07 0004, 0008
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte meerdere meisjes, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hadden bereikt, geworven en vervoerd voor werk in de prostitutie met als doel de uitbuiting van deze meisjes. De meisjes moesten een groot deel van het verdiende geld aan verdachte of zijn medeverdachte afgeven. Als de meisjes niet (meer) voor verdachte wilden werken, chanteerde verdachte de meisjes met bekendmaking van hun werk bij familie en vrienden en bedreigde hij hen met geweld. Verder heeft hij samen met een zijn medeverdachte meisjes ertoe gebracht zich ook daadwerkelijk beschikbaar te stellen tot het verrichten van een of meer seksuele handelingen met derden. Jeugddetentie van 4 maanden met aftrek; plaatsing in een inrichting voor jeugdigen en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de rechtbank d.d. 8 mei 2008, te weten: jeugddetentie voor de duur van 3 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/752060-08

Tul 09/931494-07

Rolnummers 0004, 0008

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte (hierna: verdachte)

[verdachte],

geboren op [datum] 1993 te 's-Gravenhage,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in Rijksinrichting De Heuvelrug, locatie Eikenstein, Zeist.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 26 februari 2009.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. G.J. van der Meer, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. E.A. Wösten heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/752060-08 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 4 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en dat aan verdachte wordt opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank d.d. 8 mei 2008 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 3 maanden.

De tenlastelegging.

Aan verdachte is ten laste gelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de dagvaarding, gemerkt A, en in de vordering wijziging tenlastelegging, gemerkt A1.

De rechtmatigheid van verkregen bewijs.

De raadsman is van mening dat de verklaringen die verdachte bij de politie heeft afgelegd dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Er zijn meerdere verhoren afgenomen bij verdachte voordat hij rechtsbijstand heeft gehad van een piketadvocaat. Evenmin is een advocaat bij de verhoren aanwezig geweest. De raadsman stelt zich op het standpunt dat het ontbreken van rechtsbijstand voorafgaande en tijdens het politieverhoor, gelet op de uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), inzake Salduz versus Turkije (EH 27 november 2007, appl.no. 36391/02) en Panovits versus Cyprus (EH 11 december 2008, appl.no. 4268/04), een schending is van artikel 6 EVRM. Deze inbreuk levert een dusdanige ernstige schending van een belangrijk strafvorderlijk voorschrift op dat tot uitsluiting van de politieverklaringen van verdachte dient te worden overgegaan.

De rechtbank stelt vast dat verdachte meerdere malen bij de politie is verhoord buiten de aanwezigheid van een raadsman. De rechtbank overweegt dat uit de bovenvermelde uitspraken van het EHRM geen algemeen geldend recht op aanwezigheid van een raadsman bij het politieverhoor kan worden afgeleid. De enkele afwezigheid van een advocaat tijdens het verhoor, levert niet zonder meer een schending van artikel 6 EVRM op. Ten aanzien van de vraag of - gelet op bovenvermelde uitspraken - de verhoren die verdachte heeft afgelegd voordat hij bezocht is door een advocaat, voor het bewijs kunnen worden gebruikt, overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens het dossier is de piketcentrale op 14 november 2008 conform de piketregeling in kennis gesteld van de inverzekeringstelling van verdachte. Op 15 november 2008 is verdachte door een advocaat bezocht. Verdachte heeft bij de eerste politieverhoren ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan mensenhandel, hetgeen hij ook heeft volgehouden na het verkrijgen van rechtsbijstand. De rechtbank zal de door verdachte bij de politie afgelegde verklaringen niet uitsluiten voor het bewijs doch deze verklaringen slechts benutten voor zover de verklaringen van de verdachte voldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat de verklaring van getuige [A] van het bewijs dient te worden uitgesloten nu de verdediging niet in de gelegenheid is geweest haar te horen.

De rechtbank stelt vast dat de verdediging op 21 november 2008 de rechter-commissairs heeft verzocht de getuige [A] te doen horen, welk verzoek door de rechter-commissaris is ingewilligd. Het verhoor van getuige [A] heeft echter niet plaatsgevonden omdat niet gelukt is de dagvaarding aan haar te betekenen aan het domicilie gekozen adres politiebureau Jan Hendrikstraat 85 te Den Haag. In een proces-verbaal van bevindingen van 18 februari 2009 vermeldt de griffier dat de rechercheur op alle mogelijke manieren heeft

getracht in contact te komen met getuige [A], maar dat dit niet is gelukt. Gelet daarop valt niet te verwachten dat de getuige op een deugdelijke manier kan worden opgeroepen teneinde te worden gehoord. In het proces-verbaal van bevindingen dd 25 februari 2009 relateert verbalisant [verbalisant] dat hij [A] 8 a 10 keer heeft geprobeerd telefonisch te bereiken, en dat voorts 5 maal geprobeerd is [A] te bezoeken op bezoeken op het GBA adres. Hier was echter niemand aanwezig. Navraag leerde dat ook bureau Jeugdzorg geen ander telefoonnummer of adres van de getuige kende.

Gezien de vele vruchteloze pogingen die zijn verricht contact te krijgen met getuige [A], is de rechtbank van oordeel dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. De rechtbank ziet op grond van het bepaalde in artikel 288 lid 1 sub a van het Wetboek van Strafvordering af van de oproeping van de niet verschenen getuige.

De rechtbank zal het verzoek van de raadsman de verklaringen van [A] niet voor het bewijs te bezigen niet inwilligen. De rechtbank acht de verklaringen van [A] - voor zover gebezigd voor het bewijs - betrouwbaar. De rechtbank komt tot dat oordeel omdat haar verklaringen op essentiële punten ondersteund worden door de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen , te weten de verklaring van [B], foto's en de inhoud van diverse telefoontaps.

Gezien het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de verklaring van aangeefster [A] toelaatbaar bewijsmateriaal vormt, ofschoon zij in geen enkel stadium van het geding in bijzijn van de verdediging kon worden gehoord.

De bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

De bewezenverklaring.

Door de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgrond aannemelijk is geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan mensenhandel. De verdachte heeft samen met zijn medeverdachte meerdere meisjes, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hadden bereikt, geworven en vervoerd voor werk in de prostitutie met als doel de uitbuiting van deze meisjes. Verdachte haalde de meisjes over zich te prostitueren door hen emotioneel aan hem te binden, geld en een mooie (gezamenlijke) toekomst voor te spiegelen. De meisjes moesten een groot deel van het verdiende geld aan verdachte of zijn medeverdachte afgeven. Als de meisjes niet (meer) voor verdachte wilden werken, chanteerde verdachte de meisjes met bekendmaking van hun werk bij familie en vrienden en bedreigde hij hen met geweld. Verder heeft hij samen met een zijn medeverdachte meisjes ertoe gebracht zich ook daadwerkelijk beschikbaar te stellen tot het verrichten van een of meer seksuele handelingen met derden. Verdachte liet de meisjes door zijn medeverdachte wegbrengen naar de plaatsen en adressen waar zij hun prostitutie werkzaamheden verrichtten. Dit deed hij, al dan niet met die ander, door het aanmelden van een meisje bij verschillende sekssites zodat zij afspraken kon gaan maken met (potentiële) klanten.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij door middel van deze handelingen geen enkel respect toont voor de persoonlijke en lichamelijke integriteit van anderen en zijn eigen geldelijke gewin boven de lichamelijke integriteit van anderen stelt, met name nu het hier gaat om minderjarige slachtoffers.

Voorts is komen vast te staan dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De verdachte heeft blijkens het schrijven van psychiater drs. M.L. van Steenderen en orthopedagoog dr. R.E. Arends, geweigerd mee te werken aan het persoonlijkheidsonderzoek. Beide deskundigen hebben derhalve geen rapport en advies kunnen uitbrengen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het voorlichtingsrapport van de Raad voor de Kinderbescherming met bijlagen van 11 februari 2009. In dit rapport wordt - kort en zakelijk weergegeven- vermeld:

Uit aanvullende informatie van de heer [C], manager behandelzaken van Het Palmhuis, is vernomen dat [verdachte] een beneden gemiddeld IQ heeft, maar wel straatwijs is. Het is een jongen die berekenend kan zijn en zijn doelen op een handige manier weet te behalen. Indien het tenlastegelegde bewezen kan worden, is dit een zeer zorgelijke prognose voor zijn toekomst. Hij heeft dan geruime tijd een dubbelleven geleid waarbij hij iedereen om de tuin heeft weten te leiden. Hij zal dan zo diep in de criminele wereld verzonken zitten dat poliklinische behandeling niet zal aanslaan. Hij dient dan uit zijn criminele systeem te worden gehaald omdat de kans op recidive anders zeer groot is. Een behandeling binnen een gesloten setting zou dan noodzakelijk zijn.

De heer [D], jeugdreclasseerder, heeft in aanvulling op zijn rapport van 24 november 2008, aangegeven dat hij van mening is dat ambulante hulpverlening onvoldoende effectief is gebleken [verdachte] te weerhouden van recidive. Gezien de heftigheid van het delict is naar mening van de Jeugdreclassering, enkel een gesloten plaatsing van toepassing, bij voorkeur een Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen.

De Raad voor de Kinderbescherming is van mening dat gezien de ernstige gedragsproblematiek van verdachte en de aard van het delictgedrag en gezien het feit dat verdachte ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, een maatregel Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen noodzakelijk is. Verdachte zit reeds lange tijd in een behandel- en begeleidingstraject en recidiveert. Hij is in staat gebleken een dubbelleven te leiden, waarbij ouders en hulpverleners geen zicht hebben gehad op zijn criminele activiteiten. De ontkennende houding van verdachte acht de Raad zeer zorgelijk en de Raad plaatst vraagtekens omtrent zijn gewetensontwikkeling. Een ambulant traject is een gepasseerd station.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van de rapportage van 24 november 2008 van de heer [E], Manager Behandelzaken bij Stichting De Jutters. Hierin wordt - kort en zakelijk weergegeven - vermeld dat verdachte met ingang van 30 oktober 2007 op de Dagbehandeling van het Palmhuis is opgenomen. Bureau Jeugdzorg en het eerdere persoonlijkheidsonderzoek geven aan dat er bij verdachte sprake is van gedragsstoornis en agressieproblematiek, grote beïnvloedbaarheid, lage frustratietolerantie en egozwakte. Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling in combinatie met functioneren op zwakbegaafd niveau. In de beginperiode van de behandeling op de groep toont verdachte veel agressief gedrag. Dit komt tot uiting in schreeuwen, schelden en bedreigen. Het lijkt erop of verdachte instrumentele agressie inzet om zijn zin te krijgen. De laatste drie maanden van de behandeling lijkt er een positieve kentering in het gedrag te hebben plaatsgevonden. Echter dit gedrag lijkt ook instrumenteel te worden ingezet. Het gedrag van verdachte doet sociaal wenselijk aan. Er was nog geen reden tot positieve afronding van zijn behandeling. Bij verdachte is immers een sprake van een ernstige gedragsstoornis (tevens een early starter). Bij een bewezenverklaring is het advies verdachte in een gesloten setting te plaatsen.

Verdachte heeft het de rechtbank onmogelijk gemaakt zich een goed beeld te vormen van zijn persoonlijkheid doordat hij aan justitieel onderzoek naar zijn geestvermogens niet heeft willen meewerken. Hierdoor blijft onduidelijk of verdachte tijdens het begaan van de tenlastegelegde feiten lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.

Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank er bij de strafoplegging van uit dat de feiten verdachte volledig kunnen worden toegerekend.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt.

Gelet op het feit dat verdachte gedurende het plegen van de bewezenverklaarde feiten behandeld werd voor een ernstige gedragsstoornis, deze behandeling niet was voltooid, het hoge recidive gevaar alsmede de ernst van de delicten is de rechtbank van oordeel dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist en dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte.

De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van jeugddetentie voor de duur van drie maanden kan worden toegewezen nu de verdachte opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd gedurende de bij voornoemd vonnis bepaalde proeftijd.

Toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77dd, 77ee, 77gg en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding ten laste gelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

MENSENHANDEL GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, MEERMALEN GEPLEEGD

verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezene en verdachte te dier zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 4 maanden

legt verdachte op de maatregel van

plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;

in verzekering gesteld op 14 november 2008

in voorlopige hechtenis gesteld op 17 november 2008

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd gelijk is geworden aan de opgelegde straf.

t.a.v. parketnummer 09/931494-07

gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de rechtbank d.d. 8 mei 2008, te weten: jeugddetentie voor de duur van 3 maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.M.D. de Jong, kinderrechter, voorzitter,

mr. M. Soffers, kinderrechter,

en mr. J.P. Wittop Koning, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Dongen, griffier.

Het vonnis is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van

12 maart 2009.

mr. M. Soffers is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.